Wednesday, September 8, 2010

Suffer Little Children


Suffer Little Children – The Smiths

Een vrouw remspoort het restaurant in waar ik werk. Eerst denk ik nog dat de lijn die haar knokkels wittrekt, vastzit aan een overgretig hondje dat – zijn neus achterna, op de achterpoten van de inspanning – onze keuken probeert te vinden, maar dan besef ik dat dat het enthousiast pakketje aan de andere kant van de strakgespannen lijn niet de familiekeffer is, maar een klein jongetje van een jaar of 3. Hij rukt en sleept aan een tuigje waar zijn hele romp in verdwijnt; op zijn rug is het gareel vermomd als een gezellig rugzakje. Waarom laat deze mevrouw haar kind aangelijnd uit?

Ik denk, misschien is dit jongetje wel zo’n wolvenkind waar je eens in de zoveel jaar over hoort; verwilderde kinderen die zijn opgevoed door een roedel wolven of andere wilde dieren. Misschien is de mevrouw een betrokken mevrouw van de Kinderbescherming en de lijn onderdeel van het langzame proces om dit jongetje weer te laten wennen aan de beschaafde wereld. Om ervoor te zorgen dat hij niet overal op andere mensen hun schoenen begint te kauwen, of erger, je zal het meemaken dat het jong zijn territorium afbakent in het openbaar. Intussen heeft het jongetje in de gaten dat niet zjin moeder, maar het rugzakje de directe oorzaak is van zijn beperkte bewegingsvrijheid. Uit alle macht probeert hij de gesp op zijn rug te pakken te krijgen waarmee hij aan de mevrouw vastzit. Hij draait en draait om zijn eigen as als een dansende derwish in volle en zinloze achtervolging, een hond die achter zijn eigen staart aan zit. Ik probeer of ik het gezicht van het jongetje kan zien. Hij ziet er inderdaad wat verwilderd uit.

In tweede instantie ziet het jongetje er vooral nogal gemeen uit. Het kan te maken hebben met het feit dat hij probeert uit te breken – zijn lijfje wurmt alle kanten op, buiten adem, een klein adertje op zijn vuurrode voorhoofd klaar om te barsten – maar het jong ziet eruit alsof hij de boel in de fik zou steken als iemand hem een halve lucifer zou geven. Hoe meer ik naar het jongetje kijk, hoe meer ik denk, dit is nou typisch zo’n jongetje dat de pootjes uit jonge hondjes draait, gewoon omdat het kan. Onze kleine onderzoeker is ook altijd op zoek naar hoe dingen werken; je kan het de ouders zo horen zeggen, een en al verontschuldiging en lachen naar de buren als ze nog maar weer een gemangeld klein huisdier in de achtertuin begraven. Wanneer besef je als ouders dat je een toekomstige seriemoordenaar aan het opvoeden bent? Ik kan me voorstellen dat je de wereld beter zo snel mogelijk begint af te schermen tegen zo’n kind. Hoe meer ik naar dit jongetje kijk, hoe meer ik hem voor me zie, achtergelaten in het bos – in zijn harnasje aan een boom vastgebonden, kijkt hij de rest van de familie beteuterd na terwijl ze de zomervakantie in rijden. En dan, als de wolven komen, zou hij ze een keer aan de oren trekken en twee keer in de ogen prikken en drie keer levend worden opgegeten. Dit jongetje opnemen in hun midden? Dacht 't niet.

Misschien is de mevrouw een van die in de warre moeders, zo druk met het gezin en haar verstand bewaren dat het soms wat te veel wordt en dan vergeet ze wie ook weer welke plaats inneemt in de familie. Ik verwacht half en half dat de familiehond elk moment zal opduiken, kwispelend en niet aan de lijn; misschien in een vrolijk truitje en met een petje op. Lekker op een ijsje slobberen. Dat gebeurt! Verwarring binnen gezinnen over wie wat moet doen. Je moet volgens mij enorm in balans zijn om een gezin te stichten. Aan de andere kant, wat weet ik ervan? Ik heb geen kinderen en ik ga ze voorlopig ook niet krijgen. Los van mijn fysieke angst voor de bevalling kan ik gewoon niet zo heel veel met kleine kinderen. Ik weet nooit zo goed hoe ik me moet gedragen met een kind in de buurt. Ik ben bovenal bang dat ik iets in de dop kapotmaak of traumatiseer. Meestal gebeurt er niet zo veel dramatisch; ik probeer als een blozende idioot om leuk en grappig te zijn, en krijg daar standaard die compleet lege blik op terug die kinderen en katten voor mij hebben uitgevonden. Het is gewoon allemaal nogal ongemakkelijk. En wat als ik een in de warre moeder blijk?



De enige keer dat ik het moederschap met mijn vingertoppen heb aangeraakt was toen mijn oudste zus haar eerste kind kreeg, en ik een paar weken bij haar logeerde om te helpen voor haar en de baby te zorgen. Alles wat ik wist over babies was dat ze veel eten en veel slapen en tussendoor veel poepen; en dat er ouders zijn die tegen alle bezoek zeggen dat ze eerst hun handen moeten wassen voordat ze aan het kind mogen komen. Nou kan ik me soort van voorstellen dat je niet wil dat de crackverslaafde op de hoek zijn rafelige vingers in de mond van je kroost steekt om op te sabbelen, maar ik vind het persoonlijk nogal een belediging als mensen mij vragen om mijn handen te wassen voordat ik een vinger uitsteek naar hun gebroed. Ik bedoel, de gemiddelde baby is best wel vies. Ze hebben bijvoorbeeld geen enkel besef van lichaamsverzorging. Overal maar aanzitten met hun klamme knuistjes terwijl ze voor je ogen in hun broek poepen. Als er iemand zijn handen eens wat vaker kon wassen, dan zijn het de babies, niet het bezoek.

Maar goed. Ik weet misschien niet veel van kinderen, maar ik weet wel dat er ooit een tijd was dat kinderen niet aan de lijn liepen. Vroeger, toen honden en kinderen nog vrij rond renden, was ik altijd op zoek naar een hond om te aaien – willekeurig welke hond, en waar dan ook. Ik was dol op alles met een vacht, en vooral op honden. Mijn moeder moest me elke dag opnieuw manen om altijd eerst te vragen voordat ik aan iemand anders zijn hond zat. Ze keek in verstijfde verschrikking toe, elke keer dat ik op straat of in het park op de grauwende pitbull of hysterische chihuahua van een willekeurige vreemde af rende. Mijn moeder is geen overdramatische vrouw – niet zoals ik in ieder geval – maar ik kan me de diavoorstelling in haar hoofd voorstellen van afgereten vingers, bloed gutsend uit gapende beenwonden en losse lappen vlees van het gezicht van haar jongste die op de stoep achterblijven onderweg van school naar huis. Wat zeg je tegen je man als zoiets gebeurt? Of erger, tegen je eigen moeder? De ik-had-je-nog-zo-gewaarschuwds staan al in de rij. En dus instrueerde mijn moeder me elke keer dat ik naar buiten ging om mijn handen op mijn rug te houden bij alles wat dierlijk was, totdat ik specifiek toestemming had om het aan te raken. Tot op de dag van vandaag verexcuseer ik me elke keer dat ik iemand ongevraagd aanraak – tot ongemakkelijke verbazing van sommige oude verkeringen.

Als kind snapte ik helemaal wat mijn moeder bedoelde. Ik zou ook niet willen dat iemand zomaar aan mijn hond zat. Hey, dat is mijn hond! Ik mag er aan zitten, niet jij. Ga lekker je eigen hond aaien! Sufkop. En dus benaderde ik mensen zo beleefd als mijn op handen zijnde euforie het toeliet, en ik vroeg elke keer netjes of het goed was als ik een hand op hun hond legde. De meeste mensen zijn heel trots als vreemden hun hond leuk vinden en er aan willen zitten. Het is raar hoe anders dat is wanneer het gaat om hun kinderen. Vooral als je bedenkt dat er eigenlijk maar heel weinig mensen zijn die andere mensen hun kind leuk vinden en er aan willen zitten. Je zou denken dat dat een stuk beter gewaardeerd zou worden.



