Tuesday, June 29, 2010

Push Up


Push Up– Freestylers

'Mevrouw! Hee mevrouw, wacht even!' Het duurt even voordat ik in de gaten heb dat de Aziatische dame die vanaf de overkant van de straat al roepend mijn kant op galoppeert het tegen mij heeft. Heb ik iets laten vallen? Of erger: heb ik iets op haar laten vallen – of, nog erger: op het ongeboren kind in haar buik? Komt ze me aanklagen? Me leegtrekken voor elk kwartje dat ik heb in een jarenlang slepende procedure? Of gaat ze zometeen eindeloos van leer trekken over hoe de Heer me zal neerslaan tenzij ik een goeie partij boete doe, en wel nu? Of staat ze op het punt om me de weg naar het MoMa te vragen?
Ik hoop het laatste. Ik weet toevallig de weg naar het MoMa, en naar nog veel meer culturele bestemmingen in de stad. Ik vind het fijn als mensen me de weg vragen, helemaal in Midtown. Dan voel ik me in een klap geboren en getogen, de lokale Newyorker, en daar ga ik altijd breed van lachen.

Ik hou er aan de andere kant in het geheel niet van wanneer topzware niet grappige mannen kaartjes in mijn gezicht duwen en vragen of ik van lachen hou, en al helemaal niet in Midtown. De veel te kort van stukke, treurig ogende komieken hangen rond op de straathoeken van het Theaterdistrict in Manhattan, waar ze proberen om te dure kaartjes te slijten voor hun te goedkope stand-up comedy shows. Zij redeneren, als je van lachen houdt, dan lach je vast ook om hun show. Niet omdat hun grappen om te lachen zijn, maar gewoon omdat je eerder nog hebt aangegeven dat je nou eenmaal graag lacht. Je zei het zelf! Gegarandeerd gezellig publiek.

'Welke maat bh heb jij?' vraagt de dame naar aanleiding van niks. Ze priemt een zorgvuldig gemanicuurde vinger richting mijn linker tiet. Ik doe onwillekeurig een stapje naar achter; de dame doet een stapje naar voren. We doen een ongemakkelijk klein dansje op de stoep terwijl de dame onverdroten doorvraagt naar de omvang van mijn borstkas. 'Je bent een goeie C zo te zien, toch?' De dame fronst zakelijk terwijl ze langs mijn sleutelbeenderen naar beneden tuurt.

– 'Uhh...' Gek genoeg denk ik niet, Ho es even dame, dat gaat je geen reet aan, en wil je wel eens niet zo naar mijn tieten staren (ongetwijfeld de reactie van de geboren en getogen Newyorker). In plaats daarvan vraag ik me af waarom ik juist vandaag, van alle dagen, een Victoria’s Secret Wonderbra aan heb, een model bh dat ruwweg vertaald kan worden naar: Het Is Niet Wat Het Lijkt. Ik heb geen C-cup. Ik ben niet eens een heel overtuigende B, eigenlijk. Borsten groeien niet zomaar door zoals neus of oor, of goudvissen, of omdat je het heel graag wil, heb ik me eindeloos laten vertellen. Dus, om er uit te zien als een geboren feestelijke C, doe ik zo af en toe gewoon lekker alsof. Mijn opduw-bh is goed gewatteerd, zodat je geen spoor van mijn tepel of natuurlijke borst ziet, behalve dan het decolleté waarvan ik zonder bh alleen maar kan dromen.




Toen ik mijn opduw-bh kocht bij Victoria’s Secret in de Upper West Side, struikelde ik langs de rekken bovenop de vreemdste bh die ik ooit heb gezien: een volledig gewatteerd superopduw-model met ingebouwde tepels. Deze bh was een set tieten op zichzelf, anatomisch correct alleen dan zachter en wasbaar in de machine – en van het type dat ieder knokig kippenborstje ogenblikkelijk transformeert in een decadent bolwerk van nylontepelige pracht. Ik stel me zo voor dat de Tepel-bh voor borsten doet wat (pakweg) een Ferrari Testarossa doet voor kleine penissen. Het idee achter de gefabriceerde tepel is dat je kunt doen alsof je helemaal geen bh draagt. Je eigen tepels – nooit meer koud of nieuwsgierig, want begraven onder lagen en lagen polyester – zijn ingenieus vervangen door een setje duurzame neppers. Een prachtige, frisgeschoren (niemand hoeft zich geaffronteerd te voelen, want ze zijn niet echt!) manier om met tepels te pronken. En als ze toch nep zijn, dan hoef je je ook niet langer opgelaten te voelen als ze door je shirt heen priemen. Op naar de natte t-shirt wedstrijd. Niet vergeten om te doen alsof je je schaamt zodra je polyester knoppen aan het bloeien slaan!

Een paar blokken bij de Victoria’s Secret winkel vandaan zit nog een ondergoedwinkeltje, een klein tweerekkengeval met nogal mottige bh’s, waar ze achterin een bescheiden selectie sexy ondergoed hebben: vier of vijf verschillende bodystockings waar de bovenste helft van de borst is uitgesneden. Dus ja, als je die aantrekt, dan worden je borsten opgeduwd zoals in de Tepel-bh; het verschil is dat je in de merkloze bh je echte, eigen tepels kunt zien. Het rare is dat de tepels van het meisje op de verpakking uit de foto zijn weggefotoshopt. In het land van de vrijen worden meisjes aangemoedigd om met tepels te koop te lopen door tegelijkertijd hun eigen tepels weg te stoppen en te doen alsof ze geen bh aan hebben maar wel gigantisch pronte pornotieten, maar je mag de echte tepel van een meisje dat notabene een bh aanheeft niet laten zien.

Vreemd genoeg betekent dat uiteindelijk dat vandaag de dag hele hordes vrouwen hun tepels verbergen zodat ze ermee kunnen pronken – alleen dan wel op een sociaal aanvaarde manier. Onze eerste generatie feministen moet huilend in haar bed liggen ’s nachts. Het zou me niks verbazen als de nieuwe generatie gewatteerde bh’s niet eens brandt als je ze in de fik zet. Waarschijnlijk roken ze wat en lopen dan met een sisser af. Of ze smelten langzaam tot een keiharde klont aan geblokkeerde tiet.

Intussen in het Theaterdistrict ben ik me akelig bewust van de gevoeligheid van mijn situatie. Ik zit vast in een dilemma. Wat vertel ik de Aziatische dame die in mijn opgevulde ribben staat te porren? Ik kan bluffen en zeggen, 'Yep, ik ben een C, altijd al geweest, en kun je nou als de sodemieter ophouden met naar mijn god gegeven zondekussens te staren?' Of ik kan toegeven dat mijn (inderdaad) verrukkelijke decolleté slechts het resultaat is van een goed gewatteerde voorkant, en mezelf belachelijk maken. Liegen, en daarmee in het gezicht spugen van alle vrouwen die ooit waagden om uit hun corsetten te breken, en in een moeite door het door mijn moeder en haar generatie zwaar bevochten recht op zelfbeschikking onderuit halen, of waarachtig te kijk staan voor een volkomen vreemde mevrouw? De dame is zonder twijfel op zoek naar een eerlijk antwoord. Maar kan ze de waarheid wel aan? Trouwens, de mogelijkheid bestaat ook nog dat ze mijn tegennatuurlijk gebrek aan tepels opmerkt en me ontmaskert als de rozijnensmokkelaar (zoals mijn vrienden het immer subtiel uitdrukken) die ik eigenlijk ben.

De dame voelt mijn ongemak, maar dicht die abusievelijk toe aan het feit dat ze me een ongepaste vraag stelde, in plaats van aan mijn innerlijke post-feministische strijd. 'Donna Karan komt naar New York, en het is de bedoeling dat ik haar aankleed voor een evenement. Ik weet haar kledingmaat wel ongeveer,' begint ze uit te leggen. 'Maar haar pr-mensen hebben haar bh-maat niet doorgegeven. Ik heb wel wat publiciteitsfoto’s, maar die zijn intussen al van jaren geleden.'
– 'Oh joh,' leef ik mee. 'En er zijn zeker wat kilo’s bijgekomen?' Ik weet ongeveer wie Donna Karan is. Nou ja, ik weet dat ze kleding ontwerpt en ik weet dat ze behoorlijk oud is intussen. Ik stel me zo voor dat ze zichzelf wat heeft laten gaan. En terecht ook. Ze moet het goed zat zijn om jaar in jaar uit haar eigen maatje 0 te dragen. Tijd om te ontspannen en haar rollen lekker te verpakken in iets XL-erigs, gekocht in een winkel met Grote Maten Mode op de gevel. Of Mode Voor Een Maatje Meer. Scandinavische Mode.
'Nee, nee, nee!' De dame kijkt me vol ongeloof aan. 'Ze is juist de afgelopen tijd enorm afgevallen!' Hoe kan ik dat niet weten?
'In elk geval...' Ze ziet mijn vergissing door de vingers, hoogstwaarschijnlijk omdat ik het merendeel van mijn commentaar alleen maar in mijn hoofd dacht, en niet hardop heb uitgesproken. 'Ik ben al heel de dag op zoek naar iemand met haar bouw, en volgens mij hebben jullie dezelfde maat. Dus als ik jouw cup-maat weet, kan ik haar eindelijk een paar bh’s gaan kopen.'

