Friday, May 21, 2010

Even Better Than The Real Thing


Even Better Than The Real Thing – U2

‘Forrest Gump Stopte Hier Met Rennen,’ zegt het bord langs Highway US 163, de hoofdweg door Utah naar Monument Valley. Een bus vol Aziaten stopt bij het bord; een kluit jongens en meisjes stroomt in gelid naar buiten om een foto te maken naast het bord. Maakt niet uit dat de zandsteen formaties van Monument Valley die in de verte tientallen meters omhoogrijzen de laatste overblijfselen zijn van de zandstenen lagen die ooit dit hele gebied bedekten. Of dat die lagen afgezet materiaal bevatten uit de Rocky Mountains; of zelfs dat archeologen de restanten van vele oude Pueblo-gemeenschappen en nederzettingen in de vallei hebben aangetroffen, of dat het tegenwoordig Navajo-gebied is. Nee. Forrest Gump stopte hier met rennen.

Nu is Forrest Gump geen bestaand persoon. Hij was de fictieve held in een kaskraker die 6 van zijn 13 Oscarnominaties won – en Tom Hanks zijn schattige mongolen-Oscar opleverde. Gegarandeerde prijswinnende regel voor jongens: speel een gehandicapte, maar overdrijf het niet – de poging van arme Sean Penn om een waarachtige geestelijk gehandicapte neer te zetten in I Am Sam kostte hem uiteindelijk zijn Oscar. Tuurlijk, hij werd volgens de regels genomineerd – zoals elke acteur die in een drama een gehandicapte speelt – maar Penns al te geloofwaardige, en dus ongemakkelijk om naar te kijken vertolking leverde hem uiteindelijk slechts kreetjes van afkeer op. Het moet wel gezellig blijven! Toegegeven, echt vrolijk werd je er niet van, van I Am Sam.
We willen een Rain Man met wie het nog een beetje lachen is en met wie we ons kunnen identificeren; die van spelletjes houdt op televisie, net als wij – zelfs de linkervoet van Daniel-Day Lewis was herkenbaarder, zeker als je bedenkt dat hij alleen die voet had om mee te werken.
Het doodleuke Tropic Thunder vat het aardig samen: ‘Everybody knows you never go full retard!’

De gouden regel voor meisjes is overigens: ‘lelijk’ doen. Zie Charlize Theron met 15 kilo extra en zonder camouflagestift in Monster, of Hilary Swank als macho in Boys Don’t Cry EN Million Dollar Baby (en twee keer de Oscar winnen!), of Halle Berry simpelweg met bloot gezicht in Monster’s Ball – zo gedurfd! (Nota bene: meisjes spelen beter geen gehandicapten: Jodie Foster’s Nell was een dappere poging, maar er staat niet voor niks nog geen remake in de planning.)

Maar goed. Mijn punt is dat Amerikanen een interessante manier hebben om je te laten weten dat je op een hele bijzondere plek staat. Begrijp me niet verkeerd, ik ben dol op verwijzingen naar de popcultuur. Die snap ik tenminste. En er gaat weinig boven rondlopen op een plek waar je nog nooit bent geweest en toch het gevoel te hebben dat je thuiskomt – alsof je deze plek kent, er bent opgegroeid; alsof je eindelijk wordt voorgesteld aan iemand van wie je altijd hebt gedacht dat het een fantasievriendje was, of over wie je lievelingsliedje is geschreven; alsof het landschap uit al je beduimelde Lucky Luke’s zomaar ineens tot leven is gekomen.



Wat het vreemd en ook een beetje dubieus maakt, is dat deze oneindig mooie landschappen, met ieder een miljard jaar aan geschiedenis, zo achteloos gereduceerd worden tot de plek waar Marty McFly met zijn DeLorean doorheen reed in Back To The Future III (Monument Valley); waar Thelma & Louise van een klif afreden, klats de aftiteling tegemoet (Dead Horse Point); waar je je kicks krijgt (Route 66).

Natuurlijk vind je in de staats- en nationale parken ook de verplichte bordjes met de historische achtergrond van een plek, maar die informatie wordt al te vaak naar de achtergrond gedrongen door de vele verwijzingen naar films en liedjes die deze plekken ineens en zomaar verbinden aan mensen die nooit hebben bestaan en gebeurtenissen die nooit hebben plaatsgevonden. Nergens vind je zo veel toespelingen op dingen die nooit echt zijn gebeurd dan op deze glorieuze plekken die van zichzelf al pulseren met geschiedenis en natuurhistorie. De doorlopende nadruk op popcultuur doet deze plekken simpelweg tekort. Het effect is dat het bijna onmogelijk wordt om er gewoon maar te staan en die miljard jaar aan geschiedenis op je in te laten werken. Waar trapte Louise ook alweer precies op het gaspedaal?

Het werkt ook de andere kant op: plekken waar niks noemenswaardigs gebeurt, transformeren in plaatsen van belang, onsterfelijk gemaakt in een liedje of een film. Op onze roadtrip door het Zuidwesten rijden mijn vriendin Silke en ik door Winslow, Arizona op weg naar New Mexico. In Winslow, Arizona gebeurt echt helemaal niks – ook niet volgens de touristen die en masse wegbleven. Maar toen schreven Glenn Frey van The Eagles en zanger/liedjesschrijver Jackson Browne het liedje Take It Easy, met daarin de beroemde regels ‘I’m standing on a corner in Winslow, Arizona / Such a fine sight to see / It’s a girl, my lord, in a flatbed Ford / Slowing down to take a look at me.’

En dus word je, als je vandaag de dag door Winslow, Arizona rijdt, door een miljoen borden zorgvuldig naar een willekeurige straathoek in het centrum van het dorp gedirigeerd, waar, inderdaad, een standbeeld staat van een muzikant met een gitaar. Achter hem zijn een muur en een bordje in elkaar gedraaid waar op staat: ‘Winslow Arizona’ en ‘Hier Sta Ik Op De Hoek’. Op de muur is een Amerikaanse zeearend geschilderd en een meisje in een flatbed Ford. Net echt! Uit de luidsprekers van de winkel op de straathoek er tegenover schallen Eagles-nummers. Daar verkopen ze het t-shirt.
Er is een hele website gewijd aan het fenomeen. Het punt is alleen, die muzikant heeft nooit echt op die straathoek gestaan en een meisje, mijn god, gezien in een flatbed Ford – laat staan een zeearend. Het is nooit gebeurd. Het is namelijk een liedje. Glenn Frey en Jackson Browne zijn er eens goed voor gaan zitten en hebben het uit hun dikke duim gezogen. (Mocht nou blijken dat Frey en Browne elkaar op die straathoek hebben leren kennen terwijl ze allebei meisjes in flatbed Fords aan het nafluiten waren en de Heer aanriepen, dan zal ik me eens een potje goed gaan schamen voor dit hele verhaal.)



Silke en ik gaan lunchen in het La Posada Hotel in hetzelfde Winslow. Gebouwd in 1929 voor passagiers van de Santa Fe Spoorwegen; het hotel wordt beschouwd als het ‘laatste grote spoorwegenhotel’ en is een nogal historisch monument waar verhalen van waargebeurde romantiek en avontuur en ellende zowat uit de poriën van de muren barsten. We zijn de enige bezoekers. Wikipedia heeft precies 76 woorden over voor de hele plek.

Voor oudere vakantievierders, en die twee gelukkige zielen die Forrest Gump gewoon helemaal hebben overgeslagen, presenteert Monument Valley het onvermijdelijke weetje dat hier op deze plek Marion Robert Morrison een cowboyhoed opzette en onsterfelijk werd als John Wayne. Silke en ik logeren een nacht in superlieflijk Ouray, Colorado – overladen met warme springbronnen en overigens aanbevolen door Lonely Planet als het stukje paradijs op aarde dat John Denver bedoeld moet hebben toen hij zong over Rocky Mountain High – en zoeken een plek om te eten. Het meisje achter de balie van ons hotel heeft het Outlaw restaurant in de aanbieding. ‘Ja hoor, de spare ribs zijn daar prima te doen, maar wist je dat John Wayne er zijn cowboyhoed heeft laten liggen?’ informeert ze gezellig. En we gaan. Naar het restaurant, en op de foto met de hoed van een legendarisch, macho filmpersonage gespeeld door een acteur die in het echte leven bekend stond om zijn ultrarechtse, überpatriottische, racistische, xeno- en homofobe (en, zoals ironie werkt, volgens de geruchten kast-homosexueel geaarde) denkbeelden voordat longkanker hem wegvrat van binnen. Lachen naar het vogeltje!



Als het eindeloze landschap van Arches National Park naar de Grand Canyon je al iets meegeeft, is het dit: dat de mens en al zijn strapatsen een terloopse jeuk zijn in de pels van de tijd; onbelangrijk, niet eens de moeite om te krabben. Grand Canyon was er al voordat de eerste mens het water uit wriemelde, en ligt er nog lang nadat we zijn verdwenen. De vraag is waarom nationale en staatsreservaten afbreuk zouden willen doen aan dat onmiddellijke en ontzaglijke gevoel van oneindigheid door het te verbinden aan de meest terloopse en kortstondige uitingen van menselijke cultuur? Waarom deze plekken ‘echter’ maken door er onechte herinneringen op te roepen?