Op een dag liep ik met mijn moeder naar de Jan Linders in het dorp toen ik een poedel zag aan de overkant van de straat. Niet zomaar een poedel. Dit was zo’n hele grote, met volfrans geknipt en alles. Het was een luxe poedel, en er zat een luxe mevrouw aan vast. Ik was al halverwege hondenaaiparadijs toen ik mijn moeder achter me aan hoorde roepen: “Eerst vragen, dan pas aanraken!” En dus vroeg ik of het mocht, mijn gretige zevenjarige vingers samengeknepen achter mijn rug. De luxe mevrouw schatte me kort op waarde en knikte toen, ja, je mag mijn Poedel aanraken. Terwijl ik mijn hoofd in de vacht begroef hadden mijn moeder en de mevrouw een beleefd gesprek – van het ongemakkelijke soort dat niet voortkomt uit de wens van twee vreemden om elkaar te leren kennen, maar enkel en alleen bestaat om te tijd te doden totdat je kind uitgekroeld is met andermans poedel. Mijn moeder had altijd erg veel geduld met die dingen. En dus liep ze op de mevrouw af en zei: “Mijn jongste dochter is dol op honden,” en voegde er haar verantwoorde opvoedregel aan toe zoals moeders in dorpen dat doen wanneer geconfronteerd met de mogelijke dorpsroddeltante. “Ik heb mijn kinderen natuurlijk geleerd om altijd eerst te vragen voordat ze mensen hun huisdier aaien.”

De mevrouw schatte mijn moeder een ogenblik op waarde en knikte: “Mijn idee. Bij die kinderen van tegenwoordig weet je nooit waar ze geweest zijn met hun vingers.” Dat was de laatste keer dat mijn moeder me ooit heeft opgedragen om eerst toestemming te vragen. Niet om grote dolle honden met grote dolle bazen te aaien; niet om te rennen met een schaar; niet om te jongleren met cirkelzagen. Dikke kans dat beledigingen aan het adres van ouders verantwoordelijk zijn voor verminkte en getraumatiseerde kinderen wereldwijd.

Ik kwam aan bij mijn zus zondere enige kennis over babies behalve wat ik aan pasgeboren kinderen had gezien op tv. Ik wist dus dat babies er meteen na de geboorte mollig en tevreden uitzien, alles zacht en roze en schoon met kuiltjes in de knieën, een brede lach en perfecte navels; de moeder is binnen twee weken weer op het werk en het oude gewicht.
In de echte wereld zijn pasgeboren babies nogal ongeloofwaardig. Zo zijn ze bijvoorbeeld onaards vettig. Helemaal niet schoon! En ze passen op de een of andere manier niet in hun huid. Babies zijn een en al rimpel, alsof ze in de baarmoeder als cadeautje zijn ingepakt door een onderbetaalde en onverschillige winkelbediende bij de Donner met kerstmis – en dan zit al die overtollige huid ook nog eens onder de uitslag. Hun hoofdjes staan nog dagen na de geboorte puntig en platgedrukt van het persen door de eeuwig te nauwe doorgang (kan evolutie alsjeblieft iets doen aan die zinloze wreedheid? Kom op!) naar de buitenwereld. Niks geen brede lach voor de nieuwe tante: pasgeboren babies kijken vooral boos en ontredderd, hun gezicht samengeknepen in wat ik maar hoop dat enkel de herinnering is aan de pijn van geboren worden.

Het rare is, toen mijn neefje pas geboren was, pak ‘m beet een uur na zijn geboorte, zag het er helemaal niet uit alsof hij pijn had. Niet samengeknepen, of boos. Ik vond babies eigenlijk altijd niet echt mensen. Ik bedoel, een goed gesprek voeren lukt ze niet, ze poepen in hun broek, en ze weten niet wie ze zijn. Ze deden mij altijd nog het meest denken aan een psychiatrisch patiënt die na 9 maanden gewatteerde isoleercel in het donker voor het eerst weer buiten komt. De buitenwereld veel te schel en fel en hard. Zijn ogen dichtgeperst tegen het verbeten licht, zijn oren overgevoelig voor zelfs het kleinste geluid; zijn hulpeloos lijf vol aangekoekte dode huidcellen en uitslag van het gebrek aan zonlicht. Gewelddadig het licht in geknepen als het laatste restje tandpasta, vindt hij struikelend zijn weg naar buiten. Zwak in lichaam en geest en zonder enig besef van wie hij is, graait hij naar alles wat hij tegenkomt, op zoek naar herkenning. Niets meer dan een overlever.

Maar mijn vers geboren neefje, in de babykamer van het ziekenhuis, was alles behalve een struikelende patiënt. Hij was de Zenmeester uit een film. Het alverwerkende computersysteem uit The Matrix. Een universele satelliet. De Encyclopaedia Brittannica. Uiterlijk volkomen kalm, en vanachter de ogen een bijna bovenmenselijk bewustzijn - van alles. De hele wereld kwam binnen, en hij sloeg aan het verwerken. Er was geen verwarring, niks samengeknepen. Mijn pasgeboren neefje nam zonder met zijn ogen te knipperen alles in zich op. En ik bedoel echt alles. De oren gespitst naar elk geluid in het ziekenhuis – registrerend, categoriserend, kaders bouwend. De neusvleugels trillend van alle geuren in de kamer, in het ziekenhuiscafé op de begane grond, en het zou me niks verbazen als hij ook de bomen en auto’s buiten oppikte. Ik stond erbij en keek ernaar. Ik had nog nooit zo'n geconcentreerde intensiteit gezien, bij niemand. Alle antennes gespitst. Op een gegeven moment verlegde hij zijn blik een keek me recht aan. Ja ja, babies kunnen nog niet kijken, ze zien alleen vage vormen en nog geen kleur. Mijn reet. Mijn nieuwe neefje keek me aan en zag me. Tot op het molecuul. Hij barstte bijna uit elkaar van de nieuwe informatie; daar lag hij, de inkomende wereld te verwerken op volle snelheid, zonder compleet gek te worden. Het effect was na een paar uur uitgewerkt. De volgende dag was hij gewoon een baby, met huilen en poep. Maar ik had hem gezien, op zijn matje. Volledig open voor de wereld, nam hij de wereld volledig op – alles tegelijk. Hoe verwelkom je zo iemand in de familie? Kieke-boe lijkt hoogst ongepast.




Toen ik mijn rimpelig neefje voor het eerst tegen het licht hield, kwam ik erachter dat babies helemaal niet geboren worden met een navel. De navel is ook niet het resultaat van een zorgvuldig gelegd knoopje in de navelstreng. De dokter knipt de navelstreng door op ongeveer 6 centimeter van de babybuik en zet een klem op het uiteinde, zodat de baby niet leegloopt. Het afgeklemde eind navelstreng sterft langzaam af en laat uiteindelijk los. Het achtergebleven litteken noemen we vervolgens beleefdheidshalve een navel. De eerste keer dat ik mijn neefjes luier verschoonde liet ik hem bijna vallen toen ik de blauwige tube vlees aan zijn kleine lijfje zag hangen. Daar hebben ze het op tv nooit over. Ik dacht, dit is het dan. Buitenaards leven bestaat en het heeft mijn familie gevonden om in te broeden. Zelfs toen mijn zus had uitgelegd hoe het zat was ik de eerste vier, vijf nachten nog steeds te verbijsterd om het afgeklemde stervende weefsel van dichtbij te bekijken; elke keer dat ik mijn neefje waste, poetste ik er met een grote boog omheen.

Na een week of wat was ik iets meer gewend aan de verschrompelde uitwendige darm. Mijn neefje leek het niet eens op te merken, dus ik besloot dat het tijd was dat ik me vermande. Ik was toch geen klein kind meer! Daarbij zag de arme jongen zijn buik er intussen onmiskenbaar groenig-grijs uit van het gebrek aan water en zeep. Dus de eerstvolgende keer dat ik mijn neefje waste, hield ik de navelstreng – inmiddels zo ver uitgedroogd dat het nog het meest deed denken aan een uitgedroogd worstevelletje – heel voorzichtig omhoog tussen duim en wijsvinger, en begon voorzichtig zijn buik in te zepen. Een zacht kleverig geluid en een miniem verschil in druk later kwam de streng los. Daar stond ik, mijn neefjes navelstreng in mijn handen, klem en al er nog wel aan vast, maar mijn neefje niet meer.

Ik staarde in verschrikking naar zijn kleine buikje – een fractie van een seconde hield ik mijn adem in en wachtte op het geluid van leeglopende ballonnen, klaar voor de aanblik van mijn neefje maar dan gereduceerd tot een leeggepruttelde zak rimpelige huid. Alleen nog maar verpakking, geen cadeau. Ik had mijn neefje stukgemaakt! Hoe ging ik dat aan mijn zus uitleggen? Het was een ongeluk. Waarom had ze me niet verteld dat ik eerst moest vragen voordat ik iets aanraakte? Ze weet toch hoe onhandig ik ben. Hoe kon ze me überhaupt met hem alleen laten? Dit was allemaal haar schuld!