Ik voel me vreemd gevleid. Donna Karan en ik hebben dezelfde kledingmaat – en nog wel nadat ze zo enorm is afgeslankt. Niet slecht! Maar dan herinner ik me dat ik geen idee heb hoe Donna Karan er uitziet. Voor hetzelfde geld was ze in haar hoogtijdagen een totaal nijlpaard en is ze precies genoeg kilo’s kwijtgeraakt om in aanmerking te komen voor een maagbandoperatie.

En zomaar ineens is de gedachte om te worden verward met een rondborstig type niet zo aantrekkelijk meer als eerst. 'Ik heb geen C-cup. Ik heb gewoon een enorme bh aan, met gewatteerd en alles. Opduw, snap je. Dan zie ik er veel groter uit dan ik eigenlijk ben. Ik ben een klein B'tje, of misschien niet eens, geloof me!' gooi ik eruit. Het feminisme kan me wat; ik ga me toch zeker niet laten aanzien voor een of ander dik wijf!

Monday, May 24, 2010

Mr Pleasant


Mr. Pleasant – The Kinks

‘Dat is geen bloed mevrouw! Ik zeg het u meneer, dat is geen bloed!’ de kleine Indiër gebaart of zijn leven ervan afhangt. Hij probeert ons ervan te overtuigen dat de roest-rode vlekken die we zojuist hebben ontdekt in de beddelakens van zijn Pleasantville motelkamer niet van mens of dier afkomstig zijn, maar veeleer het wat ongelukkig ogend maar juist heel hygiënisch neveneffect van de uitbundige wasbeurten waaraan hij zijn lakens dagelijks onderwerpt. Hoewel wij zelf tot dan toe het woord ‘bloed’ nog niet in de mond hebben genomen in bijzijn van de Indiër, was het – eerlijk is eerlijk – het eerste dat ons allebei te binnen schoot toen we de lakens opensloegen. Nou ja, ik was nog steeds aan het bijkomen van de honderden donzige haartjes (‘Hey, volgens mij heeft iemand een klein huisdiertje geschoren in dit bed,’ merkte mijn lief Scot op) die om aandacht vroegen toen we voor het eerst onder de dekens keken.

De weg naar Pleasantville, New Jersey biedt de perfecte vluchthaven voor wie volledig is uitgekauwd en opgeboerd door nabijgelegen Atlantic City. Atlantic City is de gokhoofdstad van de Oostkust – denk Leaving Las Vegas, maar dan zonder die betoverende schone schijn. Ons motel is het type plek waar je warm wordt onthaald wanneer je alles wat je ooit liefhad, bent kwijtgeraakt in dat ene onzalige potje craps. Het is de perfecte steen om onder weg te kruipen wanneer je niet naar huis wilt, of kunt, simpelweg omdat je je autosleutels hebt vergokt in een poging om je hypotheek terug te winnen. Ons motel is de plek waar je aanspoelt als je door de plee bent getrokken. Erger: waarschijnlijk denkt iedereen die hier platzak terechtkomt dat hij niet beter verdient dan deze plek. Het haar en bloed op de lakens zijn dan niet meer dan een kleine herinnering aan wat je nog aan menselijkheid rest. Ik vermoed dat de Indiër die het motel runt weinig klachten krijgt.

Maar ja, wij zijn toevallig blij en rijk, en gezond bovendien, en – ondanks onze zin voor avontuur op deze weekendtrip naar Maryland op zoek naar gestoomde krab (geen craps) – we verwachten een basisniveau aan hygiëne, zelfs in een motel van 40 dollar per nacht. Het motel adverteert met gratis HBO op tv; we gaan er eigenlijk voetstoots van uit dat een televisiekanaal waar gevloekt mag worden nog altijd ná schone lakens komt. Natuurlijk hebben we als we de oprit oprijden nog geen idee dat dit motel elke vorm van proper vierkant in het gezicht uitlacht. We komen er ook niet achter als we de kamer binnenlopen, vooral omdat het grote licht het niet doet. Tuurlijk bespeuren we de weeïge hint van natte, visverpakte krant in de lucht, maar die schrijven we als altijd toe aan New Jersey – daar ruikt het nou eenmaal raar.
We merken pas dat er iets niet helemaal in orde is wanneer Scot op de tast langs de muren de lichtknop zoekt van het nachtlampje en opmerkt dat de muren vreemd zanderig aanvoelen; op zijn vingers blijft een stroperig filmpje achter, meldt hij.

Het licht in de badkamer werkt wel. In het morsig schijnsel doemt een beeld van de kamer op. We staan in de overblijfselen van wat ooit een pervers hobbyproject moet zijn geweest van de liefdesbaby van een suïcidale loodgieter en een sadistische interieuradviseur, die na een zware overstroming en één blik op de waterschade de boel de boel heeft gelaten. Zwartgeblakerde stopcontacten lijken in een woedeaanval uit alle vier de muren getrokken, enkel nog door navelstrengen van onbeschermde bedrading verbonden met een klam netwerk dat diep verborgen ligt achter lagen en lagen opgezwollen behang dat in lange vellen loslaat langs de muren.



De muren veren letterlijk mee als je ze aanraakt – er zit minstens zes centimeter dik aan behangpapier, de ene laag na de andere tegen de grenzen van de kamer gesmeten. De koelkast en magnetron erbovenop zijn niet aangesloten; de stekkers slingeren doelloos boven het tapijt in een lusteloze jacht op de platjes die ongetwijfeld de tijd van hun leven hebben in de vezels. Iemand heeft eten achtergelaten in de koelkast, in een plastic zak. Scot – immer de wetenschapper – trekt de zak met twee vingers dichterbij voor nader onderzoek, tot de doffe geur die uit het vochtige binnenste weglekt hem ervan overtuigd dat hij bij nader inzien toch eigenlijk niet hoeft te weten wat er in zit.
De airco ziet eruit alsof ze de laatste keer dat iemand probeerde om haar aan de praat te krijgen, is onploft. Waarschijnlijk is diegene die de moed had om de poging te wagen, mee-ontploft; alle mogelijkheid tot identificatie moet als natte confetti door de kamer zijn gesproeid, redeneren we – dat verklaart het ondefinieerbare patroon aan vlekken tegen het plafond. De tv werkt. Soort van. Veel sneeuw. Geen HBO.

In het grote geheel der gevaren voor de gezondheid zijn de geen-bloedvlekken en het haar waarschijnlijk de minste van onze zorgen, maar we beslissen dat ze een mooi uitgangspunt vormen om de Indiër om een nieuwe kamer te vragen. Ik word erop uit gestuurd om ons te laten overplaatsen.

‘Hallo!’ kraait de kleine Indiër in het kantoortje als hij me ziet. Hij doet geen moeite om de nattige kruimels van wat hij ook aan het eten is, van zijn trui te vegen. Hij lacht zijn natte-kruimeltanden bloot. ‘Heeft u besloten om alsnog voor 10 dollar een afstandbediening te nemen?’ Nee, leg ik uit, we willen graag een andere kamer. De man lijkt volledig van zijn stuk gebracht door mijn verzoek. ‘Hoe bedoelt u?’ kermt hij, zijn handen al halverwege de hemel.
Ik vertel hem over de vlekken en het haar in de lakens. ‘Nee, nee, nee, mevrouw, onze kamers zijn heel erg schoon,’ verzekert de man me. Ik wijs hem erop dat we al in de kamer zijn geweest en dat het daar zeer zeker niet schoon is. ‘U heeft het zeer zeker mis. Onze kamers zijn altijd schoon,’ houdt de man vol. Ik vertel hem over de waterschade en de losgetrokken stopcontacten en de algehele stroperigheid van de dingen. De brede lach van de man verandert inmiddels in een blik van zware teleurstelling en belediging.
- ‘I kan u niet geloven. U bent een erg vreemd persoon. Ik wens dit met eigen ogen te zien,’ poeiert hij mijn opsomming af, en stormt het kantoortje uit om de kamer te inspecteren waar Scot intussen uit alle macht probeert om tegelijkertijd zo ver mogelijk bij alle muren en het plafond uit de buurt te blijven – een kwetsbare positie die in de verte doet denken aan een magneet in een spanningsveld, tegelijkertijd afgestoten van en aangetrokken tot een zeer onstabiel centrum.