Is Hollywood-fictie echt de enige manier waarop Amerikanen zich op elkaar en hun omgeving kunnen betrekken? Of vallen de eindeloze ongetemde gebieden die het land rijk is, domweg te ongemakkelijk rauw op hun dak? Zijn die landschappen, om de Oscars er nog een keer bij te halen, te waarachtige mongolen, onmogelijk te prijzen in hun naakte echtheid? Het zou de zorgvuldig aangebrachte lagen van identificeerbaarheid kunnen verklaren, en de drang om overal waar je gaat iets te vinden waarin je je kunt herkennen. In de woorden van Tom Robbins in Fierce Invalids Home From Hot Climates: het is allemaal ‘gewoon te verdomde echt.’

Als je bij Dead Horse Point State Park aankomt, kom je er al snel achter dat het fysiek onmogelijk is om met de auto tot aan de rand van de klif te rijden. En dat is maar goed ook; het zou maar lullige foto’s opleveren en een heel akelige juridische aansprakelijkheid. Je moet je auto parkeren op de parkeerplaats, een meter of 50 van de rand, en dan de rest te voet doen tot je tegen het middelhoge muurtje aanloopt dat ervoor zorgt dat je niet onverhoopt over de rand struikelt.

Laat je dus niks wijsmaken. Thelma en Louise zijn nooit over de rand gereden in Dead Horse Point State Park. De dames hebben net als iedereen 10 dollar per persoon betaald om binnen te komen; ze hebben hun cabrio gewoon geparkeerd op de parkeerplaats; ze zijn naar de rand gelopen en daar hebben ze het allemaal eens goed op zich laten inwerken – die wonderlijke sensatie dat de stilte letterlijk je oren verdooft, zoals ook in Grand Canyon of The Valley Of The Gods; stilte die zich onherroepelijk en fysiek een weg je hoofd in duwt en alle mogelijke verwijzingen naar popcultuur naar buiten perst. Ik vond het met niks te vergelijken. Alsof je diep onder water op de maan ademhaalt in een droom – misschien weten duikers zonder zuurstof wat ik bedoel. Veel onwerkelijker dan dan hoeft het allemaal niet te worden.



Bekijk de road trip video!

Thursday, April 22, 2010

Breakfast in Bed


Breakfast in Bed – UB40 & Chrissie Hynde
Of, altijd fijn: Breakfast in Bed – Dusty Springfield

Roland’s Navajoland Tours / Bed & Breakfast. Het bord en de uitgewoonde terreinwagen in de voortuin verraden met welke van de twee de eigenaar zich liever bezighoudt. We zijn gewaarschuwd. Maar ja, denken we, iedereen moet ooit gaan slapen – zelfs Roland. Mijn vriendin Silke en ik hebben de hele dag door Utah gereden; we zijn vanochtend uit Moab vertrokken en achtereenvolgens door Arches National Park, Dead Horse Point State Park, The Valley of the Gods, Goosenecks State Park, and Monument Valley naar het zuiden gekilometerd. Hoewel ons ad-hoc reisschema vanochtend nog dicteerde dat we het helemaal tot aan Grand Canyon zouden halen, zijn we blij om in Kayenta, Arizona te stoppen om te overnachten – ik ben serieus licht in mijn hoofd van de totaaloverdosis aan indrukken die zo ergens tussen Delicate Arch en de Drie Gezusters ongenadig insloeg. We zijn in Navajoland, en we zijn er klaar mee.

En zo kwamen we dit nogal melancholieke bord tegen, in deze nogal melancholieke voortuin in dit nogal melancholieke stadje. Ik stel me voor hoe Roland dit bord ooit heeft neergezet als kleurrijke lokroep aan reizigers van overal en nergens; vandaag staat het er vooral erg moe bij. Het oogt alsof het naar huis wil, opkrullen in bed en zijn laatste adem uitblazen. Nadere inspectie leert dat dit bord waarschijnlijk nooit een kleurrijke lokroep is geweest, voor geen enkele reiziger van waar dan ook, maar ergens tussen de uitgebrande bus op het terrein en de blauwogige husky op de veranda houdt het deze gare tuin dapper bijeen. Ik vind het bord wel wat. Silke weet het nog zo net niet.

Ik word er dan ook op uitgestuurd om binnen te vragen of Roland nog een kamer vrij heeft. De hond slaat haar staart twee keer hard en dof op de veranda. Mensen binnen zouden moeten horen dat ik eraan kom. Ik open de hordeur in de verwachting van een vestibule, of op zijn minst een halletje, maar in plaats daarvan struikel ik rechtstreeks een woonkamer binnen waar twee mannen en een vrouw gefascineerd naar een Spaanstalige soap zitten te kijken op de grootste LCD tv die ik ooit heb gezien. Als de Mormoonse kolonisten zich hadden toegelegd op het ontwikkelen van electronica in plaats van, nou ja, op het koloniseren van Indiaans gebied, dan nog zou deze tv vandaag niet groter zijn.
‘Uhhh… Hallo, goeiemiddag,’ stotter ik, licht van mijn stuk van al deze inbreuk op privacy. De vrouw kijkt om en lacht, verbaasd maar vriendelijk. De mannen tillen even een wenkbrauw op en concentreren zich dan onmiddellijk weer op de tv. Niemand staat op. ‘Hallo, ik vroeg me af of u nog een kamer voor twee heeft voor vannacht?’ De grotere van de twee mannen kijkt nog een keer op – zijn donkere blik schiet rechtstreeks naar de slechter verlichte plekken in mijn ziel. ‘Wat?’

‘Ja, nou, ziet u… Volgens het bord in de tuin… U bent een Bed & Breakfast, toch?’ probeer ik.
- ‘Oh ja?’ vraagt de man. Dat moet Roland zijn.
- ‘Uhh, ja, super, ik bedoel, ik hoop dat u nog een kamer heeft?’ Ik zak weg in het drijfzand van deze woonkamer, en hoe meer ik tegenstribbel, hoe sneller ik kopje onder ga. De man lijkt niet van zins om een eind te maken aan mijn misère. De vrouw kokhalst lang en luidruchtig, laat dan tot haar eigen opluchting een enorme boer en glimlacht nog eens naar me. De kleinere man graait een lusteloze handvol uit een grote zak met popcorn. De weeë geur van lauw-gesmolten boter golft door de kamer. Hij staart onbewogen naar het scherm, waar een hoogaantrekkelijk stel blijkbaar slecht nieuws heeft ontvangen: de bevroren wanhoop op hun gezicht duurt tot het beeld op zwart gaat en dan naar de reclame.

‘Je wou een kamer?’ De lange man springt op en staat in een verrassend katachtige beweging voor me. Zo van dichtbij is hij echt behoorlijk groot. Ik moet met mijn hoofd in mijn nek om hem in de ogen te kunnen kijken. Zijn grijze paardestaart reikt net zover over zijn rug als zijn boomstammen van armen in mijn verbeelding reiken om een zwarte beer bewusteloos te knijpen, of bijvoorbeeld een massief marmeren wasblok op te tillen en door het raam van een gesloten inrichting te gooien. Ik knipper met mijn ogen. Hij niet. ‘Ja heel graag, voor twee personen. Het liefst met twee losse bedden!’ Hoe slechter ik me op mijn gemak voel, hoe gezelliger ik word.
- ‘60 dollar,’ zegt Roland.
- ‘Uhhh, okee…’ zeg ik. ‘Heeft u WiFi?’
- ‘Huh?’ Roland klinkt noch oogt perplex, maar iets in de manier waarop zijn schaduw van vorm verandert op mijn gezicht zegt me dat hij geen idee heeft waar ik het in godsnaam over heb, maar dat hij ervan uitgaat dat het slecht is en gevaarlijk – zoals een razendsnel om zich heen grijpende bosbrand misschien.
- ‘Internet, heeft u hier een internetverbinding?’ leg ik uit. Roland staart terug.
- ‘Ze bedoelt voor de computer,’ schiet de vrouw me onverwacht te hulp. ‘En nee, we hebben hier geen internet, maar je kunt meeliften op de draadloze verbinding van de buren.’ Ze draait zich weer naar man. ‘Roland, laat de dame haar kamer zien.’
- ‘We doen hier niet aan ontbijt,’ zegt Roland – hij heeft ooit, vroeger, vast lang en hard nagedacht en besloten dat ‘Bed & Breakfast’ net wat gezelliger klinkt dan ‘Bed & Rot Op’ – en daarmee is de kous af. Ik hobbel achter hem aan de gang in, naar onze slaapkamer voor vannacht. Aan de muur, in de vorm en afmeting van een van die tegeltjes die je wel ziet aan de muur bij gezellige mensen, met teksten als Oost West Thuis Best of Uit Gouden Koorenaaren Schiep God De Beekenaren, hangt een bordje. Zie Ik Eruit Alsof Ik Van Mensen Hou?! staat erop.

Tot verveeld vermaak van het drietal slepen we onze koffers naar binnen, en vragen op weg naar buiten om een kamersleutel. Daar moeten ze alle drie erg hard om lachen – hoewel de vrouw zichtbaar haar best doet om haar milde minachting niet te laten merken. ‘Waar hebben jullie een sleutel voor nodig?’ zegt ze. ‘Jullie hoeven niet af te sluiten. Wij zijn de enigen hier.’ Met die gedachte in ons achterhoofd duiken we Kayenta in voor voedsel en vermaak. We komen er al snel achter dat Roland zijn voortuin zomaar eens de sprankelendste plek in de stad en daarbuiten kon zijn. Maar dan stuiten we op een piepklein bioscoopje aan het eind van een piepklein winkelcentrum. Vanavond: Date Night en Green Zone, allebei over een goed half uur. We stemmen voor Date Night, maar eerst snel eten in het Amigo Cafe.