Mijn neefje smakte met zijn lippen, brabbelde iets over de zin van het leven en plaste toen tevreden op het aankleedkussen. Het zou hem allemaal worst wezen. Deze jongen was klaar voor de buitenwereld.

Intussen zet de mevrouw in het restaurant zich schrap en geeft de lijn een laatste magnifieke ruk gevuld met vastberadenheid, ergernis en nog iets anders. Misschien heb ik het mis maar ik meen een spoor van angst te zien in die ruk. Deze mevrouw gaat haar kind niet kwijtraken vandaag. En dat gebeurt ook niet. Het wilde jongetje wordt met zo veel kracht teruggetrokken dat hij op zijn dik geluierde kont valt en, na de eerste verbazing, begint te huilen. Mamma! De uitdrukking op de mevrouw haar gezicht maakt plaats voor bezorgdheid, liefde en nog iets anders. Misschien heb ik het mis maar ik meen dat ik opluchting zie. Mijn jongetje kan nog niet zonder me. Hij is nog steeds klein. Hij is nog steeds deel van mij. We zijn nog steeds met elkaar verbonden. Ik zie een mevrouw die probeert vast te houden aan dat gevoel van nodig zijn – van toen ze zwanger was. Nodig zijn, niet als verzorger (iedereen kan voor een kind zorgen; mensen doen het voor geld of gewoon omdat het kan, niks vreemds aan) maar als essentieel onderdeel van zijn voortbestaan: de baarmoeder zonder welke dit jongetje niet had kunnen bestaan.

En dan snap ik het ineens. Je kind aanlijnen is niet het laatste instrument van wanhopige ouders, het enige dat ze nog kunnen inzetten om hun ongetemde kind ervan te weerhouden de beschaafde wereld te vernielen. Het is geen vervangend opvoedinstrument voor luie ouders – gewoon aan het touwtje trekken in plaats van je kinderen leren waar en wanneer ze kunnen rondrennen en wat ze wel en niet mogen aanraken en waarom. De lijn is er niet voor ouders die het niks meer kan schelen. De lijn is er voor ouders die het te veel kan schelen. Deze ouders beseffen niet dat de navelstreng van hun kind is doorgesneden en dat het restant met goede reden en een zacht klevend geluid heeft losgelaten. Ze denken dat ze met hun kind verbonden moeten blijven; ze houden krampachtig de klem op zijn plek. De lijn is hun kunstmatige navelstreng, het koord dat hen fysiek met hun kind verbindt totdat ze klaar zijn om het de wereld in te sturen.

Of misschien weet ik er geen reet van. Ik ben geen moeder. Ik ben geen wolvenkindexpert bij de Kinderbescherming. Ik weet wel dat ik, als ik de moeder of deskundige was van dit specifieke jongetje, ook bang zou zijn om de navelstreng door te knippen. Dit jongetje is een leegloper, dat zie je zo. Die gaat onherroepelijk leklopen in ons restaurant, vol over de eetzaal en de keuken in en god weet alle kanten op. En dan kun je wachten op een onsmakelijk ongeluk in alle mogelijke hoeken. Als ik intussen iets geleerd heb, dan is het dat je in Amerika niet aansprakelijk wil zijn voor andermans letselschade. Ook niet als per ongeluk en niet zo bedoeld – bewaar je welgemeende excuses maar voor je familie als je ze moet vertellen dat je de rest van je leven aan het afbetalen bent. Daar gaat het spaargeld, en het collegegeld van je kinderen, en dat van hun kinderen. Allemaal vanwege een nietsvermoedende lunchende dame van de Upper East Side die haar dure heup breekt als ze uitglijdt op weg naar buiten; paniek in de tent, tot iemand een beschuldigende vinger in de richting van de lekgelopen peuter priemt – wie heeft dat kind in hemelsnaam ooit zonder tuigje buiten laten lopen? Dame en restaurant delen hun verontwaardiging en hun advocatenkosten. En daar is deze mevrouw vast niet voor verzekerd.

Monday, August 23, 2010

I Am a Rock


I Am a Rock - Simon & Garfunkel

Er ligt een hond langs de weg. Hij is al een tijdje dood. Zijn maag strak gezwollen van de gassen die rot en ontbinding aankondigen; zijn dooie oren vol uitgebroede maden, niet langer gevoelig voor de gonzende vliegen overal. Onze chauffeur kijkt even verveeld naar het tafereel als we er in een boog omheen rijden op weg naar ons hotel. Ze blikt over haar schouder en zegt: “Als je hier ’s avonds rondloopt kun je maar het beste langs de kant van de weg blijven.” We zijn op St. Croix, een van de Amerikaanse Maagdeneilanden naast Puerto Rico.

St. Croix is Amerika. Alleen dan anders. Geen open vlakten of weidse luchten of wolkenkrabbers hier: het kleine eilandje loopt over met natuur, natuur die continu over zichzelf heen worstelt om bij de zon te komen. Het is een eiland en alles, en met al het heldere blauw en groen van de Cariben, overal palmen en hibiscus, regenwoud en wit zandstrand, banana daiquiries en zonsondergangen kon het zomaar eens een paradijs zijn. En dat is het ook. Het strand van St. Croix en, op een steenworp afstand, dat van Buck Island, stond in de Top Tien Mooiste Stranden (Op Aarde?) van National Geographic, zeggen ze. Grootste levend koraalrif van de Cariben, zeggen ze. Vriendelijkste Mensen ooit, zeggen ze. En inderdaad, waar we ook komen, de eilanders begroeten ons overal zo warm en hartelijk dat we op een gegeven moment vermoeden dat ze een maandelijkse toelage krijgen voor elke “Goeiemorgen” die ze toeristen toewerpen. Of misschien krijgen ze maandelijkse stokslagen voor elke toerist die ze negeren. Het is lastig af te lezen aan de gezichten.

We krijgen een giechelig “Hoi” in koor van drie vlekkeloze tienermeisjes. Ze zitten zoals alleen meisjes in warme landen samen kunnen zitten, op het trapje naar de veranda van een klein huisje. Niet veel ouder dan veertien, hoogstens zestien. Prachtig, zoals de geur van hibiscus er uit zou zien als de geur van hibiscus drie meisjes was. Een van hen breekt de oppervlakte van haar adembenemende gezicht in een lach als we voorbijlopen. Ze onthult de bijna tandeloze spelonk van een geharde heroïneverslaafde. Of misschien is ze gewoon een beetje dom geweest, heeft ze zich deze maand niet aan de eilandregels voor interactie met toeristen gehouden. Nogmaals, het is lastig af te lezen.



Snorkelparadijs, zeggen ze. Zeeschildpadden broeden hier als kippen; jonge citroenhaaien dartelen in hun broedplaatsen, nieuwsgierig naar de gedweeë verpleegsterhaaien. Snoezig, als katjes, en prima veilig om tussen te zwemmen, zeggen ze. Als katjes. De pijlstaartroggen hier, die steken nooit hun pijlstaart recht in je hart of niks; ze roggen gewoon lekker, hun jonge-hondengezichtjes stralen je toe in kwispelend enthousiasme. In het blauwste water ooit kraken papegaaivissen hun hazentanden stuk op koraal; eindeloze scholen lipvissen omhullen de duiker – schieten in een wervelende wolk van glitter omhoog en omlaag en overdwars om hem heen in die vissenchoreografie van aantrekken en afstoten; hun half-bewuste middelpuntvliedende kracht maakt de duiker – ongemakkelijk, te traag, zijn roze vlees nog onwennig met gewichtloosheid – het stralend middelpunt van wat ieder moment kan uitmonden in een uitzinnig haaienvreetfestijn.



Het is een fijn geluid. Het geluid dat papegaaivissen maken als ze een stuk koraal eten, bedoel ik. Ik verwachtte half en half een nat geluid – onder water en alles. Ik verwachtte een geluid zo warm en nat als het geluid dat konijnen maken als ze een wortel eten. Dat is een van de beste geluiden ooit, het geluid van een konijntje dat een wortel eet. Het geluid van veilig en sappig en zacht en roze en zorgeloos. Vreemd genoeg is het geluid van een papegaaivis onder water zo droog als de kraak van een zak chips. Het is een bekend geluid; het geluid van een avond opgekruld op de bank met een film die je al drie keer hebt gezien zodat het niet uitmaakt dat je er doorheen praat – maar onder water is die kraak compleet uit zijn context gehaald. Het geluid hoort thuis op land; als je het onder water hoort, botsen twee onverenigbare elementen ineens zo hard op elkaar dat je met een ruk van je hoofd beseft dat jij, net als het geluid, onder water enorm niet in je element bent.