‘Kijk!’ vertellen we de man. We attenderen hem op de haartjes.
- ‘Waar heeft u het over? Ik zie niks.’
- ‘Kijk dan, daarzo! Op de lakens!’
- ‘Ik zie helemaal niets verkeerds,’ houdt de man vol.
- ‘Serieus, kijk dan toch!’ We wijzen naar de gaten in de muren, en de aanzwellende massa gruizig behang. De man raakt intussen licht geprikkeld. ‘Wat probeert u mij te vertellen? Dat mijn kamers niet schoon zijn? Mijn kamers zijn altijd zeer, zeer schoon!’ We besluiten hem de vlekken te laten zien. De man reageert als door een wesp gestoken. Terwijl hij ons om de oren slaat met zijn deze-was-ziet-er-alleen-maar-zo-vies-uit-omdat-hij-zo-schoon-is-verdediging, staat hij te stuiteren van verontwaardiging. Hij gebaart zo driftig dat we bang zijn dat hij zichzelf elk moment de nacht in kan propelleren – of richting het plafond om daar de vlekken die we nog niet hadden genoemd van dichtbij te bekijken. Maar nee. Als hij merkt dat we niet onder de indruk zijn van zijn verhaal, richt hij zijn maaiende armen op Scot en dirigeert hem naar een kant van het bed. ‘Nou vooruit dan maar. Ik geef u een andere kamer. Maar alleen voor deze ene keer. En u helpt me het bed opnieuw op te maken.’

Scot staart naar mij, dan naar de man. Meent hij dat serieus? ‘Alstublieft, neem het laken in uw linkerhand en trek het recht naar de hoek, alstublieft,’ zegt de man; zelf stopt hij het bevlekte laken aan zijn kant van het bed alvast keurig in, met haar en al. We zijn allebei te overrompeld om er iets van te zeggen; al wat we kunnen doen, is meewerken. ‘Nee, nee, nee, meneer, niet zo!’ instrueert de man Scot. ‘U moet zorgvuldiger zijn. Trek het laken precies tot aan… Dat is al beter… En nu hetzelfde met de deken… Nu vouwen we het uiteinde precies 5 centimeter terug. Let u intussen wel goed op?’ De man draait zich naar mij. Reken maar dat ik oplet. Ik sta vastgenageld. ‘Ha ha, let maar goed op mevrouw, dan kunt u thuis het bed voor uw man opmaken,’ grinnikt de kleine man voordat hij zich met hernieuwde energie op het stoffige bedovertrek stort. ‘Het is zeer belangrijk om een bed goed op te maken. Meneer!’ Hij richt zich weer tot Scot. ‘Wat doet u nu? Help me om dit recht te krijgen! Daar aan trekken! Die hoek instoppen! En raap dat kussen op!’

Vijf minuten en een volmaakt opnieuw opgemaakt – en nog steeds net zo smerig als dat we het aantroffen – bed later, drentelen we naar onze tweede kamer van de avond. Een snelle inspectie leert dat deze in iets minder verregaande staat van ontbinding verkeert dan de eerste kamer. De lakens zijn schoon. Vooruit dan maar. Hoe zit het met de beloofde HBO? vragen we de man voordat hij de deur uit kan stormen. ‘Ja, natuurlijk hebben we HBO! Het zit op kanaal 3!’ Onze gastheer heeft het duidelijk met onze belachelijke eisen gehad. Ik zet de tv aan; de zender springt naar 47. ‘Een voor een de kanalen naar beneden drukken tot u bij 3 bent! Niet zo snel! Niet zo snel!’ zegt de man gejaagd. Wanneer ik, twee minuten na een oneindigheid, bij kanaal 4 terechtkom, verspringt de zender rechtstreeks naar 2. ‘Ziet u?’ Ik kan het niet helpen. ‘Geen HBO.’ Met zichtbare tegenzin trekt de man een afstandsbediening tevoorschijn. ‘U daar, druk op de aanknop van de tv. Blijven drukken! En draai aan de knop achter u, op de muur. Nu!’ Terwijl ik druk en draai, toetst de man 0-3 in op de afstandsbediening en houdt de knop net zolang ingedrukt tot, uit het niets, een zender op het scherm verschijnt. Het kan alles zijn – het zou zelfs zomaar eens HBO kunnen zijn. Als we tien minuten later van zender wisselen, vinden we het kanaal niet meer terug.

Voor nu weet de man op zeker dat we tevreden moeten zijn. ‘Wel, goedenacht.’
- ‘Wacht!’ roepen we hem na. ‘Er lag nog eten in de koelkast in de andere kamer, misschien kunt u…’
- ‘Natuurlijk. U bent zeer welkom om het naar uw nieuwe kamer over te brengen,’ zegt hij en loopt de deur uit, onverslagen. De bank wint altijd.

Friday, May 21, 2010

Even Better Than The Real Thing


Even Better Than The Real Thing – U2

‘Forrest Gump Stopte Hier Met Rennen,’ zegt het bord langs Highway US 163, de hoofdweg door Utah naar Monument Valley. Een bus vol Aziaten stopt bij het bord; een kluit jongens en meisjes stroomt in gelid naar buiten om een foto te maken naast het bord. Maakt niet uit dat de zandsteen formaties van Monument Valley die in de verte tientallen meters omhoogrijzen de laatste overblijfselen zijn van de zandstenen lagen die ooit dit hele gebied bedekten. Of dat die lagen afgezet materiaal bevatten uit de Rocky Mountains; of zelfs dat archeologen de restanten van vele oude Pueblo-gemeenschappen en nederzettingen in de vallei hebben aangetroffen, of dat het tegenwoordig Navajo-gebied is. Nee. Forrest Gump stopte hier met rennen.

Nu is Forrest Gump geen bestaand persoon. Hij was de fictieve held in een kaskraker die 6 van zijn 13 Oscarnominaties won – en Tom Hanks zijn schattige mongolen-Oscar opleverde. Gegarandeerde prijswinnende regel voor jongens: speel een gehandicapte, maar overdrijf het niet – de poging van arme Sean Penn om een waarachtige geestelijk gehandicapte neer te zetten in I Am Sam kostte hem uiteindelijk zijn Oscar. Tuurlijk, hij werd volgens de regels genomineerd – zoals elke acteur die in een drama een gehandicapte speelt – maar Penns al te geloofwaardige, en dus ongemakkelijk om naar te kijken vertolking leverde hem uiteindelijk slechts kreetjes van afkeer op. Het moet wel gezellig blijven! Toegegeven, echt vrolijk werd je er niet van, van I Am Sam.
We willen een Rain Man met wie het nog een beetje lachen is en met wie we ons kunnen identificeren; die van spelletjes houdt op televisie, net als wij – zelfs de linkervoet van Daniel-Day Lewis was herkenbaarder, zeker als je bedenkt dat hij alleen die voet had om mee te werken.
Het doodleuke Tropic Thunder vat het aardig samen: ‘Everybody knows you never go full retard!’

De gouden regel voor meisjes is overigens: ‘lelijk’ doen. Zie Charlize Theron met 15 kilo extra en zonder camouflagestift in Monster, of Hilary Swank als macho in Boys Don’t Cry EN Million Dollar Baby (en twee keer de Oscar winnen!), of Halle Berry simpelweg met bloot gezicht in Monster’s Ball – zo gedurfd! (Nota bene: meisjes spelen beter geen gehandicapten: Jodie Foster’s Nell was een dappere poging, maar er staat niet voor niks nog geen remake in de planning.)

Maar goed. Mijn punt is dat Amerikanen een interessante manier hebben om je te laten weten dat je op een hele bijzondere plek staat. Begrijp me niet verkeerd, ik ben dol op verwijzingen naar de popcultuur. Die snap ik tenminste. En er gaat weinig boven rondlopen op een plek waar je nog nooit bent geweest en toch het gevoel te hebben dat je thuiskomt – alsof je deze plek kent, er bent opgegroeid; alsof je eindelijk wordt voorgesteld aan iemand van wie je altijd hebt gedacht dat het een fantasievriendje was, of over wie je lievelingsliedje is geschreven; alsof het landschap uit al je beduimelde Lucky Luke’s zomaar ineens tot leven is gekomen.



Wat het vreemd en ook een beetje dubieus maakt, is dat deze oneindig mooie landschappen, met ieder een miljard jaar aan geschiedenis, zo achteloos gereduceerd worden tot de plek waar Marty McFly met zijn DeLorean doorheen reed in Back To The Future III (Monument Valley); waar Thelma & Louise van een klif afreden, klats de aftiteling tegemoet (Dead Horse Point); waar je je kicks krijgt (Route 66).

Natuurlijk vind je in de staats- en nationale parken ook de verplichte bordjes met de historische achtergrond van een plek, maar die informatie wordt al te vaak naar de achtergrond gedrongen door de vele verwijzingen naar films en liedjes die deze plekken ineens en zomaar verbinden aan mensen die nooit hebben bestaan en gebeurtenissen die nooit hebben plaatsgevonden. Nergens vind je zo veel toespelingen op dingen die nooit echt zijn gebeurd dan op deze glorieuze plekken die van zichzelf al pulseren met geschiedenis en natuurhistorie. De doorlopende nadruk op popcultuur doet deze plekken simpelweg tekort. Het effect is dat het bijna onmogelijk wordt om er gewoon maar te staan en die miljard jaar aan geschiedenis op je in te laten werken. Waar trapte Louise ook alweer precies op het gaspedaal?