Ik stort me op mijn enchilada; Silke toont iets meer waardigheid terwijl ze haar fajitas decimeert. Vijf minuten na het officiële startsignaal van Date Night zijn we terug bij de bios. Het meisje achter de kassa kijkt op en zegt: ‘Jullie zijn te laat.’
- ‘Ja,’ zegt Silke, ‘inderdaad, maar mogen we er toch nog in? We vinden het niet zo erg om de voorstukjes te missen.’
- ‘Sorry, maar Date Night draait vanavond niet. We hebben zojuist ook al twee mensen weggestuurd die te laat waren. En nu zijn jullie de enige twee die ‘m willen zien – en wij hanteren een minimum van 4 bezoekers voordat we een film draaien,’ zegt het meisje. Op Silkes voorstel dat we 4 kaartjes kopen zodat aan de minimumomzet is voldaan, rolt het meisje met haar ogen. ‘Ik weet niet zeker of dat wel kan,’ zegt ze. Maar ze bedoelt: Klote stadsvolk, dat komt hier met d’r gedrag en dan denken dat ze zich overal wel uit kunnen kopen. Nou, vanavond niet. Silke, de eeuwige reporter, laat zich niet van de wijs brengen. ‘Laten we samen uitzoeken of dat kan. Is je manager in de buurt?’ Het meisje rolt nog harder met haar ogen, zucht omstandig en pakt dan een walkie-talkie. ‘Shelley? Ik heb hier twee… mevrouwen, en die willen 4 kaartjes kopen voor Date Night zodat we de film draaien. Ik heb al gezegd dat ze te laat zijn.’

Twee minuten later klautert een ander meisje, niet veel ouder dan een jaar of 15, van achter een gesloten deur de lobby in, zichtbaar niet op haar gemak bij het zien van onze twee verwachtingsvolle gezichtjes. ‘Nou, kunnen jullie de film draaien als we 4 kaartjes kopen?’ dreunt Silke. Het meisje deinst terug, maar houdt voet bij stuk. ‘Nee, het spijt me vreselijk, maar daar kunnen we niet aan beginnen. U bent te laat.’
- ‘Nou, dat moet niet zo veel uitmaken, aangezien we de enige klanten zijn die de film willen zien – toch?’ Silke pauzeert even om het meisje de kans te geven om in te stemmen. Maar nee. Het meisje legt omstandig uit dat ze echt geen uitzonderingen kunnen maken want als ze daar aan beginnen dan lopen de bewoners van Kayenta morgen de zaal plat om allemaal hun eigen privévoorstelling te eisen en we kunnen ons vast wel voorstellen dat dan het einde zoek is. Dat kan niet de bedoeling zijn! We kijken om ons heen. Er staan precies 10 man in de bios – inclusief wij twee en vier man personeel. De hele stad en alle koeien van Kayenta bij elkaar kunnen met alle wil van de wereld het toilet van deze bios nog niet platlopen. We gaan dan maar naar Green Zone, op een scherm zichtbaar kleiner dan Rolands tv.

De film is niet slecht, maar na een half uur zit ik mezelf af te vragen waarom Jason Bourne bij het gewone leger is gegaan; ik mijmer hoe ik van los, uit-de-hand camerawerk altijd een beetje misselijk word en dan weet ik ineens op zeker dat ik het eind van de avond niet ga halen zonder spuit te kotsen.

Ik red het tot aan Rolands B&B, waar ik zo beleefd mogelijk mijn knieschijven eruit kots naast het linkerachterwiel van zijn terreinwagen. Stendhall, ik heb last van Stendhall-effect, ik weet het zeker – mijn onderontwikkeld gevoel voor schoonheid is simpelweg te zeer vervuld van de pracht van alle natuur die we vandaag gezien hebben. Het moet wel Stendhall zijn. Silke denkt dat het misschien de enchilada was. Of de twee zakken Twizzlers die ik in plaats van lunch heb opgeknaagd in de loop van de dag. ‘Wist je dat mannen onvruchtbaar kunnen worden als ze te veel van die shit eten!’ informeert ze wanneer ik even omhoog kom om adem te halen. Ik had geen idee.

Roland’s huis zag er vanaf de weg donker en verlaten uit, maar als we door de tuin naar het huis klauteren komt ons gedempt gelach tegemoet. Ik verwacht half en half dat we Roland en de vrouw horlepiepend in de woonkamer gaan aantreffen, onze onderbroeken op hun hoofd als frivole kanten feesthoedjes, terwijl de tweede man iets kunst- of handwerkerigs aan het doen is met onze paspoorten. Maar nee. Roland en zijn vriend zitten nog steeds tv te kijken op de bank waar we ze hebben achtergelaten, alleen nu niet naar een soap maar naar een basketbalwedstrijd. Ze vloeken, schrapen hun keel, boeren, kokhalzen en lachen dat het een lieve lust is; ze hebben het reuze naar hun zin. Ze knikken kort in onze richting als we ze een fijne avond wensen.

Ik zet in op een hete douche om te hergroeperen. Als ik de kraan aanzet, vloeit koud water een minuut of wat rijkelijk uit de tap – en droogt dan op naar een woestijnstraaltje. Ik trek mijn kleren weer aan, steek mijn hoofd om de hoek van de woonkamer en draal daar wat tot de eerstvolgende reclamepauze voordat ik de mannen stoor. Johnny Cash zijn moeder leerde hem misschien dat hij een brave jongen moest zijn en niet met geweren moest spelen; aan de andere kant van de wereld drukte mijn mijn moeder mij dit op het hart: eerst netjes vragen voordat je ergens aan zit dat niet van jou is, en altijd beleefd zijn. (En te allen tijde schoon ondergoed aan voor het geval je onder de bus komt op weg naar school – waar ik vandaan kom worden ambulances voor verkeersslachtoffers blijkbaar onmiddellijk afgeblazen als er ook maar een vermoeden bestaat van remsporen.)

Dus ik wacht tot de reclame en zeg: ‘Pardon meneer, ik geloof dat de douche het niet doet. Zou u zo vriendelijk willen zijn om even te komen kijken?’ De mannen kijken naar me alsof ze iets vaag onaangenaams ruiken – de weeë geur van lauw-gesmolten popcornboter misschien. ‘Ik doe misschien iets niet helemaal goed,’ voeg ik eraan toe.
- ‘Dat lijkt mij ook,’ zegt Roland, maar dan haalt hij zijn schouders op en taalt naar de badkamer om de douche te temmen naar een gehoorzame, ferme hete straal. Als we de volgende ochtend bij het aanbreken van de dag wegrijden, is er geen spoor meer te bekennen van mijn spuitkots van de vorige nacht. De aarde heeft zich geopend en alle resten opgeslokt, haar gevoel voor schoonheid niet in het minst onder de indruk van mijn bijdrage aan de natuur. We zijn tenslotte in Navajoland.

Sunday, March 14, 2010

Somewhere Over The Rainbow


Somewhere over The Rainbow – Judy Garland

‘Mevrouwtje? Loopt u maar even mee.’ De douanebeambte op het internationale vliegveld van Belfast trekt zijn rubberen handschoenen vast aan.
- ‘Wat is er aan de hand, meneer?’ vraagt mijn vriendin Ilse, immer de communicatiedocent – dus met een open, belangstellende houding en neutrale vraagstelling in plaats van met het licht offensievere ‘Ik dacht het niet, vriend’.
- ‘Standaardprocedure, mevrouwtje,’ zegt de beambte met een blik die verraadt dat hij een nare uitslag gaat krijgen van het rubber. Maar alle andere mensen staan nog gewoon in de rij met hun paspoorten in de aanslag, merkt Ilse op terwijl ze achter de man aanloopt. Misschien toch niet zo heel standaard, deze procedure? De beambte kan er niet om lachen. Op naar een van de tl-verlichte interrogatieruimtes die het vliegveld rijk is.

Ilse komt op bezoek. Toeval wil dat ze voor haar werk een week naar Belfast moet om typisch Nederlandse communicatielessen te geven aan studenten aldaar, en daarna een paar dagen vrij kan nemen. Als ze dan toch een rondje Britse koloniën doet, kan ze net zo goed meteen door naar New York. Waarom tijd verspillen door eerst terug naar huis te gaan? Ilse boekt een vlucht van Amsterdam naar Belfast, van Belfast via Londen naar New York en van New York rechtstreeks terug naar Amsterdam. Gewoon, lekker praktisch, volgens ons. Maar niet volgens de Britse en Amerikaanse douane.

In Londen wordt mijn vriendin wederom uit de rij voor de douane geplukt, en een tweede keer ondervraagd op een plek waar het nooit donker wordt. Wat heeft ze in Belfast gedaan? Hoezo, gewerkt? Voor wie werkt ze dan wel? Kan ze dat aantonen? Waarom gaat ze niet gewoon terug naar Amsterdam? Wat gaat ze doen in New York? Wie is die vriendin? En waarom heeft mevrouw nu dan een nacht doorgebracht in een willekeurig vliegveldhotel in Londen?

Uiteindelijk mag ze van Londen door naar New York. Het vliegtuig landt zonder brokken. Ik zit vol verwachting in de aankomsthal. Maar geen Ilse. Ik wacht nog wat. Nog steeds geen Ilse. Wanneer ze uiteindelijk door de schuifdeur komt, heeft ze voor de derde keer in 24 uur in een ondervragingskamertje gezeten, nu met twee man Amerikaanse douane die wilden weten wat ze nou eigenlijk precies kwam doen in het land van de vrijen. Welkom! roep ik maar.