Je zegt tegen jezelf, Ik ben 80% water, hoe kan ik me nou niet in mijn element voelen? Je wetenschappend liefje zegt, Nee echt, zeewater is juist ons element. Luister, zegt hij, Zout water lijkt zo veel op ons eigen lichaamssap dat je lijf, wanneer je onder water bloedt, niet eens in de gaten heeft dat er iets mis is. Het geeft geen signaal af om het bloeden te stoppen omdat het denkt dat het water om je heen deel uitmaakt van je lijf; het zoute water misleidt je lijf zodat het denkt dat het helemaal geen wondje heeft – je huid is niet lek, dus je verliest geen bloed. En weg is hij weer, op onderzoek in steeds diepere wateren, vrij van angst, compleet op zijn gemak.



En jij blijft achter met een zaadje van het afschuwelijke idee dat zich langzaam wortelt in de donkerste kamer van een geheime kluis in je hoofd: dat het water om je heen op de een of andere manier leeft – dat het niet alleen een thuis biedt aan ander leven, maar zelf een bewustzijn heeft. ’s Werelds grootste levend organisme, met de getijden als harteklop en stromingen als bloedbaan. ’s Werelds grootste roofdier, slim genoeg zelfs om het menselijk lichaam zo in slaap te sussen dat we zomaar, en onopgemerkt, kunnen leegbloeden in haar geduldige muil. Met haar fluisterende branding en het geruststellend wiegen van vergeten baarmoeders nodigt de zee je uit om in haar te kruipen, in foetushouding, je oren te sluiten, alles te laten gaan, alles te vergeten: maar het is allemaal bedrog!

Ken je die mensen die verkondigen dat ze meer van hun hond (of erger: hun kat) houden dan van mensen, omdat dieren nooit tegen je liegen? Die mensen lijden aan de grove misvatting dat natuur op de een of andere manier oprecht is (en dat mensen op de een of andere manier geen deel uitmaken van de natuur). Ze zeggen dingen als, De natuur is misschien wel wreed, maar zo is de natuur nou eenmaal. Of, erger, dingen als Het zit in de aard van het beestje. Ik vertrouw die mensen voor geen meter. Diezelfde mensen staan erbij en kijken ernaar, met gulzige fascinatie, hun vette lege gezichten gespannen zodat ze maar niks missen, elke keer dat er iets bijzonder wreeds gebeurt in de natuur.
Diezelfde mensen richting stichtingen op om zwerfhonden te redden in Rwanda. Het zijn mensen die zich alleen op het meest abstracte niveau bekommeren om andere mensen. Heb Uw Naaste Lief. Wij Houden Van Oranje. Het zijn van die mensen die stellen dat het verschil tussen mensen en de rest van de natuur is dat mensen in staat zijn om te liegen en bedriegen en manipuleren – en ze vergeten gemakshalve dat niet alleen de mens, maar alle natuur van nature liegt en bedriegt. Natuur is alles behalve oprecht en waarachtig. Natuur is een instinctieve trucendoos. Wanneer hun kat een hoge rug opzet of wanneer de kameleon in de dierentuin van kleur verschiet, vinden die mensen dat het schattigste dat ze ooit hebben gezien. Gekke natuur!



En ondertussen is in de natuur zo schandalig veel bedrog aan de gang dat je het bijna niet eens kan geloven, zo erg. Natuur liegt recht in je gezicht, bij elke kans die zich voordoet. Neem onder water. En dan heb ik het niet eens over vissen die naar twee keer hun echte grootte kunnen opblazen, of roofvissen die doen alsof ze zeewier zijn om prooi te lokken. Die oplichterij heeft in elk geval nog een soort menselijke maat: het dier vermomt zich als iets anders, en als je de truc eenmaal doorhebt, prik je makkelijk door het bedrog heen. Ik heb het over het water zelf. Water, de meest verraderlijke van alle natuur. Water vermomt zich niet als iets anders; het probeert jou ervan te overtuigen dat jij iets anders bent dan je denkt. Het kijkt je recht in je gezicht en zegt dat jij water bent – en het is klaar om toe te slaan de seconde dat je even niet oplet.

Water is er natuurlijk niet alleen op uit om jou, de ongelukkige voorbijganger, op te eisen; water is doorlopend bezig om alle aardse zaken terug te stelen – op St. Croix probeert het water het hele eiland op te slokken. Eb en vloed vreten eindeloos aan de kust, slijten steen en glas ongemerkt tot zand; orkanen rijten hele stukken land tegelijkertijd weg en sleuren ze terug de zee in. Water is de olie op het vuur, is de ophitser, de haatzaaier van het regenwoud zodat dat dat ’s nachts kan doorwoekeren over slecht onderhouden wegen. Dat is natuur in een notendop. Altijd aan het proberen om terug te vorderen, uit te breiden, te veroveren, te koloniseren.



Mensen zeggen dat de natuur kwetsbaar is. De mens moet de natuur beschermen. Op St. Croix zeggen de mensen dat je niet aan het koraal moet komen. Als je koraal aanraakt, sterft dat stukje en daar herstelt het koraal nooit meer van en dan ben jij straks de schuld van een compleet dood ecosysteem.
Dat is niet de echte reden om koraal met rust te laten. De echte reden is, als je je huid schaaft aan koraal blijven er stukjes koraal achter in je huid en die groeien door in je lichaam. Het koraal grijpt zich vast aan je botten en infecteert de hel uit je hele lijf als je niet oplet. Koraal is half plant, half dier: het weet hoe het moet groeien in een dierlijk organisme. Het doet maar alsof het mooie plantjes en mooie steen is: geef koraal een halve kans en het neemt bezit van je lijf. Kwetsbaar, mijn reet. Wist je dat het koraal in de Rode Zee een manier heeft gevonden om te overleven in de immer warmere wateren veroorzaakt door het broeikaseffect? Ik zag het op tv. Oceanograaf Philippe Cousteau en zijn team van onwaarschijnlijk mooie mensen schraapten een monster van het koraal en buitelden over elkaar van blijdschap.
In de volgende scène zocht het team naar manieren om erachter te komen hoe dat koraal het deed, zichzelf beschermen tegen warmere temperaturen. Zodra ze erachter zijn, gaan ze koraal overal ter wereld met die techniek bewerken zodat het niet doodgaat als het water verder opwarmt. Mens beschermt natuur zodat natuur nog beter in staat is om hem op te eten. Hebben we dan niks geleerd van alle genetische horrorfilms? Jurassic Park, Deep Blue Sea, Mimic, Splice. De boodschap is toch duidelijk: de mens moet nooit, maar dan ook nooit, nooit proberen om evolutie een handje te helpen. Dat loopt altijd slecht af. Nu, op dit moment, maakt het koraal in de Rode Zee zich op om te kunnen overleven in onze lichaamstemperatuur, en de seconde dat het dat kan, zal geen zwemmer of duiker ooit meer veilig zijn. Je zal zien dat onze tegenreactie op losgeslagen menskoralen gaat zijn dat we papegaaivissen genetisch opkrikken om dat probleem op te lossen. We gaan het nooit leren.



Een oude man spreekt ons aan op het tankstation. Hij wil kleingeld. Recht onder zijn melkachtige linkeroog zijn drie heldergroene godweetwats genesteld; op hun gemak ingegraven in zijn wang parasiteren ze op de man zijn traanvocht als mossels op de rug van de dikkopschildpad die we eerder op de dag zagen. Ik kan mijn ogen net lang genoeg van het groen af houden om de woekerende tumor te zien die uit de man zijn maag naar voren steekt. Een arm, minstens 20 centimeter lang, van levend koraal; de vuist duwt de strakgespannen huid zachtjes tegen de binnenkant van zijn t-shirt. De man zegt dat hij al meer dan 30 jaar op het eiland woont. Ik weet niet of hij ooit nog het water in gaat, maar het water is op zeker al zijn lijf binnengedruppeld; het water is bezig hem langzaam over te nemen sinds dag een.