Het werkt ook de andere kant op: plekken waar niks noemenswaardigs gebeurt, transformeren in plaatsen van belang, onsterfelijk gemaakt in een liedje of een film. Op onze roadtrip door het Zuidwesten rijden mijn vriendin Silke en ik door Winslow, Arizona op weg naar New Mexico. In Winslow, Arizona gebeurt echt helemaal niks – ook niet volgens de touristen die en masse wegbleven. Maar toen schreven Glenn Frey van The Eagles en zanger/liedjesschrijver Jackson Browne het liedje Take It Easy, met daarin de beroemde regels ‘I’m standing on a corner in Winslow, Arizona / Such a fine sight to see / It’s a girl, my lord, in a flatbed Ford / Slowing down to take a look at me.’

En dus word je, als je vandaag de dag door Winslow, Arizona rijdt, door een miljoen borden zorgvuldig naar een willekeurige straathoek in het centrum van het dorp gedirigeerd, waar, inderdaad, een standbeeld staat van een muzikant met een gitaar. Achter hem zijn een muur en een bordje in elkaar gedraaid waar op staat: ‘Winslow Arizona’ en ‘Hier Sta Ik Op De Hoek’. Op de muur is een Amerikaanse zeearend geschilderd en een meisje in een flatbed Ford. Net echt! Uit de luidsprekers van de winkel op de straathoek er tegenover schallen Eagles-nummers. Daar verkopen ze het t-shirt.
Er is een hele website gewijd aan het fenomeen. Het punt is alleen, die muzikant heeft nooit echt op die straathoek gestaan en een meisje, mijn god, gezien in een flatbed Ford – laat staan een zeearend. Het is nooit gebeurd. Het is namelijk een liedje. Glenn Frey en Jackson Browne zijn er eens goed voor gaan zitten en hebben het uit hun dikke duim gezogen. (Mocht nou blijken dat Frey en Browne elkaar op die straathoek hebben leren kennen terwijl ze allebei meisjes in flatbed Fords aan het nafluiten waren en de Heer aanriepen, dan zal ik me eens een potje goed gaan schamen voor dit hele verhaal.)



Silke en ik gaan lunchen in het La Posada Hotel in hetzelfde Winslow. Gebouwd in 1929 voor passagiers van de Santa Fe Spoorwegen; het hotel wordt beschouwd als het ‘laatste grote spoorwegenhotel’ en is een nogal historisch monument waar verhalen van waargebeurde romantiek en avontuur en ellende zowat uit de poriën van de muren barsten. We zijn de enige bezoekers. Wikipedia heeft precies 76 woorden over voor de hele plek.

Voor oudere vakantievierders, en die twee gelukkige zielen die Forrest Gump gewoon helemaal hebben overgeslagen, presenteert Monument Valley het onvermijdelijke weetje dat hier op deze plek Marion Robert Morrison een cowboyhoed opzette en onsterfelijk werd als John Wayne. Silke en ik logeren een nacht in superlieflijk Ouray, Colorado – overladen met warme springbronnen en overigens aanbevolen door Lonely Planet als het stukje paradijs op aarde dat John Denver bedoeld moet hebben toen hij zong over Rocky Mountain High – en zoeken een plek om te eten. Het meisje achter de balie van ons hotel heeft het Outlaw restaurant in de aanbieding. ‘Ja hoor, de spare ribs zijn daar prima te doen, maar wist je dat John Wayne er zijn cowboyhoed heeft laten liggen?’ informeert ze gezellig. En we gaan. Naar het restaurant, en op de foto met de hoed van een legendarisch, macho filmpersonage gespeeld door een acteur die in het echte leven bekend stond om zijn ultrarechtse, überpatriottische, racistische, xeno- en homofobe (en, zoals ironie werkt, volgens de geruchten kast-homosexueel geaarde) denkbeelden voordat longkanker hem wegvrat van binnen. Lachen naar het vogeltje!



Als het eindeloze landschap van Arches National Park naar de Grand Canyon je al iets meegeeft, is het dit: dat de mens en al zijn strapatsen een terloopse jeuk zijn in de pels van de tijd; onbelangrijk, niet eens de moeite om te krabben. Grand Canyon was er al voordat de eerste mens het water uit wriemelde, en ligt er nog lang nadat we zijn verdwenen. De vraag is waarom nationale en staatsreservaten afbreuk zouden willen doen aan dat onmiddellijke en ontzaglijke gevoel van oneindigheid door het te verbinden aan de meest terloopse en kortstondige uitingen van menselijke cultuur? Waarom deze plekken ‘echter’ maken door er onechte herinneringen op te roepen?

Is Hollywood-fictie echt de enige manier waarop Amerikanen zich op elkaar en hun omgeving kunnen betrekken? Of vallen de eindeloze ongetemde gebieden die het land rijk is, domweg te ongemakkelijk rauw op hun dak? Zijn die landschappen, om de Oscars er nog een keer bij te halen, te waarachtige mongolen, onmogelijk te prijzen in hun naakte echtheid? Het zou de zorgvuldig aangebrachte lagen van identificeerbaarheid kunnen verklaren, en de drang om overal waar je gaat iets te vinden waarin je je kunt herkennen. In de woorden van Tom Robbins in Fierce Invalids Home From Hot Climates: het is allemaal ‘gewoon te verdomde echt.’

Als je bij Dead Horse Point State Park aankomt, kom je er al snel achter dat het fysiek onmogelijk is om met de auto tot aan de rand van de klif te rijden. En dat is maar goed ook; het zou maar lullige foto’s opleveren en een heel akelige juridische aansprakelijkheid. Je moet je auto parkeren op de parkeerplaats, een meter of 50 van de rand, en dan de rest te voet doen tot je tegen het middelhoge muurtje aanloopt dat ervoor zorgt dat je niet onverhoopt over de rand struikelt.

Laat je dus niks wijsmaken. Thelma en Louise zijn nooit over de rand gereden in Dead Horse Point State Park. De dames hebben net als iedereen 10 dollar per persoon betaald om binnen te komen; ze hebben hun cabrio gewoon geparkeerd op de parkeerplaats; ze zijn naar de rand gelopen en daar hebben ze het allemaal eens goed op zich laten inwerken – die wonderlijke sensatie dat de stilte letterlijk je oren verdooft, zoals ook in Grand Canyon of The Valley Of The Gods; stilte die zich onherroepelijk en fysiek een weg je hoofd in duwt en alle mogelijke verwijzingen naar popcultuur naar buiten perst. Ik vond het met niks te vergelijken. Alsof je diep onder water op de maan ademhaalt in een droom – misschien weten duikers zonder zuurstof wat ik bedoel. Veel onwerkelijker dan dan hoeft het allemaal niet te worden.



Bekijk de road trip video!

Thursday, April 22, 2010

Breakfast in Bed


Breakfast in Bed – UB40 & Chrissie Hynde
Of, altijd fijn: Breakfast in Bed – Dusty Springfield

Roland’s Navajoland Tours / Bed & Breakfast. Het bord en de uitgewoonde terreinwagen in de voortuin verraden met welke van de twee de eigenaar zich liever bezighoudt. We zijn gewaarschuwd. Maar ja, denken we, iedereen moet ooit gaan slapen – zelfs Roland. Mijn vriendin Silke en ik hebben de hele dag door Utah gereden; we zijn vanochtend uit Moab vertrokken en achtereenvolgens door Arches National Park, Dead Horse Point State Park, The Valley of the Gods, Goosenecks State Park, and Monument Valley naar het zuiden gekilometerd. Hoewel ons ad-hoc reisschema vanochtend nog dicteerde dat we het helemaal tot aan Grand Canyon zouden halen, zijn we blij om in Kayenta, Arizona te stoppen om te overnachten – ik ben serieus licht in mijn hoofd van de totaaloverdosis aan indrukken die zo ergens tussen Delicate Arch en de Drie Gezusters ongenadig insloeg. We zijn in Navajoland, en we zijn er klaar mee.

En zo kwamen we dit nogal melancholieke bord tegen, in deze nogal melancholieke voortuin in dit nogal melancholieke stadje. Ik stel me voor hoe Roland dit bord ooit heeft neergezet als kleurrijke lokroep aan reizigers van overal en nergens; vandaag staat het er vooral erg moe bij. Het oogt alsof het naar huis wil, opkrullen in bed en zijn laatste adem uitblazen. Nadere inspectie leert dat dit bord waarschijnlijk nooit een kleurrijke lokroep is geweest, voor geen enkele reiziger van waar dan ook, maar ergens tussen de uitgebrande bus op het terrein en de blauwogige husky op de veranda houdt het deze gare tuin dapper bijeen. Ik vind het bord wel wat. Silke weet het nog zo net niet.