Mijn vriendin is hoogopgeleid, West-Europees, zonder religieuze overtuiging of ander strafblad, altijd vriendelijk en ook nog eens mooi. Waarom wordt ze op een en dezelfde route tot driemaal toe uit een rij passagiers gehaald? Aan welk onheilspellend profiel voldoet ze zonder dat ze het weet?
Wordt ze misschien verward met iemand op de Amerikaanse zwarte lijst van potentiële luchtvaartterroristen (een dergelijke lijst om vermoede terroristen op de vlucht te weren, staat ook op het menu voor Europa)? Als het achtjarigen kan overkomen, dan is niks meer vanzelfsprekend.
Misschien ligt het aan de beveiligingsapparatuur op vliegvelden. Voor scanners die Mexicaanse saus kunnen aanzien voor explosieven, vormen ouwe sokken misschien ook een potentiële dreiging voor de staatsveiligheid.
Staat er iets raars in haar passagiersgegevens?
Is de combinatie van steden (Amsterdam-Belfast-Londen-New York) verdacht? Of het feit dat ze als vrouw alleen reist, met een rugzak? We komen er niet uit.
Je mag wettelijk weigeren om te antwoorden op persoonlijke vragen door douaneambtenaren. Helaas hebben zij op hun beurt precies die vingerhoed aan macht waarmee ze je vervolgens kunnen weigeren op je vlucht. Je verliest hoe dan ook. Van de luchtvaartindustrie kun je niet winnen.

Ilse en ik zijn gelukkig allebei van het type dat al eens graag het goede ziet in de mens, en goeie bedoelingen herkent in organisaties en de dingen die ze doen. Ook als we daarvoor de feiten geweld moeten aandoen. Regenbogen, noemen we dat. Kale waarheid, daar is tenslotte nog nooit iemand gelukkiger van geworden. Ook de luchtvaartpraktijk moet te regenbogen zijn.
Misschien is drie keer ondervragen wel een poging van de luchtvaartmaatschappij om Ilse een vorm van waar voor haar geld te geven, bedenken we in de bus van het vliegveld naar mijn huis.
Deel van de totaalprijs voor ieder vliegticket bestaat uit verplichte luchtvaartbelasting en heffingen. Een deel daarvan is zogenoemde reizigersveiligheidsbelasting. Die belastingen zorgen ervoor dat bijvoorbeeld op een online retourtje Belfast-New York van $ 386 maar liefst $ 435 aan heffingen en belastingen wordt geheven. Dan betaal je ineens $ 821 voor een vlucht van $ 386. Meer dan de helft van de prijs die je in dit geval betaalt voor een zitplek op een vliegtuig, heeft niks te maken met die zitplaats of dat vliegtuig.

Het punt is dat Ilse drie verschillende tickets heeft gekocht om in New York te komen, dus drie keer die veiligheidstax heeft betaald. Daar mag ze wel eens wat voor terugzien, dacht de luchtvaartindustrie in onze positieve draai aan de gebeurtenissen. Weet je wat, dachten ze, voor dat geld mag deze mevrouw een kijkje nemen achter de schermen van luchtvaartbeveiliging, en van dichtbij meemaken hoe wij dat doen, onze reizigers een veilig gevoel geven. En niet één keer, maar drie keer. Ilse en ik beslissen dat we deze geregenboogde versie van de feiten voorlopig voor waar aannemen.
Het kan tenslotte niet zo zijn, denken we, dat luchtvaartmaatschappijen mensen $ 435 extra laten betalen voor reizigersveiligheid en ze die dikbetalende reizigers vervolgens behandelen als een gevaar voor de maatschappij. Dat zou pas gek zijn.

Tenzij, denken we een eindje verder, de luchtvaartindustrie internationale vliegvelden wil profileren als locatie voor een nieuw soort extreme adventure sport. Extreme sporten zijn activiteiten waar je meer afziet naarmate je meer betaalt. De Kilimanjaro beklimmen, zwemmen met haaien, op militair dieetkamp gaan, basejumpen van de Eiffeltoren, van die dingen. U dacht dat u alles wel gezien en gedaan had qua duur lijden? Voor een heffing van boven de $ 400 op uw vliegticket garandeert de luchtvaartindustrie u tenminste één individuele ondervraging met visitatie op elke, willekeurige, internationale vlucht.
Gaat dat u te ver? In de standaardheffing zit in ieder geval een portie Veel Te Lang In De Rij Staan, Hier Met Die Privacy, en Deels Ontkleden Ten Overstaan Van Vreemden. Er zijn mensen die daarvan houden, van afzien voor geld.
(De uitzonderling die het niet zo heeft op avontuur tijdens de reis, of die gewoon op tijd op zijn bestemming wil zijn, kan zich altijd nog voor $ 100 per jaar als ‘Deugdzaam reiziger’ laten registreren – nou ja, nadat hij zijn privacy, iris- en vingerafdrukken heeft opgegeven en een achtergrondonderzoek geen verdachte bewegingen heeft opgeleverd. En uiteraard bovenop de heffingen en belastingen voor een ticket.)

Douaneperikelen als extreme sport. Een soort basejumpen, maar dan op de grond: met de spanning van een normaalgesproken onuitgenodigde en ook nu altijd toch nog onverwachte lichaamsinvasie in plaats van de adrenaline van een vrije val. Deze versie kunnen we ook zomaar voor waar aannemen. Dan kunnen we als bonus de luchtvaartindustrie bewonderen om hun inventieve en progressieve klantenservice vermomd als steeds verdergaand veiligheidsbeleid. Een nieuwe niche vinden voor vliegreizigers moet lang niet makkelijk zijn geweest (wat kunnen reizigers nog meer willen dan gewoon op tijd aankomen op hun plaats van bestemming?); dat de luchtvaartindustrie zo onverschrokken inzet op extreme sporten voor onderweg, toont een buiten de gebaande paden denken dat we alleen maar kunnen toejuichen. Hoera voor de luchtvaartindustrie.

Saturday, March 13, 2010

How Sweet To Be An idiot


How Sweet To Be An Idiot – Neil Innes

Iedereen die de laatste jaren op een internationale vlucht naar Amerika heeft gezeten, kent het groene visumformulier dat elke toerist in het vliegtuig moet invullen. ‘Is een van de onderstaande zaken op u van toepassing?’ informeert het papier. Dan volgt een rijtje vragen naar dingen als gezondheidstoestand en strafblad. ‘Ja’ antwoorden op een of meerdere vragen in de lijst, kan ertoe leiden dat je het land niet wordt binnengelaten. Vergeet de morele vraag of mensen met een overdraagbare of geestesziekte (Vraag A) wel of geen recht zouden hebben op een weekje vakantie in de Verenigde Staten. Wij trekken een wenkbrauw op bij Vraag C. ‘Bent u momenteel, of was u in het verleden betrokken bij spionage of sabotage; of bij terroristische acties; of bij volkerenmoord? Was u tussen 1933 en 1945 op welke manier dan ook betrokken bij vervolgingen geassocieerd met Nazi-Duitsland of diens bondgenoten?’

Wie, behalve het syfilitisch verpapte brein dat in Vraag A wordt bedoeld, kruist ooit ‘Ja’ aan op die vraag? Vergeet de laatste twee nog levende nurkse Nazi’s die waarschijnlijk aan de stewardess moeten vragen of die netjes een kruisje voor ze wil zetten, want met hun 95 jaar wil het binnen de lijntjes blijven niet meer zo lukken. ‘Nein, nein, nein! Ik zei Ja! Verdammt noch mal!

Hoe gaat dat in een willekeurig Jemens Al Qaeda trainingskamp, vandaag de dag? ‘Toekomstige martelaren, kom allemaal eens even hier. Even goed luisteren nu. We hebben een onfortuinlijke ontdekking gedaan. Elke toerist op een vliegtuig naar het land van de rijzende schuld moet dit groene formulier invullen. Dat verdriet mijn hart met het vuur van duizend huilende wolven onder een volle Afghaanse maan. En het is ook mooi kut. Want we zijn dan wel terroristen, maar geen hypocrieten. Jokken, dat doen wij dus niet. We hoeven misschien niet ongevraagd aan onze vijand te verkondigen hoe en wanneer we zijn kapitalistische samenleving willen reorganiseren naar de vervaagde herinnering aan een dagdroom van een maagd, maar we gaan er ook niet over liegen. We zijn tenslotte fanatiekelingen, geen jokkebrokken. Als ze ernaar vragen op het formulier, dan geef je dus gewoon netjes antwoord.’

De trainer negeert het ongelovig en ongerust geroezemoes in de rangen.

Hij vervolgt: ‘We hebben gelukkig nog wat ontdekt. Kijk, onderaan, daar staat het: als je “Ja” antwoordt, kan je geweigerd worden. Niet: zal je geweigerd worden. Wij denken dus dat het allemaal wel meevalt, met de dreigementen van de zwaarlijvige popcorneters.’ Zijn bronnen verzekeren hem dat het formulier gewoon deel is van de extreme adventure ervaring waar hij voor heeft betaald toen hij de tickets kocht. Alles is goed met de wereld.