Water, de meest verraderlijke van alle natuur. Al na een week op het eiland voel je de zachte dwang van het wiegende water aan je trekken als je op het land bent; je moet je best doen om niet te zwalken. Elke keer dat je niet in het water bent, zelfs al na een week op het eiland, moet je jezelf er bewust aan herinneren dat je moet opstaan en naar het toilet gaan als je moet plassen, en het niet zomaar laten lopen waar je zit. En dat is al na een week op het eiland! Zo overheersend is de greep van het water. Je kunt geen moment vergeten dat water alle mogelijke bedrog zal aanwenden om je te bezitten, je te verzwelgen: ze camoufleert zich als baarmoeder, een veilige haven, een warme wieg, een plek om de boel de boel te laten. Ze zal je wijsmaken dat je in haar thuishoort; jij voelt toch ook dat de milde stroming, het moeiteloos bewegen onder water zo veel natuurlijk is dan zwaar en log lopen op het land? In het water wordt nooit iemand zeeziek. We kwamen toch ooit uit de oceaan, lang, lang geleden? Waarom er niet naar terugkeren?

Kom bij me terug, waaiert het bladkoraal je dichterbij. Weet je nog hoe het was? Kom terug, hier hoor je thuis, fleemt het, We hebben je zo gemist. De druk in je oren als je naar de bodem duikt, is zakelijker van toon. Wil je dat de pijn in je oren ophoudt? Dan hoef je alleen maar die navelstreng door te snijden, en je wordt opnieuw geboren. 80% van je lijf is al hier beneden, bij ons; je omgekeerde geboorte is maar 20% ongemak. Wil je een einde aan je pijn? Hou jezelf dan niet langer voor de gek en kom bij me terug. Je klaart je oren en laat jezelf dieper zinken, dieper naar de bodem van de zee. Het voelt inderdaad als thuiskomen. Zou je het proberen? Je mondstuk uitdoen en diep inademen, longen die zich met water vullen in plaats van lucht. Een korte worsteling, ja, maar enkel voor een minuut of wat, en dan – 80% van je lijf begint al te zingen, Jaaaaaa, jaaaaaa, jaaaaaa, we gaan naar huis, we zijn er bijna… Vlak voordat je overlevingsdrang het overneemt en de rest van je lijf omhoog rukt naar zuurstofrijke lucht – maaiende armen, spartelend, proestend, weer hopeloos traag en ongemakkelijk – vlak daarvoor blijkt dat de grootste leugen die water je vertelt, de waarheid is.

Met elke ademteug door de navelstreng van je snorkel moet je jezelf blijven voorhouden, Ik ben geen water, ik ben land; Ik ben geen water, ik ben land. Met elke adem in en adem uit moet je 80% van je lijf verraden om je ware aard te onthouden. Dat fundamentele bedrog is overal om ons heen. Het is binnen in ons. We ademen dat bedrog. Zo zijn we. Ik ben geen water; ik ben een rots. Ik ben het eiland.

Tuesday, July 13, 2010

They Shoot Horses, Don’t They?


They Shoot Horses, Don’t They? – Racing Cars

Bekijk hier de reportage!

‘Heuj? Dat is toch echt een belediging, heuj.’ Stonden we op een willekeurige andere plek op aarde, dan had ik op zeker gedacht dat de man tegenover me aan de bar een grap maakte – maar we staan in Arvada, Wyoming en deze gast is erg serieus.

Wyoming is de meest macho van alle macho staten. Berucht om zijn abrupte weersveranderingen – kneiterheet en zonnig het ene moment; hozende regen- en hagelbuien het volgende – dus ik had me ingesteld op een fijne reeks regenbogen. Maar Wyoming doet niet aan regenbogen. Regenbogen zijn voor mietjes. Voetbal en democraten zijn ook voor mietjes, en groente is het mieterigst van alles, behalve wanneer oogst. Wyoming is voor Marlboro-mannen. De mensen hier rijden paard, vangen stieren met een lasso en dan gaan ze terug naar de boerderij om grote lappen zelfgeslachte koe op de barbecue te gooien. Ze zeggen dingen als ‘Kumpdurgluutuut?’ en ‘Daweutikwa, knoejut’.
Om je een idee te geven van waar ik ben: het vliegtuigje dat pendelt tussen Denver, Colorado en Sheridan, Wyoming (een goed anderhalf uur rijden bij Arvada vandaan) is zo klein dat de voltallige bevolking van Arvada (25 hoofden) er nauwelijks in past. Het is zo klein dat de steward/copiloot ons aanhoudt als we gebukt door het midden naar onze stoelen schuifelen: ‘Maak het je nog maar even niet gemakkelijk, mensen. We moeten waarschijnlijk nog een rondje schuiven, heuj.’ Waarmee hij bedoelt dat ons gezamenlijk gewicht gelijk verdeeld moet worden over de linker- en de rechterkant van het toestel, zodat we niet omvallen midden in de lucht. Ik sta in Arvada, Nergenshuizen, Amerika.



Zojuist, in de lokale kroeg van Arvada, heb ik goedgeluimd cowboys vergeleken met ballerina’s, en op dit moment word ik neergestaard door Bubba, een goeie 250 pond aan geweldenaar die daar de lol niet van inziet.
De hoed, de beenkappen, de sporen, de snor, de sigaret en het goedkope bier; Bubba heeft ze allemaal. Tenzij deze man in een vorig leven deel uitmaakte van de Village People, sta ik oog in oog met een cowboy – een echte. De snor zou het zonder meer goed doen in bepaalde Newyorkse milieus. Maar zoals gezegd, we zijn niet meer in New York – en dit kon zomaar eens slecht aflopen.

Hoe ben ik hier ooit terechtgekomen? Flarden van de afgelopen dagen nevelen door mijn hoofd. Mijn Duitse vriendin Silke, cameraman André en ik hebben mogen ruiken aan de Cowboy Manier Van Leven in Arvada’s Powder River Ranch Cowboy School voor een van Silke’s cultuurreportages in opdracht van RTL Television. Silke en André zijn aan het werk; ik mocht als vrolijke spuit elf met ze mee. Op een paard zitten en koeien vangen. Hoe moeilijk kan het zijn?

Tot nu toe hebben Cowboy Bob en zijn vrouw Betty ons met een bijna schandalige portie geduld en beheersing laten zien hoe je paarden bestuurt. Dat is nog een stuk lastiger dan toekijken hoe Cowboy Bob het doet. ‘Als het goed is, heuj, hoef je niet te schreeuwen, of je zweep te gebruiken om een paard te laten doen wat je wilt. Je wil dat het paard met je meewerkt. Als het goed is, bouw je een relatie op met je paard, heuj – je haalt hem binnen.’ Bob is de Obi-Wan Kenobi van de rijkunst. ‘Je moet het paard bestuderen om hem te begrijpen; als je je paard begrijpt, kun je met hem communiceren. Gebruik je lichaamstaal. Als je het goed doet, is paardrijden als dansen, heuj, je gaat in elkaar op – als je weet hoe je moet leiden, dansen jullie samen door het land in hetzelfde ritme.’ Bob spreekt vloeiend paard. In antwoord op zijn lichaamstaal en minimale gebaren doet het paard precies wat hij wil, wanneer hij het wil. ‘Je moet duidelijk zijn, heuj. Dat is het belangrijkste. Als jij gemengde signalen afgeeft, weet het paard niet wat hij moet doen en daar wordt hij zenuwachtig van. Geef het paard de enkelvoudige energie van wat je wil dat hij doet, en dan doet hij het zonder morren.’ De Kracht Van Het Paard Zij Met Je.



Silke pikt het idee snel op. Toegegeven, Silke is nogal een gebiedende verschijning. Ze weet precies wat ze wil, en krijgt meestal ook precies wat ze wil. Binnen de kortste tijd dirigeert ze Ring, haar paard, door de omheinde arena. ‘Und Links! Rechts! Gerade aus! Goed zo jongen!’ roept ze – camera in de ene hand, Duits bevlagde vuvuzela in de andere – en daar gaat het paard, net zo lang de arena rond tot Silke een stapje terug doet en het met een hand wenkt. Zoals Bob heeft voorspeld, stopt het paard onmiddellijk keurig en loopt gehoorzaam naar haar toe.