Ik word er dan ook op uitgestuurd om binnen te vragen of Roland nog een kamer vrij heeft. De hond slaat haar staart twee keer hard en dof op de veranda. Mensen binnen zouden moeten horen dat ik eraan kom. Ik open de hordeur in de verwachting van een vestibule, of op zijn minst een halletje, maar in plaats daarvan struikel ik rechtstreeks een woonkamer binnen waar twee mannen en een vrouw gefascineerd naar een Spaanstalige soap zitten te kijken op de grootste LCD tv die ik ooit heb gezien. Als de Mormoonse kolonisten zich hadden toegelegd op het ontwikkelen van electronica in plaats van, nou ja, op het koloniseren van Indiaans gebied, dan nog zou deze tv vandaag niet groter zijn.
‘Uhhh… Hallo, goeiemiddag,’ stotter ik, licht van mijn stuk van al deze inbreuk op privacy. De vrouw kijkt om en lacht, verbaasd maar vriendelijk. De mannen tillen even een wenkbrauw op en concentreren zich dan onmiddellijk weer op de tv. Niemand staat op. ‘Hallo, ik vroeg me af of u nog een kamer voor twee heeft voor vannacht?’ De grotere van de twee mannen kijkt nog een keer op – zijn donkere blik schiet rechtstreeks naar de slechter verlichte plekken in mijn ziel. ‘Wat?’

‘Ja, nou, ziet u… Volgens het bord in de tuin… U bent een Bed & Breakfast, toch?’ probeer ik.
- ‘Oh ja?’ vraagt de man. Dat moet Roland zijn.
- ‘Uhh, ja, super, ik bedoel, ik hoop dat u nog een kamer heeft?’ Ik zak weg in het drijfzand van deze woonkamer, en hoe meer ik tegenstribbel, hoe sneller ik kopje onder ga. De man lijkt niet van zins om een eind te maken aan mijn misère. De vrouw kokhalst lang en luidruchtig, laat dan tot haar eigen opluchting een enorme boer en glimlacht nog eens naar me. De kleinere man graait een lusteloze handvol uit een grote zak met popcorn. De weeë geur van lauw-gesmolten boter golft door de kamer. Hij staart onbewogen naar het scherm, waar een hoogaantrekkelijk stel blijkbaar slecht nieuws heeft ontvangen: de bevroren wanhoop op hun gezicht duurt tot het beeld op zwart gaat en dan naar de reclame.

‘Je wou een kamer?’ De lange man springt op en staat in een verrassend katachtige beweging voor me. Zo van dichtbij is hij echt behoorlijk groot. Ik moet met mijn hoofd in mijn nek om hem in de ogen te kunnen kijken. Zijn grijze paardestaart reikt net zover over zijn rug als zijn boomstammen van armen in mijn verbeelding reiken om een zwarte beer bewusteloos te knijpen, of bijvoorbeeld een massief marmeren wasblok op te tillen en door het raam van een gesloten inrichting te gooien. Ik knipper met mijn ogen. Hij niet. ‘Ja heel graag, voor twee personen. Het liefst met twee losse bedden!’ Hoe slechter ik me op mijn gemak voel, hoe gezelliger ik word.
- ‘60 dollar,’ zegt Roland.
- ‘Uhhh, okee…’ zeg ik. ‘Heeft u WiFi?’
- ‘Huh?’ Roland klinkt noch oogt perplex, maar iets in de manier waarop zijn schaduw van vorm verandert op mijn gezicht zegt me dat hij geen idee heeft waar ik het in godsnaam over heb, maar dat hij ervan uitgaat dat het slecht is en gevaarlijk – zoals een razendsnel om zich heen grijpende bosbrand misschien.
- ‘Internet, heeft u hier een internetverbinding?’ leg ik uit. Roland staart terug.
- ‘Ze bedoelt voor de computer,’ schiet de vrouw me onverwacht te hulp. ‘En nee, we hebben hier geen internet, maar je kunt meeliften op de draadloze verbinding van de buren.’ Ze draait zich weer naar man. ‘Roland, laat de dame haar kamer zien.’
- ‘We doen hier niet aan ontbijt,’ zegt Roland – hij heeft ooit, vroeger, vast lang en hard nagedacht en besloten dat ‘Bed & Breakfast’ net wat gezelliger klinkt dan ‘Bed & Rot Op’ – en daarmee is de kous af. Ik hobbel achter hem aan de gang in, naar onze slaapkamer voor vannacht. Aan de muur, in de vorm en afmeting van een van die tegeltjes die je wel ziet aan de muur bij gezellige mensen, met teksten als Oost West Thuis Best of Uit Gouden Koorenaaren Schiep God De Beekenaren, hangt een bordje. Zie Ik Eruit Alsof Ik Van Mensen Hou?! staat erop.

Tot verveeld vermaak van het drietal slepen we onze koffers naar binnen, en vragen op weg naar buiten om een kamersleutel. Daar moeten ze alle drie erg hard om lachen – hoewel de vrouw zichtbaar haar best doet om haar milde minachting niet te laten merken. ‘Waar hebben jullie een sleutel voor nodig?’ zegt ze. ‘Jullie hoeven niet af te sluiten. Wij zijn de enigen hier.’ Met die gedachte in ons achterhoofd duiken we Kayenta in voor voedsel en vermaak. We komen er al snel achter dat Roland zijn voortuin zomaar eens de sprankelendste plek in de stad en daarbuiten kon zijn. Maar dan stuiten we op een piepklein bioscoopje aan het eind van een piepklein winkelcentrum. Vanavond: Date Night en Green Zone, allebei over een goed half uur. We stemmen voor Date Night, maar eerst snel eten in het Amigo Cafe.



Ik stort me op mijn enchilada; Silke toont iets meer waardigheid terwijl ze haar fajitas decimeert. Vijf minuten na het officiële startsignaal van Date Night zijn we terug bij de bios. Het meisje achter de kassa kijkt op en zegt: ‘Jullie zijn te laat.’
- ‘Ja,’ zegt Silke, ‘inderdaad, maar mogen we er toch nog in? We vinden het niet zo erg om de voorstukjes te missen.’
- ‘Sorry, maar Date Night draait vanavond niet. We hebben zojuist ook al twee mensen weggestuurd die te laat waren. En nu zijn jullie de enige twee die ‘m willen zien – en wij hanteren een minimum van 4 bezoekers voordat we een film draaien,’ zegt het meisje. Op Silkes voorstel dat we 4 kaartjes kopen zodat aan de minimumomzet is voldaan, rolt het meisje met haar ogen. ‘Ik weet niet zeker of dat wel kan,’ zegt ze. Maar ze bedoelt: Klote stadsvolk, dat komt hier met d’r gedrag en dan denken dat ze zich overal wel uit kunnen kopen. Nou, vanavond niet. Silke, de eeuwige reporter, laat zich niet van de wijs brengen. ‘Laten we samen uitzoeken of dat kan. Is je manager in de buurt?’ Het meisje rolt nog harder met haar ogen, zucht omstandig en pakt dan een walkie-talkie. ‘Shelley? Ik heb hier twee… mevrouwen, en die willen 4 kaartjes kopen voor Date Night zodat we de film draaien. Ik heb al gezegd dat ze te laat zijn.’

Twee minuten later klautert een ander meisje, niet veel ouder dan een jaar of 15, van achter een gesloten deur de lobby in, zichtbaar niet op haar gemak bij het zien van onze twee verwachtingsvolle gezichtjes. ‘Nou, kunnen jullie de film draaien als we 4 kaartjes kopen?’ dreunt Silke. Het meisje deinst terug, maar houdt voet bij stuk. ‘Nee, het spijt me vreselijk, maar daar kunnen we niet aan beginnen. U bent te laat.’
- ‘Nou, dat moet niet zo veel uitmaken, aangezien we de enige klanten zijn die de film willen zien – toch?’ Silke pauzeert even om het meisje de kans te geven om in te stemmen. Maar nee. Het meisje legt omstandig uit dat ze echt geen uitzonderingen kunnen maken want als ze daar aan beginnen dan lopen de bewoners van Kayenta morgen de zaal plat om allemaal hun eigen privévoorstelling te eisen en we kunnen ons vast wel voorstellen dat dan het einde zoek is. Dat kan niet de bedoeling zijn! We kijken om ons heen. Er staan precies 10 man in de bios – inclusief wij twee en vier man personeel. De hele stad en alle koeien van Kayenta bij elkaar kunnen met alle wil van de wereld het toilet van deze bios nog niet platlopen. We gaan dan maar naar Green Zone, op een scherm zichtbaar kleiner dan Rolands tv.

De film is niet slecht, maar na een half uur zit ik mezelf af te vragen waarom Jason Bourne bij het gewone leger is gegaan; ik mijmer hoe ik van los, uit-de-hand camerawerk altijd een beetje misselijk word en dan weet ik ineens op zeker dat ik het eind van de avond niet ga halen zonder spuit te kotsen.

Ik red het tot aan Rolands B&B, waar ik zo beleefd mogelijk mijn knieschijven eruit kots naast het linkerachterwiel van zijn terreinwagen. Stendhall, ik heb last van Stendhall-effect, ik weet het zeker – mijn onderontwikkeld gevoel voor schoonheid is simpelweg te zeer vervuld van de pracht van alle natuur die we vandaag gezien hebben. Het moet wel Stendhall zijn. Silke denkt dat het misschien de enchilada was. Of de twee zakken Twizzlers die ik in plaats van lunch heb opgeknaagd in de loop van de dag. ‘Wist je dat mannen onvruchtbaar kunnen worden als ze te veel van die shit eten!’ informeert ze wanneer ik even omhoog kom om adem te halen. Ik had geen idee.