Saturday, March 6, 2010

The Fun Lovin' Criminal


The Fun Lovin’ Criminal – Fun Lovin’ Criminals

‘Het is een Glock. Niet die linker, maar die roze, aan de rechterkant. De linker is nep. Dat kan je zien aan het knopje om het magazijn te wisselen. Zie je? Dat zit normaal niet daar.’ De versleten jongen naast ons in de W-metro van South Ferry naar Mid-Manhattan klinkt alsof hij weet waar hij het over heeft. Hij heeft het natuurlijk niet tegen mij. Hij praat tegen zijn vriend, een bijna net zo afgedragen man van middelbare leeftijd die langzaam instemmend knikt. Ze zien allebei goed bleek. De jongere gast heeft die opgejaagde, jagende blik in de ogen van iemand die al weken, misschien maanden op de vlucht is. Of van iemand die beter dat laatste lijntje speed vanochtend niet had genomen. Of allebei. Het aangekoekte speeksel in zijn mondhoeken doet in ieder geval vermoeden dat hij al een tijdje aan het doorhalen is – hij heeft zijn bed, schat ik zo, minstens 36 uur niet meer gezien.

De mannen kijken naar een advertentie in de metro, van de stad New York, over wapenbezit. Het reguleren van wapenbezit (of het nalaten daarvan) is een behoorlijk ding in Amerika. Het recht van burgers om een dodelijk wapen te dragen is hier grondwettiger dan het recht van burgers om te trouwen met wie ze willen. Bij landelijke megasupermarkt Wal-Mart kan iedere gek een geweer en kogels kopen; tweetallen die van de heren- of damesliefde zijn, mogen in precies 6 van de 50 staten trouwen. Wapenwetgeving verschilt per staat – net zoals wetgeving over homohuwelijken. Zo zijn er bijvoorbeeld nauwelijks wapenwinkels in New York; ben je in Florida, dan vind je daarentegen meer dan genoeg wapenwinkels, bij voorkeur naast een drankgroothandel. Het zou me verbazen als er een enkele staat in Amerika is waar handwapens voor burgers volledig verboden zijn (in Chicago and Washington, D.C. hebben ze geprobeerd om het bezit van handwapens volledig te verbieden, maar die beslissingen liggen onder vuur wegens schending van het Tweede Amendement uit de grondwet) – in tegenstelling tot het homohuwelijk. Vandaag de dag kun je met je gelijkgeslachte lief trouwen in Iowa, Vermont, New Hampshire, Connecticut, Massachusetts en sinds maart 2010 ook in Washington. In alle overige 44 staten die Amerika verenigen, wordt homo’s dat civiele recht ontzegd – waaronder New York.

In 2006 kwamen 30.892 mensen om het leven bij een schietincident – dat betekent dat in 2006 10,36 op elke 100.000 burgers al dan niet met voorbedachten rade de kogel kreeg. Stel voor de vorm even dat alle homo’s en lesbiënnes demografisch gezien precies gelijk verspreid wonen over het hele land (ik denk niet dat dat zo is, maar stel). Dat zou betekenen dat in hetzelfde jaar dat 10,36 op elke 100.000 burgers overleed in een schietincident, 88.000 van elke 100.000 homoseksuele burgers niet mochten trouwen (in 2006 mocht het in Washington nog niet, maar in Californië nog wel. Bedankt, Oostenrijkse Eik, voor je heterogene aanpak).

Maar ja, we zien onze burgers altijd nog liever vrijgezel dan dood, moet de staat New York gedacht hebben. En daarbij, de LGBT lobby (de Amerikaanse belangenorganisatie voor homo’s, lesbiënnes, biseksuelen en transgenders) heeft meer regenboog dan macht – het valt nog niet mee om de strijd te winnen met louter goedwillendheid, gezond verstand en het civiel recht aan jouw kant. Hoe dan ook, New York heeft zijn geld gezet op het reguleren van wapenbezit en niet op het mogelijk maken van homohuwelijken. Het lastige is alleen dat New York nu te maken heeft met de lobby voor het vrije bezit van wapens voor burgers, de National Rifle Association (NRA). En die NRA is misschien niet zo kleurrijk als de LGBT lobby, maar wel duizend keer machtiger – deze gasten hebben in elk geval op zeker allemaal een wapen op zak.

Opmerkelijk genoeg was Charlton Heston de voormalig voorzitter van de NRA. Charlton Heston, de man die in Ben Hur doorlopend heet, zweterig en zonder shirt rondparadeerde voor allemaal andere mannen in rok. De man die nota bene viel voor een aap in Planet of The Apes – en ook hier vooral zonder hemd rondrende, dit keer voor allemaal harige mannen in leer. Die Charlton Heston. In zijn echte leven bouwde hij aan wat de media een ‘turbulente homoseksuele geschiedenis’ noemt, en hij was in zijn gloriedagen ook nog eens een groot voorvechter van burgerrechten; maar bovenal wist hij dus hoe je een trekker overhaalt. De man stelde ooit dat hij zijn wapen nooit of te nimmer zou opgeven: ‘Over mijn lijk.’ Hoe heeft de homobeweging hem ooit kunnen laten schieten? Met Heston als woordvoerder had het er helemaal anders uitgezien voor het homohuwelijk en gelijke rechten. Ik zie de gecombineerde NRA/LGBT-slogans al voor me: Kogels en Kapellen voor iedereen!; Een Kogel Maakt Geen Onderscheid, Waarom Wij Dan Wel?; Schieten Tot De Dood Ons Scheidt! Nou ja, dat dus.
Maar helaas, Charlton Heston is dood, dus daar zitten we met onze goeie bedoelingen. Te kijken naar een advertentie over het hoe en wat van wapenbezit.

Op de poster staan twee pistolen: een echt en een nagemaakt. De tekst stelt dat het in New York verboden is om een echt pistool te verven zodat het er uitziet als een neppistool, en dat het ook verboden is om een neppistool te verkopen dat eruit ziet als een echt pistool. De truc is dat het pistool waar je van denkt dat het echt is (een gemeen uitziend zwart ding), de replica is. Het roze geval dat er uitziet als een kinderpistool, is echt. En dat enorm echte wapen is dus blijkbaar een Glock.
Het is bijna onmogelijk om niet mee te luisteren met de twee mannen hun gesprek. De metrowagon is bijna leeg, op zeven man na: de twee gasten, een man van middelbare leeftijd in een duur pak, twee knapperds van ergens in de twintig en mijn vriendin Ilse en ik. Daarbij praten de mannen heel, heel hard. Zo vaak krijgen ze de kans niet om op te scheppen over hun ervaring met de donkere wereld van pistolen en geweld, en nog wel in het bijzijn van brave burgers.

‘Jezus, het is nog een slechte nepperd ook,’ gaat de jongen door. ‘Moet je zien, er zit geeneens een echte trekker aan.’ Hij trekt de vriend aan zijn mouw en priemt een trillende vinger naar de poster. De Amerikaanse vlag die op de vriend zijn mouw geborduurd is, kreukt even, en schiet weer terug in model zodra de jongen loslaat.

- ‘Ja,’ zegt de gemouwde vriend. Hij is niet zo’n prater. Hij is meer het type stille knikker. Voordat hij zijn middelbare school voortijdig verliet, kwam er uit zijn beroepentest waarschijnlijk iets als ‘Heeft talent voor zinloos geweld’. Het sterke, zwijgzame, hardhandige tiep.
Bij nader inzien ogen beide heren alsof ze Charlton Heston zonder met de ogen te knipperen in het gezicht zouden schieten als ze zouden vermoeden dat hij homo was. Of gewoon, zomaar. Ze zien er niet alleen uit alsof ze wapens op zak hebben; ze zien eruit alsof ze nog nooit in hun leven een wapen hebben geregistreerd. Serienummers? Dat zijn toch die cijfers die er al af zijn gevijld?

- ‘Welke is echt? Het is niet wat je denkt,’ bauwt de jongen de postertekst na. ‘Stomme reclame. Het is onwijs duidelijk welke de echte is. De Glock natuurlijk. Die rechtse, ik zeg het je. Dat is de echte. Ze hebben hem roze geverfd zodat het eruit ziet als een speelgoedpistooltje. Maar het is eigenlijk een echte. Zie je dat?’ De jongen zijn opeengeklemde kaken knarsen. Hij steekt zijn vinger nogmaals richting het roze pistool.
- ‘Ja,’ zegt de mouw.
- ‘Kijk dan, zie je hoe dit stuk helemaal hoekig is?’

De jongen kan niet langer stilzitten. Hij duikt naar de poster en trekt met trillende vinger de vorm van het roze pistool na. ‘Typisch Glock, dat vierkante. Zie je die ribbels hier? Een Glock haal je er overal meteen uit.’
- ‘Ja, ik weet wel hoe een Glock er uitziet,’ zegt de vriend, ineens spraakzaam. ‘Het is de blaffer van de wouten. Ik weet precies hoe die er uitziet.’

Iedereen in de coupé valt even stil. Dan schieten de twee mannen keihard in de lach, alsof dat de beste grap was die ze in tijden hebben gehoord. De mouw kijkt even steels de coupé rond. Zij kijken dagelijks in de loop van een politiepistool. Doet ze helemaal niks. Zij zijn namelijk zware jongens. Heeft iedereen dat gehoord? Wij wel.

Ik denk, Jezus, zou dat echt waar zijn? Hebben deze gasten echt een New Yorks politiepistool van dichtbij gezien, en het overleefd? Dat is redelijk imponerend, zeker als je bedenkt hoe schietgraag de NYPD is. Als ze hun eigen mensen niet in de rug schieten, legen ze al eens graag hun Glocks op geesteszieken gewapend met een koekepan.
Als je in de hoek gedreven wordt door New Yorks blauw en je kunt het navertellen, kan dat drie dingen betekenen: je hebt het niet overleefd, je hebt het verhaal verzonnen, of je bent echt een ernstig zware jongen. Ik kijk naar de mannen. Het kan vooralsnog alle drie zijn.