Ik ben iets minder imponerend, geloof ik. Ik heb de neiging om heel vaak niet precies te weten wat ik wil. Ik bedoel, ik vind een heleboel verschillende dingen leuk. Ik ben niet zo van de één mening tegelijk. Altijd ambivalent. Ik ben tenslotte filosoof! Helaas vertaalt mijn geen-baan-in-te-vinden-diploma zich in paards naar complete totaalverwarring. Op de eerste dag van cowboyschool probeer ik mijn paard Uno tegelijkertijd alle windstreken op te sturen, met als enig resultaat dat hij er al snel genoeg van heeft en besluit om beter zijn eigen instinct te volgen dan mijn halfslachtige orders.
‘Heuj, het paard mag je graag, maar hij respecteert je voor geen meter,’ sympathiseert Betty. Dat geloof ik graag. Ik heb me het afgelopen half uur in het zweet gewerkt in een poging Uno op afstand te besturen – vanaf de grond, aan de andere kant van een teugel. Ik wil dat het paard naar rechts draait en een rondje rent door de arena, maar tot nu toe komt hij alleen maar op een sukkeldrafje naar me toe om vol genegenheid zijn snuit in mijn bh te begraven en lekker uit te blazen. De 750 kilo aan paardenvlees die met zijn fluwelige snuit worden meegeleverd, leunen zachtjes tegen mijn borsten, en Uno vind het wel best zo.
(Het gaat, dat moet gezegd, al een stuk beter dan vanochtend. Vanochtend zag het paard me nog helemaal niet staan. Cowboy Bob maakte uiteindelijk een eind aan mijn gestumper met een goedbedoeld: ‘Zoals het er nu voor staat, heuj, heeft het paard meer aandacht voor de vliegen op zijn rug dan voor jou.’)

Eerlijk gezegd vind ik dat het helemaal niet zo slecht gaat. Sterker nog: ik vind het óók wel prima zo. Ik heb liever een ongehoorzaam paard dat me mag en negeert dan een volgzaam paard dat me in respectvolle galop van zijn rug gooit.
Stiekem ben ik wel van mezelf onder de indruk: ik vorm zo weinig directe bedreiging voor een kuddedier berucht om zijn alerte nervositeit dat het niet eens echt in de gaten heeft dat ik er ben. Goed, de nieuwe Buffalo Bill ga ik niet worden. Nou en? Ik zou op zeker een super effectieve prairiewolf zijn. Lachende Wolf Decimeert Nietsvermoedende Kudde, stel ik me de krantenkoppen van het Arvada Sufferdje voor. Eens zien hoe je me dan nog mag!

Op de tweede dag van Cowboyschool gaan we op zoek naar de 800 langhoornkoeien die door het eindeloze land glooien, en vinden een deel ervan. Het plan is om ze naar een waterplek in de buurt te drijven. Tegen de tijd dat we het groepje vee hebben gevonden, is Uno in een uitstekende bui; om de twee minuten barst hij uit in een spontane renpartij. Ik klamp zo hard aan de leren riem om het zadel dat ik een goeie kluit angstblaren op mijn witgespannen knokkels heb; mijn dijen zijn rauw. ‘Heuj, het is grappig,’ observeert Cowboy Betty, ‘hoe mensen instinctief verstijven als er gevaar dreigt. Das de adrenaline, heuj. Maar de enige manier om je paard te laten stoppen is compleet ontspannen. Elke keer dat jij je dijen en tenen in zijn flank drukt, en de riem grijpt, heuj, denkt Uno dat je hem vraagt om harder te rennen.’ Mooi is dat. Geef ik een keer een eenduidig signaal af, krijg ik precies het tegenovergestelde van wat ik bedoel. De eerstvolgende keer dat Uno het op zijn heupen krijgt, dwing ik mezelf om te ontspannen. Mijn nogal fantasieloze ‘Whooooaaa’, terwijl ik de leren riem loslaat en zachtjes de teugels aanhaal, doet het wonderwel – het paard zal het worst wezen, maar ondanks mijn gevoel van opgelaten en nep dat ik serieus hardop een cowboygeluid maak, word ik zomaar rustiger van.

Zodra de langhoorns lucht van ons krijgen, spitsen ze hun oren; ze wiegen ongemakkelijk op hun poten in het lange gras, klaar om te rennen. Ze kijken ons niet rechtstreeks aan, maar houden te allen tijde een oog op ons gericht terwijl we langzaam dichterbij komen. De stieren plaatsen zichzelf tussen de koeien en kalveren. Ze vertrouwen ons duidelijk voor geen meter. ‘We willen de kudde niet bang maken, heuj,’ zegt Cowboy Bob (hoewel, zoals hij het zegt klinkt het meer zoiets als ‘De koen moet’n geen engst hen’, heuj’). ‘We willen ze gewoon naar water brengen.’ Dus we moeten heel langzaam en voorzichtig bewegen en niet te veel geluid maken. Dat moet lukken – langzaam en voorzichtig en stil is precies hoe ik me voel. Ik hoef het respect van deze koeien niet te winnen; alles wat ik wil is dat ze me genoeg mogen om mijn arm eierkopje niet te vermalen in klassiek koeiengedrang.



Ik denk aan al deze dingen als we later die avond de Arava bar binnenlopen – André met camera, Silke met vuvuzela en ik met een hopelijk kalmerende glimlach. Als we de deur openduwen, spitsen de zeven dorpelingen aan de bar onmiddellijk hun oren. ‘Hallooo! Wij zijn van Duitse televisie! Jullie dorp is zoooo schattig!’ probeert Silke het ijs plat te walsen – vreemd genoeg niet met gewenst effect. De mannen schuiven ongemakkelijk op hun krukken; ze kijken ons niet rechtstreeks aan, maar houden te allen tijde een oog op ons gericht. De vrouw op rechts gaat zo verzitten dat ze bijna helemaal verdwijnt achter de brede lokale rug van de man naast haar. De barvrouw ziet een mogelijkheid tot verbroedering. Waarom komen mensen naar de kroeg? Om te drinken, redeneert ze. Zelfs buitenlanders. En dus drinken we.

In het uur dat volgt doe ik mijn godgegeven best om zes argwanende cowboys en een wantrouwende vrouw weg los te weken van het idee dat we hier zijn om hun landelijk leven te vernielen met onze grotestadslosbandigheden. ‘Wat moeten jullie hier? En je kunt maar beter eerlijk antwoord geven,’ zegt de cowboy op rechts bij wijze van kennismaking. Ik leg uit hoe ik met beide handen de kans heb gegrepen om een glimp op te vangen van een deel van Amerika dat ik alleen uit de films ken. Ik ben nog nooit in een dorp geweest dat zo klein is als dit, of in een omgeving zo weids. Waar ik vandaan kom is alles klein – de grote steden net zo goed als het platteland. Mijn moeder is opgegroeid op een boerderij, schiet me ineens gespreksstof te binnen; toen ik klein was roerde ik het bloed dat vers de ton in stroomde als mijn oom een varken slachtte in de schuur. Tegen het klonteren. ‘Wat voor soort varkens?’ gromt de man, en: ‘Klunkt als de kleinste boerderie die je ooit hebt gezien.’ Maar ik geloof dat het varkensbloedverhaal zijn knoestig hart langzaam vermurwt – en terecht! En ook als niet: het is hoe dan ook de enige anekdote in mijn repertoire waarmee een cowboy zich misschien zou kunnen vereenzelvigen. Het helpt dat de vrouw – zijn echtgenote, naar blijkt – voorzichtig moet lachen om mijn knullige pogingen tot gesprek. Ze schuchtert langzaam vanachter haar mans rug vandaan om me foto’s te laten zien van haar eerste kleinkind.

We roken sigaretten, binnen, en spugen op de regering (hoewel, als de cowboy het zegt klinkt het meer als regeurng) die zomaar bepaalt dat mensen niet voor zichzelf kunnen beslissen of en waar ze roken of niet. Ergens in het gesprek geeft de man toe dat hij geen geboren en getogen Arvada-naar is. ‘Ik ben verpoot, heuj. Opgegroeid in O-hi-o.’ Hij woont nu 35 jaar in Arvada. Een buitenlander, net als ik. ‘Wij hebben hier heulemaal niks te verbergen, heuj, maar dat betekent nog niet dat oe hier zomaar met oe dure camera’s kunt komen aanzetten en de boel filmen!’ gromt hij.
- ‘Does niet zo lullig, knoejut – hij doet gewoon lullig,’ bevestigt de cowboy aan de andere kant van de bar gezellig de positieve verandering in sfeer. ‘Oe wil maar wat graag met oe lillike kop op tv, daweutikwa, heuj, knoejut.’ Hij tikt tegen zijn hoed en stelt zichzelf voor als Grote Bubba (niet te verwarren met Kleine Bubba, een nogal uitgelopen en goed dronken stalknecht op de kruk naast hem). ‘Ik ben een lassowerper hier,’ zegt Bubba. ‘Dusss, oe hebt rondgehangen bie die lui van de cowboyschool, heuj? Assikut mag vragen, wat hebben de dametjes tot nu toe heulemaal geleerd over cowboys?’