Roland’s huis zag er vanaf de weg donker en verlaten uit, maar als we door de tuin naar het huis klauteren komt ons gedempt gelach tegemoet. Ik verwacht half en half dat we Roland en de vrouw horlepiepend in de woonkamer gaan aantreffen, onze onderbroeken op hun hoofd als frivole kanten feesthoedjes, terwijl de tweede man iets kunst- of handwerkerigs aan het doen is met onze paspoorten. Maar nee. Roland en zijn vriend zitten nog steeds tv te kijken op de bank waar we ze hebben achtergelaten, alleen nu niet naar een soap maar naar een basketbalwedstrijd. Ze vloeken, schrapen hun keel, boeren, kokhalzen en lachen dat het een lieve lust is; ze hebben het reuze naar hun zin. Ze knikken kort in onze richting als we ze een fijne avond wensen.

Ik zet in op een hete douche om te hergroeperen. Als ik de kraan aanzet, vloeit koud water een minuut of wat rijkelijk uit de tap – en droogt dan op naar een woestijnstraaltje. Ik trek mijn kleren weer aan, steek mijn hoofd om de hoek van de woonkamer en draal daar wat tot de eerstvolgende reclamepauze voordat ik de mannen stoor. Johnny Cash zijn moeder leerde hem misschien dat hij een brave jongen moest zijn en niet met geweren moest spelen; aan de andere kant van de wereld drukte mijn mijn moeder mij dit op het hart: eerst netjes vragen voordat je ergens aan zit dat niet van jou is, en altijd beleefd zijn. (En te allen tijde schoon ondergoed aan voor het geval je onder de bus komt op weg naar school – waar ik vandaan kom worden ambulances voor verkeersslachtoffers blijkbaar onmiddellijk afgeblazen als er ook maar een vermoeden bestaat van remsporen.)

Dus ik wacht tot de reclame en zeg: ‘Pardon meneer, ik geloof dat de douche het niet doet. Zou u zo vriendelijk willen zijn om even te komen kijken?’ De mannen kijken naar me alsof ze iets vaag onaangenaams ruiken – de weeë geur van lauw-gesmolten popcornboter misschien. ‘Ik doe misschien iets niet helemaal goed,’ voeg ik eraan toe.
- ‘Dat lijkt mij ook,’ zegt Roland, maar dan haalt hij zijn schouders op en taalt naar de badkamer om de douche te temmen naar een gehoorzame, ferme hete straal. Als we de volgende ochtend bij het aanbreken van de dag wegrijden, is er geen spoor meer te bekennen van mijn spuitkots van de vorige nacht. De aarde heeft zich geopend en alle resten opgeslokt, haar gevoel voor schoonheid niet in het minst onder de indruk van mijn bijdrage aan de natuur. We zijn tenslotte in Navajoland.

Sunday, March 14, 2010

Somewhere Over The Rainbow


Somewhere over The Rainbow – Judy Garland

‘Mevrouwtje? Loopt u maar even mee.’ De douanebeambte op het internationale vliegveld van Belfast trekt zijn rubberen handschoenen vast aan.
- ‘Wat is er aan de hand, meneer?’ vraagt mijn vriendin Ilse, immer de communicatiedocent – dus met een open, belangstellende houding en neutrale vraagstelling in plaats van met het licht offensievere ‘Ik dacht het niet, vriend’.
- ‘Standaardprocedure, mevrouwtje,’ zegt de beambte met een blik die verraadt dat hij een nare uitslag gaat krijgen van het rubber. Maar alle andere mensen staan nog gewoon in de rij met hun paspoorten in de aanslag, merkt Ilse op terwijl ze achter de man aanloopt. Misschien toch niet zo heel standaard, deze procedure? De beambte kan er niet om lachen. Op naar een van de tl-verlichte interrogatieruimtes die het vliegveld rijk is.

Ilse komt op bezoek. Toeval wil dat ze voor haar werk een week naar Belfast moet om typisch Nederlandse communicatielessen te geven aan studenten aldaar, en daarna een paar dagen vrij kan nemen. Als ze dan toch een rondje Britse koloniën doet, kan ze net zo goed meteen door naar New York. Waarom tijd verspillen door eerst terug naar huis te gaan? Ilse boekt een vlucht van Amsterdam naar Belfast, van Belfast via Londen naar New York en van New York rechtstreeks terug naar Amsterdam. Gewoon, lekker praktisch, volgens ons. Maar niet volgens de Britse en Amerikaanse douane.

In Londen wordt mijn vriendin wederom uit de rij voor de douane geplukt, en een tweede keer ondervraagd op een plek waar het nooit donker wordt. Wat heeft ze in Belfast gedaan? Hoezo, gewerkt? Voor wie werkt ze dan wel? Kan ze dat aantonen? Waarom gaat ze niet gewoon terug naar Amsterdam? Wat gaat ze doen in New York? Wie is die vriendin? En waarom heeft mevrouw nu dan een nacht doorgebracht in een willekeurig vliegveldhotel in Londen?

Uiteindelijk mag ze van Londen door naar New York. Het vliegtuig landt zonder brokken. Ik zit vol verwachting in de aankomsthal. Maar geen Ilse. Ik wacht nog wat. Nog steeds geen Ilse. Wanneer ze uiteindelijk door de schuifdeur komt, heeft ze voor de derde keer in 24 uur in een ondervragingskamertje gezeten, nu met twee man Amerikaanse douane die wilden weten wat ze nou eigenlijk precies kwam doen in het land van de vrijen. Welkom! roep ik maar.

Mijn vriendin is hoogopgeleid, West-Europees, zonder religieuze overtuiging of ander strafblad, altijd vriendelijk en ook nog eens mooi. Waarom wordt ze op een en dezelfde route tot driemaal toe uit een rij passagiers gehaald? Aan welk onheilspellend profiel voldoet ze zonder dat ze het weet?
Wordt ze misschien verward met iemand op de Amerikaanse zwarte lijst van potentiële luchtvaartterroristen (een dergelijke lijst om vermoede terroristen op de vlucht te weren, staat ook op het menu voor Europa)? Als het achtjarigen kan overkomen, dan is niks meer vanzelfsprekend.
Misschien ligt het aan de beveiligingsapparatuur op vliegvelden. Voor scanners die Mexicaanse saus kunnen aanzien voor explosieven, vormen ouwe sokken misschien ook een potentiële dreiging voor de staatsveiligheid.
Staat er iets raars in haar passagiersgegevens?
Is de combinatie van steden (Amsterdam-Belfast-Londen-New York) verdacht? Of het feit dat ze als vrouw alleen reist, met een rugzak? We komen er niet uit.
Je mag wettelijk weigeren om te antwoorden op persoonlijke vragen door douaneambtenaren. Helaas hebben zij op hun beurt precies die vingerhoed aan macht waarmee ze je vervolgens kunnen weigeren op je vlucht. Je verliest hoe dan ook. Van de luchtvaartindustrie kun je niet winnen.

Ilse en ik zijn gelukkig allebei van het type dat al eens graag het goede ziet in de mens, en goeie bedoelingen herkent in organisaties en de dingen die ze doen. Ook als we daarvoor de feiten geweld moeten aandoen. Regenbogen, noemen we dat. Kale waarheid, daar is tenslotte nog nooit iemand gelukkiger van geworden. Ook de luchtvaartpraktijk moet te regenbogen zijn.
Misschien is drie keer ondervragen wel een poging van de luchtvaartmaatschappij om Ilse een vorm van waar voor haar geld te geven, bedenken we in de bus van het vliegveld naar mijn huis.
Deel van de totaalprijs voor ieder vliegticket bestaat uit verplichte luchtvaartbelasting en heffingen. Een deel daarvan is zogenoemde reizigersveiligheidsbelasting. Die belastingen zorgen ervoor dat bijvoorbeeld op een online retourtje Belfast-New York van $ 386 maar liefst $ 435 aan heffingen en belastingen wordt geheven. Dan betaal je ineens $ 821 voor een vlucht van $ 386. Meer dan de helft van de prijs die je in dit geval betaalt voor een zitplek op een vliegtuig, heeft niks te maken met die zitplaats of dat vliegtuig.

Het punt is dat Ilse drie verschillende tickets heeft gekocht om in New York te komen, dus drie keer die veiligheidstax heeft betaald. Daar mag ze wel eens wat voor terugzien, dacht de luchtvaartindustrie in onze positieve draai aan de gebeurtenissen. Weet je wat, dachten ze, voor dat geld mag deze mevrouw een kijkje nemen achter de schermen van luchtvaartbeveiliging, en van dichtbij meemaken hoe wij dat doen, onze reizigers een veilig gevoel geven. En niet één keer, maar drie keer. Ilse en ik beslissen dat we deze geregenboogde versie van de feiten voorlopig voor waar aannemen.
Het kan tenslotte niet zo zijn, denken we, dat luchtvaartmaatschappijen mensen $ 435 extra laten betalen voor reizigersveiligheid en ze die dikbetalende reizigers vervolgens behandelen als een gevaar voor de maatschappij. Dat zou pas gek zijn.