De twee knapperds geven elkaar een blik van ‘Bij de volgende halte maken we dat we hier wegkomen’. Knapperd #1 grijpt Knapperd #2 bij de hand. Klaar om te rennen. Het middelbare pak probeert onze blik te vangen met een uitdrukking van geruststelling – Maak je maar geen zorgen, alles komt goed, gewoon rustig blijven. Hij is klaar om te knokken. Intussen gaan de mannen onverdroten verder.

- ‘De neppe is een Beretta. Kijk, zie je hoe de loop een beetje uitsteekt, hierzo? En die kleine dingetjes hier onderop?’ legt de jongen uit.
- ‘Ja.’
- ‘Maar het ziet er allemaal veels te gedetailleerd uit. Daar kan je aan zien dat het plastic namaak is en geen echte. De Glock is sowieso al van plastic. Dus die ziet er altijd een beetje nep uit. Maar het is een echte.’
- ‘Ja, precies.’

De gast gaat maar door. Hij wijst een hele rij typerende kenmerken aan van beide pistolen op de poster. Hij doet me ineens denken aan mijn ouwe aardrijkskundeleraar op school. Die deed dat ook zo, dat praten en wijzen, alleen dan niet over pistolen maar over de economische en culturele grenzen op de kaart van Europa die hij uit het plafond van het klaslokaal trok. Het enige dat deze jongen nog nodig heeft, is een aanwijsstok.

Onderwijl hebben wij als overige vijf elkaar allemaal nog eens aangekeken. Ik merk dat Ilse en ik rechtop zijn gaan zitten. We zitten op te letten, alsof we weer op school zitten. Als er informatie wordt uitgedeeld, dan zijn we erbij – zware jongens of niet. Daarbij kan het nooit kwaad om je wapeninzicht een beetje op te poetsen als je in de grote stad woont. Het verschil zien tussen een scherpschieter en een losse flodder: het kan zomaar van pas komen. Kom maar door met je kennis! De twee knapperds en het pak hebben de innerlijke leraar onder de opeengeklemde kaken ook herkend. De sfeer in de coupé draait op slag 180 graden om.

De jongen heeft de verandering in de gaten. Hij beseft dat hij met iets goeds moet komen om onze brave burgerharten weer met gezonde angst te vullen. Voor je het weet denken we dat hij geflopt is als zware jongen en toen maar het onderwijs is ingegaan. Kom op!, zien we hem denken. Bedenk iets!
- ‘Ja, en zie je dat palletje naast de trekker? Dat zorgt voor vertraging. Je moet eerst dat palletje indrukken anders kan je de trekker niet overhalen. Man, wat heb ik daar een schijthekel aan.’

Iedereen in de coupé valt even stil. Dan schieten we alle vijf keihard in de lach. Daar had Charlton Heston nou nooit last van.

Wednesday, February 24, 2010

I'm Waiting For The Man


I’m Waiting For The Man – Velvet Underground

Ik heb gister gesnowboard, voor de eerste keer in mijn leven. Op Hunter Mountain, waar ‘alles gericht is op het maken van bergen herinneringen, lach na lach’ – zonder dollen. De afgelopen weken zijn we op tv doodgegooid met de breed lachende professionelen van de Olympische Winterspelen die moeiteloos, het wit van hun ogen nog smettelozer dan hun flitsend gebit, de pistes van Vancouver afzeilen op jacht naar goud.
Tuurlijk, de Winterspelen tonen ook spectaculaire valpartijen. Dat is goeie sporttelevisie. Maar tot nu toe springen deelnemers die koprollen waar ze hadden moeten slalommen na hun ongelukkige val meteen weer overeind. Teleurgesteld, maar nog gewoon helemaal heel, verfomfaaide duimen omhoog. Wintersport is bakken vol ontspannen jolijt! Sneeuw is een fijne, gastvrije plek om te vallen! De snelste deelnemers stralen naar de camera’s terwijl hun concurrenten bovenaan de helling al gretig in de rij staan voor hun aandeel in de pret – en zich plechtig voornemen de sneeuw-engelsporen op de piste te vermijden.

Ik heb sinds gisteren twee dingen geleerd.
Allereerst, dat snowboarden een meedogenloze sport is. Ik ben gemangeld door de babyhelling dat het niet fraai meer was. Ik ben niet de allersportiefste vrouw op aarde. Ik ben misschien van mezelf hier en daar wat onbeholpen. Maar ik had nooit bedacht dat ik geknecht zou worden door een helling van nog geen drie procent. Voor elke keer dat ik overeind kwam, ging ik twee keer onderuit.

Dat komt, een snowboard heeft het temperament van een heel, heel humeurige stier. Op een snowboard blijven staan is te vergelijken met vastzitten op de rug van een tegelijkertijd erg verontwaardigde én onhandige neushoorn op een onverwacht koude steppe. Elke keer dat je denkt dat je op het punt staat om controle te krijgen over de rit, gooit hij je de andere kant op, de bomen in. Of hij boort je, stuitje voorop, de sneeuw in – en met sneeuw bedoel ik opeengepakte muur van wit.
‘Je moet niet de strijd aangaan met je board,’ zegt mijn lief – voormalig semi-prof snowboarder, dus hij weet die dingen. ‘Je moet meegaan met je board. Voel je board. Alleen als je je board laat gaan waar het heen wil gaan, kun je leren hoe je het kunt laten gaan waar jij heen wil gaan.’ Dat is allemaal prima Zen, maar in de praktijk betekent het dit: als ik tegenstribbel, val ik op mijn hoofd; als ik me overgeef aan mijn board, val ik op mijn kont. Ik ben hoe dan ook de Sjaak.

Ik heb ook geleerd dat sneeuw helemaal niet zo’n gezellige plek is om te vallen. Ja, één keer misschien, maar geen zevenentwintig keer achter elkaar. Sneeuw is helemaal niet zacht en pluizig als een konijntje; het is keihard en ondoordringbaar als de Berlijnse Muur. Op een gegeven moment voelt je stuitje alsof het zijn hoofd onder een enorme kerkklok heeft gestoken, precies op het moment dat drie volwassen monniken aan de touwen gaan hangen om de mis te luiden. Het galmt. Na verloop van tijd voelt je stuitje alsof het elk moment vloeibaar kan worden. Een textuur als aspic. Je weet niet meer of je stuitje zweet, huilt, of bloedt, of alledrie. En je wil het ook niet weten.

Vandaag, onder de kennismaking van een trits spieren waarvan ik niet wist dat een gezond lichaam ze mocht hebben, besef ik nog iets. Ik realiseer me dat snowboarden een boel gemeen heeft met proberen om als buitenlander van visum te veranderen in de VS. Hoe meer je probeert om grip te krijgen op je procedure, hoe vaker je onderuit gaat.

Ik was afgelopen oktober op een Manhattans kantoor van Homeland Security, de Amerikaanse Binnenlandse Veiligheidsdienst, om informatie en advies te krijgen over het veranderen van mijn visum van een B2 (toerist) naar een J2 (familiestatus, voor iemand die getrouwd is met een J1 visumhouder – in dit geval mijn lief). Ik had vooraf een afspraak gemaakt, formulieren gegoogled en die allemaal uitgeprint, kopietjes gemaakt van alle papieren die misschien relevant zouden zijn om bij te voegen: trouwakte, paspoort.
Het enige dat ik van Homeland Security nodig had, was antwoord op de hamvraag: welke formulieren en documenten heb ik precies nodig om deze aanvraag tot statusverandering in te dienen?

De kleine dikkerd achter de balie snapt er niks van. ‘Waar kan ik u mee van dienst zijn?’ begint ze het consult. Ik zeg: ‘Ik wil een aanvraag indienen om mijn visum te veranderen van een B2 naar een J2, en ik vroeg me af welke formulieren ik daar precies voor nodig had.’
- ‘Hoe bedoelt u precies?’
- ‘Ik bedoel, ik heb nu een B2 toeristenvisum, maar ik ben onlangs getrouwd met een J1 visumhouder, en dat betekent dat ik in aanmerking kom voor een J2 familiestatus. Ik wil mijn status dus veranderen. Hoe pak ik dat het beste aan?’

De vierkante mevrouw kijkt naar mijn visum. ‘Maar uw visum is nog lang niet verlopen!’
- ‘Dat weet ik,’ zeg ik. ‘Ik kom mijn huidige visum niet verlengen; ik wil mijn status veranderen. Hoe eerder ik mijn J2 status heb, hoe eerder ik een sofinummer kan aanvragen. En dan kan ik op zoek naar werk.’
- ‘Maar het is pas oktober,’ zegt de mevrouw. ‘Uw visum is nog geldig tot in januari 2010.’
- ‘Dat weet ik,’ zeg ik. ‘Ik ben hier niet om mijn B2 visum te verlengen; ik ben hier om een aanvraag in te dienen voor een ander visum, een andere status.’
- ‘Wat voor status dan?’ zegt de mevrouw.
- ‘Een J2.’
- ‘Waarom zou u een J2 visum willen aanvragen? Uw B2 visum is nog lang niet verlopen!’ zegt de mevrouw.