Mijn eerste misser is dat ik ervoor kies om de onverdroten sarcastische ondertoon die aan de snor vasthangt, te negeren. Niks aan de hand, denk ik nog. Ik geef gewoon eerlijk antwoord. In mijn hoofd komen alle dingen samen die ik de afgelopen dagen heb gedaan: de openbaringen van Cowboy Bob over hoe paardrijden net dansen is; Betty’s opmerkingen over spierbeheersing; de spieren in mijn eigen dijen, rauw op plekken waarvan ik niet eens wist dat ze bestonden. Ken je dat, dat gevoel dat beetjes en weetjes van een groter geheel ineens in elkaar klikken, als een autogordel? Dat heb ik nu, op dit moment. Dat gevoel van volle-vaartveiligheid. Ik wijs naar mijn pijnlijke benen – dat ze zien dat ik niet eens rechtop kan staan van de spierpijn – en strek mijn armen uit voor mijn borst, vingertoppen tegen elkaar, in wat in mijn hoofd een universeel grappige combinatie is van cowboy-o-benen en een plié, en zeg: ‘Ik heb geleerd dat cowboys eigenlijk net ballerina’s zijn. Kijk, jullie staan precies hetzelfde!’



Ken je dat, de manier waarop dingen die in je hoofd een groot blok gezond verstand lijken, compleet uit elkaar vallen als je ze eenmaal hebt uitgesproken? Dat heb ik nu, op dit moment. Dat gevoel van zo goed als verongelukt. Iedereen in de bar zwijgt. Ik zie het stugge haar overeind springen in de stompe nekken van de mannen. De vrouw huivert en duikt weg achter een rug. Na een eeuwigheid boort Bubba langzaam zijn blik in de mijne, en zegt: ‘Heuj? Dat is toch echt een belediging, heuj.’ Alle ogen in de bar zijn nu op mij gericht.

Daar sta ik dan, in de Arvada bar in Wyoming, op het punt om te worden vermalen. Ik kijk om me heen en merk voor het eerst de ontelbare opgezette dierenkoppen op, aan de muur van de kroeg – precies als in al die barretjes in de stad, waar trotse foto’s alle beroemdheden tonen die ooit voet binnen hebben gezet, met vaste hand geschoten en aan de muur gehangen. In de Arvada bar zijn exemplaren te vinden van alle mogelijke wildstand die ooit door deze contreien heeft gestruind – met dubbelloops geschoten en aan de muur gehangen. Prairiehond, coyote, dikhoornschaap, poema, hert, langhoorn, eland, bizon en beer kijken allemaal op me neer met de oneindig droevige wijsheid van al wie uit de eerste hand te maken heeft gehad met Cowboy Gramschap. Tijd om engst te hen’. En echt. Er zit maar een ding op.

‘Whooooaa,’ zeg ik. ‘Ik kan het uitleggen.’ Bubba’s pupillen vernauwen terwijl ik me door een nogal haperende versie van Cowboy Bob’s prachtige ruitersfilosofie worstel. Bubba’s snor trilt als hij uiteindelijk zijn keel schraapt. ‘Heuj, ik rie toevallig rodeo op wilde Colts en ik kan oe zeggen dada heul niks te maken het met een of ander mieterig dansje. Wasda, proaten met een peerd? Die peerden luisteren niet noar oe godvergeten kom-mu-ni-kaat-sie. Oe moet zo’n peerd er onder krieg’n voordat die knoejut oe er af bokt. Oe moet de macht hebben, het peerd loaten weten wie de boas is. Oe…’
- ‘Hmm, ik snap wat u bedoelt. Dat klinkt inderdaad niet als een dans. Dat klinkt meer als een huwelijk.’ Ik kan er niks aan doen. Ik zit op volle ramkoers. De rest van de bar is nog steeds stil. Bubba staat half op van zijn kruk, zijn mond open in herinnering aan de kleine ronde ‘o’ van zijn onderbroken verhaal. Heeft hij een hand op zijn holster? Wijsneuzige Buitenlander Gedecimeerd Door Boze Menigte, stel ik me de krantenkoppen voor.

Dan splijt het gezicht van de barvrouw uiteen in een brede grijns. Wat begint met een verstuikte grinnik gaat over in een slappe-lachexplosie. ‘Hejje dat? Dat is het lolligste da’ik ooit heb geheurd! Bubba. Bubba! Hejje dat geheurd?’ Ze heft een hand om me over de bar te feliciteren; met de andere veegt ze een traan van haar wang. ‘Als een huwelijk! Ik blief er nog in!’ Ik kijk om me heen, beduusd, kloppende angstblaren. Iedereen lacht weer – voorlopig, tenminste. We bestellen nog een drankje. Ik ben niet op zoek naar jullie respect, heuj; ik wil gewoon dat jullie me een beetje mogen.

Tuesday, June 29, 2010

Push Up


Push Up– Freestylers

'Mevrouw! Hee mevrouw, wacht even!' Het duurt even voordat ik in de gaten heb dat de Aziatische dame die vanaf de overkant van de straat al roepend mijn kant op galoppeert het tegen mij heeft. Heb ik iets laten vallen? Of erger: heb ik iets op haar laten vallen – of, nog erger: op het ongeboren kind in haar buik? Komt ze me aanklagen? Me leegtrekken voor elk kwartje dat ik heb in een jarenlang slepende procedure? Of gaat ze zometeen eindeloos van leer trekken over hoe de Heer me zal neerslaan tenzij ik een goeie partij boete doe, en wel nu? Of staat ze op het punt om me de weg naar het MoMa te vragen?
Ik hoop het laatste. Ik weet toevallig de weg naar het MoMa, en naar nog veel meer culturele bestemmingen in de stad. Ik vind het fijn als mensen me de weg vragen, helemaal in Midtown. Dan voel ik me in een klap geboren en getogen, de lokale Newyorker, en daar ga ik altijd breed van lachen.

Ik hou er aan de andere kant in het geheel niet van wanneer topzware niet grappige mannen kaartjes in mijn gezicht duwen en vragen of ik van lachen hou, en al helemaal niet in Midtown. De veel te kort van stukke, treurig ogende komieken hangen rond op de straathoeken van het Theaterdistrict in Manhattan, waar ze proberen om te dure kaartjes te slijten voor hun te goedkope stand-up comedy shows. Zij redeneren, als je van lachen houdt, dan lach je vast ook om hun show. Niet omdat hun grappen om te lachen zijn, maar gewoon omdat je eerder nog hebt aangegeven dat je nou eenmaal graag lacht. Je zei het zelf! Gegarandeerd gezellig publiek.

'Welke maat bh heb jij?' vraagt de dame naar aanleiding van niks. Ze priemt een zorgvuldig gemanicuurde vinger richting mijn linker tiet. Ik doe onwillekeurig een stapje naar achter; de dame doet een stapje naar voren. We doen een ongemakkelijk klein dansje op de stoep terwijl de dame onverdroten doorvraagt naar de omvang van mijn borstkas. 'Je bent een goeie C zo te zien, toch?' De dame fronst zakelijk terwijl ze langs mijn sleutelbeenderen naar beneden tuurt.

– 'Uhh...' Gek genoeg denk ik niet, Ho es even dame, dat gaat je geen reet aan, en wil je wel eens niet zo naar mijn tieten staren (ongetwijfeld de reactie van de geboren en getogen Newyorker). In plaats daarvan vraag ik me af waarom ik juist vandaag, van alle dagen, een Victoria’s Secret Wonderbra aan heb, een model bh dat ruwweg vertaald kan worden naar: Het Is Niet Wat Het Lijkt. Ik heb geen C-cup. Ik ben niet eens een heel overtuigende B, eigenlijk. Borsten groeien niet zomaar door zoals neus of oor, of goudvissen, of omdat je het heel graag wil, heb ik me eindeloos laten vertellen. Dus, om er uit te zien als een geboren feestelijke C, doe ik zo af en toe gewoon lekker alsof. Mijn opduw-bh is goed gewatteerd, zodat je geen spoor van mijn tepel of natuurlijke borst ziet, behalve dan het decolleté waarvan ik zonder bh alleen maar kan dromen.