Tenzij, denken we een eindje verder, de luchtvaartindustrie internationale vliegvelden wil profileren als locatie voor een nieuw soort extreme adventure sport. Extreme sporten zijn activiteiten waar je meer afziet naarmate je meer betaalt. De Kilimanjaro beklimmen, zwemmen met haaien, op militair dieetkamp gaan, basejumpen van de Eiffeltoren, van die dingen. U dacht dat u alles wel gezien en gedaan had qua duur lijden? Voor een heffing van boven de $ 400 op uw vliegticket garandeert de luchtvaartindustrie u tenminste één individuele ondervraging met visitatie op elke, willekeurige, internationale vlucht.
Gaat dat u te ver? In de standaardheffing zit in ieder geval een portie Veel Te Lang In De Rij Staan, Hier Met Die Privacy, en Deels Ontkleden Ten Overstaan Van Vreemden. Er zijn mensen die daarvan houden, van afzien voor geld.
(De uitzonderling die het niet zo heeft op avontuur tijdens de reis, of die gewoon op tijd op zijn bestemming wil zijn, kan zich altijd nog voor $ 100 per jaar als ‘Deugdzaam reiziger’ laten registreren – nou ja, nadat hij zijn privacy, iris- en vingerafdrukken heeft opgegeven en een achtergrondonderzoek geen verdachte bewegingen heeft opgeleverd. En uiteraard bovenop de heffingen en belastingen voor een ticket.)

Douaneperikelen als extreme sport. Een soort basejumpen, maar dan op de grond: met de spanning van een normaalgesproken onuitgenodigde en ook nu altijd toch nog onverwachte lichaamsinvasie in plaats van de adrenaline van een vrije val. Deze versie kunnen we ook zomaar voor waar aannemen. Dan kunnen we als bonus de luchtvaartindustrie bewonderen om hun inventieve en progressieve klantenservice vermomd als steeds verdergaand veiligheidsbeleid. Een nieuwe niche vinden voor vliegreizigers moet lang niet makkelijk zijn geweest (wat kunnen reizigers nog meer willen dan gewoon op tijd aankomen op hun plaats van bestemming?); dat de luchtvaartindustrie zo onverschrokken inzet op extreme sporten voor onderweg, toont een buiten de gebaande paden denken dat we alleen maar kunnen toejuichen. Hoera voor de luchtvaartindustrie.

Saturday, March 13, 2010

How Sweet To Be An idiot


How Sweet To Be An Idiot – Neil Innes

Iedereen die de laatste jaren op een internationale vlucht naar Amerika heeft gezeten, kent het groene visumformulier dat elke toerist in het vliegtuig moet invullen. ‘Is een van de onderstaande zaken op u van toepassing?’ informeert het papier. Dan volgt een rijtje vragen naar dingen als gezondheidstoestand en strafblad. ‘Ja’ antwoorden op een of meerdere vragen in de lijst, kan ertoe leiden dat je het land niet wordt binnengelaten. Vergeet de morele vraag of mensen met een overdraagbare of geestesziekte (Vraag A) wel of geen recht zouden hebben op een weekje vakantie in de Verenigde Staten. Wij trekken een wenkbrauw op bij Vraag C. ‘Bent u momenteel, of was u in het verleden betrokken bij spionage of sabotage; of bij terroristische acties; of bij volkerenmoord? Was u tussen 1933 en 1945 op welke manier dan ook betrokken bij vervolgingen geassocieerd met Nazi-Duitsland of diens bondgenoten?’

Wie, behalve het syfilitisch verpapte brein dat in Vraag A wordt bedoeld, kruist ooit ‘Ja’ aan op die vraag? Vergeet de laatste twee nog levende nurkse Nazi’s die waarschijnlijk aan de stewardess moeten vragen of die netjes een kruisje voor ze wil zetten, want met hun 95 jaar wil het binnen de lijntjes blijven niet meer zo lukken. ‘Nein, nein, nein! Ik zei Ja! Verdammt noch mal!’

Hoe gaat dat in een willekeurig Jemens Al Qaeda trainingskamp, vandaag de dag? ‘Toekomstige martelaren, kom allemaal eens even hier. Even goed luisteren nu. We hebben een onfortuinlijke ontdekking gedaan. Elke toerist op een vliegtuig naar het land van de rijzende schuld moet dit groene formulier invullen. Dat verdriet mijn hart met het vuur van duizend huilende wolven onder een volle Afghaanse maan. En het is ook mooi kut. Want we zijn dan wel terroristen, maar geen hypocrieten. Jokken, dat doen wij dus niet. We hoeven misschien niet ongevraagd aan onze vijand te verkondigen hoe en wanneer we zijn kapitalistische samenleving willen reorganiseren naar de vervaagde herinnering aan een dagdroom van een maagd, maar we gaan er ook niet over liegen. We zijn tenslotte fanatiekelingen, geen jokkebrokken. Als ze ernaar vragen op het formulier, dan geef je dus gewoon netjes antwoord.’

De trainer negeert het ongelovig en ongerust geroezemoes in de rangen.

Hij vervolgt: ‘We hebben gelukkig nog wat ontdekt. Kijk, onderaan, daar staat het: als je “Ja” antwoordt, kan je geweigerd worden. Niet: zal je geweigerd worden. Wij denken dus dat het allemaal wel meevalt, met de dreigementen van de zwaarlijvige popcorneters.’ Zijn bronnen verzekeren hem dat het formulier gewoon deel is van de extreme adventure ervaring waar hij voor heeft betaald toen hij de tickets kocht. Alles is goed met de wereld.

Saturday, March 6, 2010

The Fun Lovin' Criminal


The Fun Lovin’ Criminal – Fun Lovin’ Criminals

‘Het is een Glock. Niet die linker, maar die roze, aan de rechterkant. De linker is nep. Dat kan je zien aan het knopje om het magazijn te wisselen. Zie je? Dat zit normaal niet daar.’ De versleten jongen naast ons in de W-metro van South Ferry naar Mid-Manhattan klinkt alsof hij weet waar hij het over heeft. Hij heeft het natuurlijk niet tegen mij. Hij praat tegen zijn vriend, een bijna net zo afgedragen man van middelbare leeftijd die langzaam instemmend knikt. Ze zien allebei goed bleek. De jongere gast heeft die opgejaagde, jagende blik in de ogen van iemand die al weken, misschien maanden op de vlucht is. Of van iemand die beter dat laatste lijntje speed vanochtend niet had genomen. Of allebei. Het aangekoekte speeksel in zijn mondhoeken doet in ieder geval vermoeden dat hij al een tijdje aan het doorhalen is – hij heeft zijn bed, schat ik zo, minstens 36 uur niet meer gezien.

De mannen kijken naar een advertentie in de metro, van de stad New York, over wapenbezit. Het reguleren van wapenbezit (of het nalaten daarvan) is een behoorlijk ding in Amerika. Het recht van burgers om een dodelijk wapen te dragen is hier grondwettiger dan het recht van burgers om te trouwen met wie ze willen. Bij landelijke megasupermarkt Wal-Mart kan iedere gek een geweer en kogels kopen; tweetallen die van de heren- of damesliefde zijn, mogen in precies 6 van de 50 staten trouwen. Wapenwetgeving verschilt per staat – net zoals wetgeving over homohuwelijken. Zo zijn er bijvoorbeeld nauwelijks wapenwinkels in New York; ben je in Florida, dan vind je daarentegen meer dan genoeg wapenwinkels, bij voorkeur naast een drankgroothandel. Het zou me verbazen als er een enkele staat in Amerika is waar handwapens voor burgers volledig verboden zijn (in Chicago and Washington, D.C. hebben ze geprobeerd om het bezit van handwapens volledig te verbieden, maar die beslissingen liggen onder vuur wegens schending van het Tweede Amendement uit de grondwet) – in tegenstelling tot het homohuwelijk. Vandaag de dag kun je met je gelijkgeslachte lief trouwen in Iowa, Vermont, New Hampshire, Connecticut, Massachusetts en sinds maart 2010 ook in Washington. In alle overige 44 staten die Amerika verenigen, wordt homo’s dat civiele recht ontzegd – waaronder New York.

In 2006 kwamen 30.892 mensen om het leven bij een schietincident – dat betekent dat in 2006 10,36 op elke 100.000 burgers al dan niet met voorbedachten rade de kogel kreeg. Stel voor de vorm even dat alle homo’s en lesbiënnes demografisch gezien precies gelijk verspreid wonen over het hele land (ik denk niet dat dat zo is, maar stel). Dat zou betekenen dat in hetzelfde jaar dat 10,36 op elke 100.000 burgers overleed in een schietincident, 88.000 van elke 100.000 homoseksuele burgers niet mochten trouwen (in 2006 mocht het in Washington nog niet, maar in Californië nog wel. Bedankt, Oostenrijkse Eik, voor je heterogene aanpak).