Dit kon nog wel even duren. Maar daar heeft de mevrouw helemaal geen zin in. Achter me staan nog eens negenennegentig stumpers in de rij, en de nabije toekomst belooft een koffiepauze: de mevrouw heeft wel wat beters te doen. ‘Wat voor formulieren heeft u bij zich?’ zucht ze. Ik laat haar de formulieren zien die ik online gevonden heb: ik heb alles geprint waarin iets staat over statusverandering. ‘Vul deze maar in. Mocht u nog vragen hebben: het staat allemaal in dat formulier.’ De mollige vingers van de mevrouw graaien naar een van de formulieren die ik op de balie heb neergelegd. Ze perst het pulp uit de pagina’s die zuchten onder het geweld; als ze haar vingers weer ontspant, zie ik dat ze kuiltjes heeft waar je knokkels hoort te zien. ‘Zorg dat u de administratiekosten betaalt, anders wordt uw aanvraag niet in behandeling genomen.’ Met pen trekt ze een onhandige cirkel om een bedrag op een van de gekreupelde pagina’s.

- ‘Weet u zeker dat dit het goede formulier is?’ probeer ik nog een keer. ‘Ik bedoel, ik heb dit formulier alleen maar van internet geplukt omdat er iets in staat over J1 visa. Er staat nergens wat in over J2 visa. Is dit het enige formulier dat ik hoef in te vullen?’
- ‘Lees het formulier thuis nog eens door, alles wat u moet weten staat erin. Ik ben blij dat ik al uw vragen heb beantwoord. Volgende!’ De mevrouw is er klaar mee. En voordat ik er erg in heb, sta ik weer buiten. Geen idee wat ik moet doen.

Dus ik vul het formulier in dat de mevrouw heeft uitgekozen; ik voeg alle documenten bij waar dat formulier om vraagt; ik schrijf een begeleidende brief, betaal $ 300 aan administratiekosten en stuur alles op naar de Amerikaanse Immigratiedienst (USCIS), ergens in Vermont.

Oktober wordt november; december komt en gaat. Met januari arriveert een blauwe brief. Het is een mededeling van USCIS, ergens in Vermont. Mijn aanvraag is onvolledig. Een blijkbaar nogal cruciaal formulier ontbreekt: een getuigschrift, in te vullen door de J1 visumhouder, waarin wordt aangetoond dat ik in aanmerking kom voor de felbegeerde J2 Exchange Visitor Status. Waarom is dit de eerste keer dat ik hoor van het bestaan van dit formulier?

Intussen is het 22 februari 2010. Een dag na mijn eerste snowboard-avontuur. Ik ruik naar reuzenmenthos, met dank aan de dubbele laag tijgerbalsem in al mijn bespierpijnde hoeken en gaten. We zijn anderhalve maand verder sinds ik USCIS het ontbrekende formulier heb opgestuurd – en een dikke drieënhalve maand verder sinds ik mijn aanvraagprocedure gestart ben.
Ik ben van kastje naar de muur en terug gestuurd door visumvoorzieners die allemaal doorlopend op het punt van zenuwinzinking lijken te staan; ik ben eindeloos in de wacht gezet; als ik al werd doorverbonden met een ambtenaar van de Immigratiedienst, dan kon ik ze nog met geen drie dagen waterboarden overhalen om enige informatie over mijn procedure te delen – USCIS weigert zelfs te onthullen of mijn aanmelding nu wel compleet is. ‘Er zijn nog geen 60 dagen voorbijgegaan sinds we uw getuigschrift hebben ontvangen, mevrouwtje. Uw aanvraag wordt verwerkt in Vermont,’ herhalen ze net zo lang tot ik ze bedank voor hun tijd en ophang. Ik geef het op. Ik geef me over. Ik leer het langzaam. Ik wacht wel.

Het ziet er zo moeiteloos uit, op tv. In Coming To America heeft Eddy Murphy al een vaste baan nog voordat zijn koninklijke penis ook maar kans heeft gezien om weer vies te worden. Je hoort niemand in The Godfather ooit klagen dat ze in de wacht staan bij de IND. De Corleones hoeven nooit door een kwartier aan ingeblikte symfonische rock te tandenknarsen. Misschien doet Marlon Brando de Immigratiedienst een aanbod dat ze niet kunnen afslaan. Misschien overtuigt Al Pacino de ambtenaren dat ze beter nooit meer partij kunnen kiezen tegen de familie – echt nooit meer. Hoe dan ook, het is een grote welkomstmat – doe alsof je thuis bent.

Het goeie, ouwe Amerika van voor de aanslagen van 11 September. Waar kansarme Tsjechoslovaakse meisjes het konden schoppen tot minister van Buitenlandse Zaken en Oostenrijkse Eiken konden verweken naar Californische Governators. Ik vermoed dat Arnold Schwarzenegger en Madeleine Albright niet door dezelfde procedure heen zijn gegaan als ik. Op de een of andere manier denk ik niet dat ze zich door dagen, dan weken, dan maanden van ongeïnformeerd wachten sleepten. Ik kan me niet voorstellen dat Albert Einstein, Irving Berlin, of Ang Lee, of zelfs Martina Navratilova ooit zijn gemangeld door de Immigratiedienst. Had ik maar ergens echt talent voor! Al deze mensen hoefden in elk geval niet langs het xenophobe ontmoedigingsbeleid van Homeland Security – die organisatie is heel erg van na 11 September.

Misschien waren de dingen vroeger domweg eenvoudiger; misschien waren de mensen domweg slimmer dan ik. Misschien waren het wel natuurtalenten, die op gevoel meteen over de pistes van de Immigratiedienst naar beneden zeilden. Net als bij snowboarden is grip krijgen op het systeem ongetwijfeld iets dat je kunt leren. Misschien gaat iedereen wel precies hetzelfde onderuit, de eerste paar keer. Misschien vergeet je alle pijn aan je stuitje zodra je onderaan de berg aankomt. Ik weet het niet. Ik weet wel dat ik tot die tijd maar beter voorbereid kan zijn op een goed rondje mangelen.

Wednesday, February 10, 2010

Brain Damage


Brain Damage – Pink Floyd

Winter in America is cold. En ja, I just keep growing older. Toch begrijp ik het blijkbaar nog niet helemaal. Ik heb me voor het tweede jaar op rij voorbereid op de Amerikaanse ijstijd zoals een klein kind verstoppertje speelt: zo stil mogelijk blijven zitten, handen voor mijn ogen en dan denken dat de kou je nooit gaat vinden. Ik word dan ook altijd gevonden. Winter in Amerika is koud. Ik ken dat liedje. En ja, ik wou dat ik genoeg had geweten van winter in Amerika om de winter in Amerika lekker met rust te laten. Maar hoe had ik kunnen weten dat deze winters zo anders zouden zijn dan de Nederlandse winters waar je zo lekker doorheen Elfstedentocht? Ik kon toch niet weten dat Amerikaanse winter zich verhoudt tot Nederlandse winter als een daadwerkelijke bevalling tot het verhaal dat de meeste moeders je vertellen, naderhand?

Moeders hebben het zelden over de pijn. Van de bevalling, bedoel ik. Tuurlijk, ze zeggen dat het zeer deed, of zelfs dat het allemaal hartstikke zeer deed, maar poetsen daar meteen overheen met een ‘Maar dat was ik allemaal weer vergeten op het moment dat ik mijn prachtige nieuwe kind in mijn armen hield’. Blik in de verte. Zacht blozende wangen in gedempt licht, misschien wat lichte transpiratie op een wolk van geurig haar rond de slapen. Nergens bloed, of slijm. Niemand vertelt je ooit dat bevallen zo ongenadig veel pijn kan doen dat, in het geval dat de dokter in je intiemste vlees moet knippen om te zorgen dat die baby er goed uit kan komen, hij je tijdens een wee opensnijdt – gewoon lekker praktisch, omdat een wee zo ontstellend veel pijn doet dat je niet eens in de gaten hebt dat de dokter je vagina doormidden rijt. Niemand vertelt je ooit dat je ongecontroleerd poept en piest tijdens je bevalling. Niet dat jij of je sluitspier daar weet van hebben; jullie zijn waarschijnlijk te druk met niet flauwvallen en je vastklampen aan de laatste strohalmen van je menselijk besef. Ik bedoel maar: mensen vertellen je zelden hoe het echt zit als het gaat om de grote dingen.

Dus nu zit ik hier mooi, in mid-winters New York, zonder enige voorlichting waar ik wat aan heb. Vervloekt zijn de Rockefeller IJsbaan en de Winteretalages van Macy’s. Winters in New York zijn niet knus en gezellig zoals op de plaatjes. Ze zijn naar en gemeen. Het is niet heel koud in de stad – niet echt. Ik was vorig jaar met kerst in Canada: dat was koud. Het wordt echt geen min 40 in New York. Je haar bevriest hier niet als je alleen maar door het raam naar buiten kijkt. Nee, winter in New York is gemeen op een hele andere manier. Er is de bijtende wind, zo door merg en been dat hij je de adem afsnijdt – de enige reden dat je mensen niet fysiek hoort kreunen als ze onverhoopt naar buiten moeten. Maar dat wist ik al. Ik vond berichten van het kaliber Come on it’s lovely weather for a sleigh ride together al langer ongeloofwaardig (zelfs uit de mond van Ella Fitzgerald). Ik vond verslagen met een waarschuwing, zoals daar is Oh the weather outside is frightful (met dank aan de ongezouten mening van Dean Martin), altijd al waarschijnlijker. Maar dat was nog steeds niet genoeg voorbereiding op de gemenigheid van winter in New York.

Eerst waren er alle normale winterweersignalen: immer rodere wangen, geen gevoel in mijn tenen, tintelende vingers en gloeiende oren. Niks nieuws. Ik heb het type lijf dat gevoelig is voor blozende wangen, een koude neus, bevroren vingers en wintertenen – en dat is nog gewoon in de zomer. In de winter doet mijn lijf een boom na. Dan gaat het ervan uit dat mijn uiteinden er af vallen. Die groeien in de lente wel terug! Het nieuwe aan New Yorkse winter zit in een onverwachte eigenschap. Naarmate de temperatuur hier zakt, word ik statischer en statischer. En ik bedoel serieus elektrisch. Ken je dat, hoe je haar statisch wordt wanneer je een ballon over je trui wrijft en hem dan naast je hoofd houdt? Dat dus. Alleen, ik word niet alleen statisch in de buurt van ballonnen, maar doorlopend. En ik ben niet alleen statisch (met alle gedoe van truitjes die aan je haar plakken, je lijf dat aan je jurk plakt, en sjaals die aan je truitjes, je haar, je lijf en je jurk plakken); elke keer dat ik iets aanraak in huis, ontlaadt die elektriciteit – en kijg ik een elektrische schok.

Overal waar ik ga, ben ik onderworpen aan mini-elektrocutie. Ik raak de oven aan – en krijg een schok. Ik loop naar de badkamer en doe het licht aan – weer een schok. Ik trek mijn schoenen aan en open het keukenkastje – zap. Ik zet de kraan aan – schok. Mijn lief staat op om me te zoenen – mijn lippen krijgen een schok. Ik sta op om mijn lief te zoenen – mijn lippen krijgen een schok (hoe kan het?!). Een romantische vinger kwarktaart zet me onder stroom. Ik raak per ongeluk het douchegordijn aan onder de douche – en krijg een schok. Ik wil een raam openzetten – de duiven op het balkon schrikken van de schok die ik krijg. Ik verschoon het beddegoed – en krijg niet alleen een schok, maar de kussenslopen knetteren en sissen zo kwaadaardig dat ik voorlopig niet bij de wasmand in de buurt kom, laat staan de deurknop. Ik kan mijn koptelefoon niet ophouden als ik mijn jas aantrek of was in de wasmachine stop – dan zet ik mijn oren onder stroom. Ik steek een stekker in het stopcontact – zap. Ik peuter in mijn neus – nou ja, dat dus.

Eerst vond ik het wel grappig. Statisch zijn is weer eens wat anders. Het voelde bijna bijzonder, alsof ik ineens een soort superkracht had – van miniatuurformaat, dat dan weer wel. Ik kon Electro Meisje worden, of Zappo De Geweldige, redder van kleine dingen in kleine nood. Ik zag mezelf al AAA batterijen opladen met mijn blote handen, en dan het leven redden van onschuldigen wier leven zou afhangen van precies die 1.5 volt. Heldin van de mierenhoop.

We zijn intussen drie maanden verder, en ik ben het eerlijk gezegd een beetje zat. Ik ben een keer of 25 per dag het slachtoffer van een micro-terechtstelling door electrocutie. Ik heb geprobeerd om niks meer aan te raken. Ik heb geprobeerd om niks van metaal aan te raken zonder handschoenen aan. Ik heb geprobeerd om steeds eerst het hout van de deur aan te raken en dan pas de deurknop. Ik heb geleerd om de lifknop met een ingejaste elleboog te bedienen. Ik heb het geprobeerd met mijn schoenen aan. Ik heb het geprobeerd met mijn schoenen uit. Soms werkt het. Meestal niet. Ik zeg tegen mezelf, die 1.5 volt, daar ga je niet dood aan. Ik zeg tegen mezelf dat het allemaal wel meevalt. Maar het valt niet mee. Het is wel erg. Het is waterboarden voor beginners. Doorlopende mini-elektrocutie (en, erger: de doorlopende dreiging van mini-elektrocutie) kan een mens breken.

De pijn is niet het ergste: de sensatie is niet meer dan mild onaangenaam, ergens tussen een dof klopje en een scherp scheutje in – dat ligt eraan wat ik aanraak.
Het erge is dat die tikken op de een of andere manier mijn brein opnieuw opstarten. Heel ongemakkelijk. Het gaat zo. Ik spring van de bank met een gedachte om op te schrijven (bijvoorbeeld een prachtig idee voor een verhaal, of een mogelijke oplossing voor spanningen in het Midden-Oosten). Terwijl ik ga zitten om te typen, raak ik mijn bureau aan. Ik krijg een schok, en vergeet prompt wat ik ook weer had bedacht. Ik vergeet niet dat ik iets had bedacht, en ook niet dat ik op weg was om het op te schrijven; ik vergeet de gedachte.
Om mijn mogelijke pareltje te redden, ga ik weer op de bank zitten. Ik probeer mijn brein terug te leiden naar het moment van doorbraak. Soms werkt dat: ik krijg een tweede kans om mijn gedachte onder woorden te brengen. Ik spring van de bank met de versie 2.0 van wat ik had bedacht (in de tweede ronde bijvoorbeeld een vaag vermoeden van de volgende woordgroep in een verhaal, of een mogelijke oplossing voor spanningen in mijn onderrug). Ik raak mijn toetsenbord aan om te typen. Ik krijg meteen weer een schok, en vergeet wat ik had bedacht. Alweer. Het is alsof ik rondren in een vileine cirkel, het hamsterwiel uit de hel.
Ik word gedresseerd op microniveau, door een miniversie van Nurse Ratched in de vlooienversie van One Flew Over The Cuckoo’s Nest.
Ik word op celniveau neergeslagen door een onzichtbare, pijnloze atoomkracht – een vlinder die met zijn vleugels slaat in Tokyo, misschien. Een kleine mot in mijn hoofd, die gaatjes slaat in mijn ooit solide hersenpan. Talmende teloorgang. Het is marteling in de My First Sony versie van Kamer 101. Dat is misschien niet dubbelplus ongoed, maar voor de standaard in het Vrije Westen van 2010 heb ik het ongemakkelijke gevoel dat me een basisrecht, op basiscomfort, is ontnomen. Het is toch niet altijd zo geweest? Of wel?

Het ligt waarschijnlijk aan de droge warme lucht in ons appartement. Mijn lief en ik hebben geprobeerd om de temperatuur in huis aan te passen. Dat kan niet. We kunnen de thermostaat niet lager zetten. We kunnen de thermostaat ook niet uitzetten. Er is geen thermostaat. Ergens in de kelder van het gebouw zet iemand de verwarmingsknop op Aan in oktober, en weer op Uit in april. We kunnen de verwarmingsbuizen in ons appartement saboteren (niet ontkoppelen: de leidingen moeten stuk), maar dat betekent dat de verwarming van alle appartementen boven ons – we zitten op de 12e van 28 verdiepingen – ook helemaal wordt afgesneden. Nog los van het hete water dat ons dan vanuit de onbeschermde leidingen rechtstreeks in het onbeschermd gezicht fonteint. Dat zal je altijd zien. De laatste tijd vullen we lege soepblikken met water en zetten die op de verwarming, in de hoop op een hogere luchtvochtigheid. Dat is niet alleen serieus armoedig; het helpt ook niet echt. Er is domweg te veel droge hete lucht, en geen manier om dat de baas te zijn. Het enige wat we kunnen doen is een raam openzetten.

Maar ja, zet een raam open in de winter en de snijdende wind helpt elke samenhangende gedachte rechtstreeks naar de eeuwige lente. Behalve de kou laat je ook de politie- en brandweerwagens binnen die dag en nacht op de maat van hun eigen woop-woop door de straten denderen, en de zwarte rook uit de verbrandingsoven van het gebouw tegenover. De ramen moeten dicht. En dat betekent dat de oververwarmde lucht ons arme huis en ons zo uitdroogt dat we er droge ogen van hebben, en een trekkerige huid, en bloedneuzen, en, in mijn geval, statische elektriciteit.

Dus daar zitten we dan, in het hart van de Vrije Wereld, niet vrij om zelf onze gehuurde warmte te reguleren. We moeten dezelfde hitte delen met alle huurders in ons gebouw. De conciërges verzekeren ons dat ze er ook niks aan kunnen doen. Zij maken de thermostaatregels niet. En trouwens, we betalen niks extra’s voor al die extra warmte. Wat lopen we te klagen? We zijn allemaal gelijk; we hebben het allemaal even warm. Zo is het nou eenmaal. Zo lang ik denk dat ik recht heb op een andere kamertemperatuur, blijf ik onder stroom staan. Net zo lang tot ik geen weet meer heb van andere temperaturen dan de huidige. Misschien denk ik ergens in een verre uithoek van mijn brein dat ik een herinnering heb aan een tijd en plaats waar mensen vrij waren om hun kamertemperatuur te reguleren, maar dat is overduidelijk een valse herinnering die gewist moet worden.

Dus, hier zit ik dan, op een krakend heldere Februarimiddag, in afwachting van de hevigste sneeuwstorm tot nu toe deze winter, in dit wonderland van liberale democratie. Hier sta ik, het weer af te wachten in een land waar de boze, anti-overheidsgezinde TEA partijgangers zo bang zijn om hun vrijheid te verliezen dat ze liever geknecht worden door hun eigen patriottisme dan bezwijken voor een overheid die ook maar in de verste verte een beleid zou kunnen overwegen dat ook maar in de verste verte zou kunnen lijken op iets wat ruikt naar socialisme (want elke vorm van socialisme staat gelijk aan fascisme. En als dat fascisme niet rechtstreeks leidt tot volkerenmoord, dan toch in elk geval tot doodseskaders in de gezondheidszorg die ’s nachts de deuren intrappen bij onze ouders en grootouders). Voor hen is mijn statische electriciteit en bijkomende teloorgang gewoon het zoveelste geval van dood door electrocutie van de Liberale Democratie – beetje bij beetje, 1.5 volt per keer. Zap!