Maar ja, we zien onze burgers altijd nog liever vrijgezel dan dood, moet de staat New York gedacht hebben. En daarbij, de LGBT lobby (de Amerikaanse belangenorganisatie voor homo’s, lesbiënnes, biseksuelen en transgenders) heeft meer regenboog dan macht – het valt nog niet mee om de strijd te winnen met louter goedwillendheid, gezond verstand en het civiel recht aan jouw kant. Hoe dan ook, New York heeft zijn geld gezet op het reguleren van wapenbezit en niet op het mogelijk maken van homohuwelijken. Het lastige is alleen dat New York nu te maken heeft met de lobby voor het vrije bezit van wapens voor burgers, de National Rifle Association (NRA). En die NRA is misschien niet zo kleurrijk als de LGBT lobby, maar wel duizend keer machtiger – deze gasten hebben in elk geval op zeker allemaal een wapen op zak.

Opmerkelijk genoeg was Charlton Heston de voormalig voorzitter van de NRA. Charlton Heston, de man die in Ben Hur doorlopend heet, zweterig en zonder shirt rondparadeerde voor allemaal andere mannen in rok. De man die nota bene viel voor een aap in Planet of The Apes – en ook hier vooral zonder hemd rondrende, dit keer voor allemaal harige mannen in leer. Die Charlton Heston. In zijn echte leven bouwde hij aan wat de media een ‘turbulente homoseksuele geschiedenis’ noemt, en hij was in zijn gloriedagen ook nog eens een groot voorvechter van burgerrechten; maar bovenal wist hij dus hoe je een trekker overhaalt. De man stelde ooit dat hij zijn wapen nooit of te nimmer zou opgeven: ‘Over mijn lijk.’ Hoe heeft de homobeweging hem ooit kunnen laten schieten? Met Heston als woordvoerder had het er helemaal anders uitgezien voor het homohuwelijk en gelijke rechten. Ik zie de gecombineerde NRA/LGBT-slogans al voor me: Kogels en Kapellen voor iedereen!; Een Kogel Maakt Geen Onderscheid, Waarom Wij Dan Wel?; Schieten Tot De Dood Ons Scheidt! Nou ja, dat dus.
Maar helaas, Charlton Heston is dood, dus daar zitten we met onze goeie bedoelingen. Te kijken naar een advertentie over het hoe en wat van wapenbezit.

Op de poster staan twee pistolen: een echt en een nagemaakt. De tekst stelt dat het in New York verboden is om een echt pistool te verven zodat het er uitziet als een neppistool, en dat het ook verboden is om een neppistool te verkopen dat eruit ziet als een echt pistool. De truc is dat het pistool waar je van denkt dat het echt is (een gemeen uitziend zwart ding), de replica is. Het roze geval dat er uitziet als een kinderpistool, is echt. En dat enorm echte wapen is dus blijkbaar een Glock.
Het is bijna onmogelijk om niet mee te luisteren met de twee mannen hun gesprek. De metrowagon is bijna leeg, op zeven man na: de twee gasten, een man van middelbare leeftijd in een duur pak, twee knapperds van ergens in de twintig en mijn vriendin Ilse en ik. Daarbij praten de mannen heel, heel hard. Zo vaak krijgen ze de kans niet om op te scheppen over hun ervaring met de donkere wereld van pistolen en geweld, en nog wel in het bijzijn van brave burgers.

‘Jezus, het is nog een slechte nepperd ook,’ gaat de jongen door. ‘Moet je zien, er zit geeneens een echte trekker aan.’ Hij trekt de vriend aan zijn mouw en priemt een trillende vinger naar de poster. De Amerikaanse vlag die op de vriend zijn mouw geborduurd is, kreukt even, en schiet weer terug in model zodra de jongen loslaat.

- ‘Ja,’ zegt de gemouwde vriend. Hij is niet zo’n prater. Hij is meer het type stille knikker. Voordat hij zijn middelbare school voortijdig verliet, kwam er uit zijn beroepentest waarschijnlijk iets als ‘Heeft talent voor zinloos geweld’. Het sterke, zwijgzame, hardhandige tiep.
Bij nader inzien ogen beide heren alsof ze Charlton Heston zonder met de ogen te knipperen in het gezicht zouden schieten als ze zouden vermoeden dat hij homo was. Of gewoon, zomaar. Ze zien er niet alleen uit alsof ze wapens op zak hebben; ze zien eruit alsof ze nog nooit in hun leven een wapen hebben geregistreerd. Serienummers? Dat zijn toch die cijfers die er al af zijn gevijld?

- ‘Welke is echt? Het is niet wat je denkt,’ bauwt de jongen de postertekst na. ‘Stomme reclame. Het is onwijs duidelijk welke de echte is. De Glock natuurlijk. Die rechtse, ik zeg het je. Dat is de echte. Ze hebben hem roze geverfd zodat het eruit ziet als een speelgoedpistooltje. Maar het is eigenlijk een echte. Zie je dat?’ De jongen zijn opeengeklemde kaken knarsen. Hij steekt zijn vinger nogmaals richting het roze pistool.
- ‘Ja,’ zegt de mouw.
- ‘Kijk dan, zie je hoe dit stuk helemaal hoekig is?’

De jongen kan niet langer stilzitten. Hij duikt naar de poster en trekt met trillende vinger de vorm van het roze pistool na. ‘Typisch Glock, dat vierkante. Zie je die ribbels hier? Een Glock haal je er overal meteen uit.’
- ‘Ja, ik weet wel hoe een Glock er uitziet,’ zegt de vriend, ineens spraakzaam. ‘Het is de blaffer van de wouten. Ik weet precies hoe die er uitziet.’

Iedereen in de coupé valt even stil. Dan schieten de twee mannen keihard in de lach, alsof dat de beste grap was die ze in tijden hebben gehoord. De mouw kijkt even steels de coupé rond. Zij kijken dagelijks in de loop van een politiepistool. Doet ze helemaal niks. Zij zijn namelijk zware jongens. Heeft iedereen dat gehoord? Wij wel.

Ik denk, Jezus, zou dat echt waar zijn? Hebben deze gasten echt een New Yorks politiepistool van dichtbij gezien, en het overleefd? Dat is redelijk imponerend, zeker als je bedenkt hoe schietgraag de NYPD is. Als ze hun eigen mensen niet in de rug schieten, legen ze al eens graag hun Glocks op geesteszieken gewapend met een koekepan.
Als je in de hoek gedreven wordt door New Yorks blauw en je kunt het navertellen, kan dat drie dingen betekenen: je hebt het niet overleefd, je hebt het verhaal verzonnen, of je bent echt een ernstig zware jongen. Ik kijk naar de mannen. Het kan vooralsnog alle drie zijn.

De twee knapperds geven elkaar een blik van ‘Bij de volgende halte maken we dat we hier wegkomen’. Knapperd #1 grijpt Knapperd #2 bij de hand. Klaar om te rennen. Het middelbare pak probeert onze blik te vangen met een uitdrukking van geruststelling – Maak je maar geen zorgen, alles komt goed, gewoon rustig blijven. Hij is klaar om te knokken. Intussen gaan de mannen onverdroten verder.

- ‘De neppe is een Beretta. Kijk, zie je hoe de loop een beetje uitsteekt, hierzo? En die kleine dingetjes hier onderop?’ legt de jongen uit.
- ‘Ja.’
- ‘Maar het ziet er allemaal veels te gedetailleerd uit. Daar kan je aan zien dat het plastic namaak is en geen echte. De Glock is sowieso al van plastic. Dus die ziet er altijd een beetje nep uit. Maar het is een echte.’
- ‘Ja, precies.’

De gast gaat maar door. Hij wijst een hele rij typerende kenmerken aan van beide pistolen op de poster. Hij doet me ineens denken aan mijn ouwe aardrijkskundeleraar op school. Die deed dat ook zo, dat praten en wijzen, alleen dan niet over pistolen maar over de economische en culturele grenzen op de kaart van Europa die hij uit het plafond van het klaslokaal trok. Het enige dat deze jongen nog nodig heeft, is een aanwijsstok.

Onderwijl hebben wij als overige vijf elkaar allemaal nog eens aangekeken. Ik merk dat Ilse en ik rechtop zijn gaan zitten. We zitten op te letten, alsof we weer op school zitten. Als er informatie wordt uitgedeeld, dan zijn we erbij – zware jongens of niet. Daarbij kan het nooit kwaad om je wapeninzicht een beetje op te poetsen als je in de grote stad woont. Het verschil zien tussen een scherpschieter en een losse flodder: het kan zomaar van pas komen. Kom maar door met je kennis! De twee knapperds en het pak hebben de innerlijke leraar onder de opeengeklemde kaken ook herkend. De sfeer in de coupé draait op slag 180 graden om.

De jongen heeft de verandering in de gaten. Hij beseft dat hij met iets goeds moet komen om onze brave burgerharten weer met gezonde angst te vullen. Voor je het weet denken we dat hij geflopt is als zware jongen en toen maar het onderwijs is ingegaan. Kom op!, zien we hem denken. Bedenk iets!
- ‘Ja, en zie je dat palletje naast de trekker? Dat zorgt voor vertraging. Je moet eerst dat palletje indrukken anders kan je de trekker niet overhalen. Man, wat heb ik daar een schijthekel aan.’

Iedereen in de coupé valt even stil. Dan schieten we alle vijf keihard in de lach. Daar had Charlton Heston nou nooit last van.