Toen ik mijn opduw-bh kocht bij Victoria’s Secret in de Upper West Side, struikelde ik langs de rekken bovenop de vreemdste bh die ik ooit heb gezien: een volledig gewatteerd superopduw-model met ingebouwde tepels. Deze bh was een set tieten op zichzelf, anatomisch correct alleen dan zachter en wasbaar in de machine – en van het type dat ieder knokig kippenborstje ogenblikkelijk transformeert in een decadent bolwerk van nylontepelige pracht. Ik stel me zo voor dat de Tepel-bh voor borsten doet wat (pakweg) een Ferrari Testarossa doet voor kleine penissen. Het idee achter de gefabriceerde tepel is dat je kunt doen alsof je helemaal geen bh draagt. Je eigen tepels – nooit meer koud of nieuwsgierig, want begraven onder lagen en lagen polyester – zijn ingenieus vervangen door een setje duurzame neppers. Een prachtige, frisgeschoren (niemand hoeft zich geaffronteerd te voelen, want ze zijn niet echt!) manier om met tepels te pronken. En als ze toch nep zijn, dan hoef je je ook niet langer opgelaten te voelen als ze door je shirt heen priemen. Op naar de natte t-shirt wedstrijd. Niet vergeten om te doen alsof je je schaamt zodra je polyester knoppen aan het bloeien slaan!

Een paar blokken bij de Victoria’s Secret winkel vandaan zit nog een ondergoedwinkeltje, een klein tweerekkengeval met nogal mottige bh’s, waar ze achterin een bescheiden selectie sexy ondergoed hebben: vier of vijf verschillende bodystockings waar de bovenste helft van de borst is uitgesneden. Dus ja, als je die aantrekt, dan worden je borsten opgeduwd zoals in de Tepel-bh; het verschil is dat je in de merkloze bh je echte, eigen tepels kunt zien. Het rare is dat de tepels van het meisje op de verpakking uit de foto zijn weggefotoshopt. In het land van de vrijen worden meisjes aangemoedigd om met tepels te koop te lopen door tegelijkertijd hun eigen tepels weg te stoppen en te doen alsof ze geen bh aan hebben maar wel gigantisch pronte pornotieten, maar je mag de echte tepel van een meisje dat notabene een bh aanheeft niet laten zien.

Vreemd genoeg betekent dat uiteindelijk dat vandaag de dag hele hordes vrouwen hun tepels verbergen zodat ze ermee kunnen pronken – alleen dan wel op een sociaal aanvaarde manier. Onze eerste generatie feministen moet huilend in haar bed liggen ’s nachts. Het zou me niks verbazen als de nieuwe generatie gewatteerde bh’s niet eens brandt als je ze in de fik zet. Waarschijnlijk roken ze wat en lopen dan met een sisser af. Of ze smelten langzaam tot een keiharde klont aan geblokkeerde tiet.

Intussen in het Theaterdistrict ben ik me akelig bewust van de gevoeligheid van mijn situatie. Ik zit vast in een dilemma. Wat vertel ik de Aziatische dame die in mijn opgevulde ribben staat te porren? Ik kan bluffen en zeggen, 'Yep, ik ben een C, altijd al geweest, en kun je nou als de sodemieter ophouden met naar mijn god gegeven zondekussens te staren?' Of ik kan toegeven dat mijn (inderdaad) verrukkelijke decolleté slechts het resultaat is van een goed gewatteerde voorkant, en mezelf belachelijk maken. Liegen, en daarmee in het gezicht spugen van alle vrouwen die ooit waagden om uit hun corsetten te breken, en in een moeite door het door mijn moeder en haar generatie zwaar bevochten recht op zelfbeschikking onderuit halen, of waarachtig te kijk staan voor een volkomen vreemde mevrouw? De dame is zonder twijfel op zoek naar een eerlijk antwoord. Maar kan ze de waarheid wel aan? Trouwens, de mogelijkheid bestaat ook nog dat ze mijn tegennatuurlijk gebrek aan tepels opmerkt en me ontmaskert als de rozijnensmokkelaar (zoals mijn vrienden het immer subtiel uitdrukken) die ik eigenlijk ben.

De dame voelt mijn ongemak, maar dicht die abusievelijk toe aan het feit dat ze me een ongepaste vraag stelde, in plaats van aan mijn innerlijke post-feministische strijd. 'Donna Karan komt naar New York, en het is de bedoeling dat ik haar aankleed voor een evenement. Ik weet haar kledingmaat wel ongeveer,' begint ze uit te leggen. 'Maar haar pr-mensen hebben haar bh-maat niet doorgegeven. Ik heb wel wat publiciteitsfoto’s, maar die zijn intussen al van jaren geleden.'
– 'Oh joh,' leef ik mee. 'En er zijn zeker wat kilo’s bijgekomen?' Ik weet ongeveer wie Donna Karan is. Nou ja, ik weet dat ze kleding ontwerpt en ik weet dat ze behoorlijk oud is intussen. Ik stel me zo voor dat ze zichzelf wat heeft laten gaan. En terecht ook. Ze moet het goed zat zijn om jaar in jaar uit haar eigen maatje 0 te dragen. Tijd om te ontspannen en haar rollen lekker te verpakken in iets XL-erigs, gekocht in een winkel met Grote Maten Mode op de gevel. Of Mode Voor Een Maatje Meer. Scandinavische Mode.
'Nee, nee, nee!' De dame kijkt me vol ongeloof aan. 'Ze is juist de afgelopen tijd enorm afgevallen!' Hoe kan ik dat niet weten?
'In elk geval...' Ze ziet mijn vergissing door de vingers, hoogstwaarschijnlijk omdat ik het merendeel van mijn commentaar alleen maar in mijn hoofd dacht, en niet hardop heb uitgesproken. 'Ik ben al heel de dag op zoek naar iemand met haar bouw, en volgens mij hebben jullie dezelfde maat. Dus als ik jouw cup-maat weet, kan ik haar eindelijk een paar bh’s gaan kopen.'

Ik voel me vreemd gevleid. Donna Karan en ik hebben dezelfde kledingmaat – en nog wel nadat ze zo enorm is afgeslankt. Niet slecht! Maar dan herinner ik me dat ik geen idee heb hoe Donna Karan er uitziet. Voor hetzelfde geld was ze in haar hoogtijdagen een totaal nijlpaard en is ze precies genoeg kilo’s kwijtgeraakt om in aanmerking te komen voor een maagbandoperatie.

En zomaar ineens is de gedachte om te worden verward met een rondborstig type niet zo aantrekkelijk meer als eerst. 'Ik heb geen C-cup. Ik heb gewoon een enorme bh aan, met gewatteerd en alles. Opduw, snap je. Dan zie ik er veel groter uit dan ik eigenlijk ben. Ik ben een klein B'tje, of misschien niet eens, geloof me!' gooi ik eruit. Het feminisme kan me wat; ik ga me toch zeker niet laten aanzien voor een of ander dik wijf!

Monday, May 24, 2010

Mr Pleasant


Mr. Pleasant – The Kinks

‘Dat is geen bloed mevrouw! Ik zeg het u meneer, dat is geen bloed!’ de kleine Indiër gebaart of zijn leven ervan afhangt. Hij probeert ons ervan te overtuigen dat de roest-rode vlekken die we zojuist hebben ontdekt in de beddelakens van zijn Pleasantville motelkamer niet van mens of dier afkomstig zijn, maar veeleer het wat ongelukkig ogend maar juist heel hygiënisch neveneffect van de uitbundige wasbeurten waaraan hij zijn lakens dagelijks onderwerpt. Hoewel wij zelf tot dan toe het woord ‘bloed’ nog niet in de mond hebben genomen in bijzijn van de Indiër, was het – eerlijk is eerlijk – het eerste dat ons allebei te binnen schoot toen we de lakens opensloegen. Nou ja, ik was nog steeds aan het bijkomen van de honderden donzige haartjes (‘Hey, volgens mij heeft iemand een klein huisdiertje geschoren in dit bed,’ merkte mijn lief Scot op) die om aandacht vroegen toen we voor het eerst onder de dekens keken.

De weg naar Pleasantville, New Jersey biedt de perfecte vluchthaven voor wie volledig is uitgekauwd en opgeboerd door nabijgelegen Atlantic City. Atlantic City is de gokhoofdstad van de Oostkust – denk Leaving Las Vegas, maar dan zonder die betoverende schone schijn. Ons motel is het type plek waar je warm wordt onthaald wanneer je alles wat je ooit liefhad, bent kwijtgeraakt in dat ene onzalige potje craps. Het is de perfecte steen om onder weg te kruipen wanneer je niet naar huis wilt, of kunt, simpelweg omdat je je autosleutels hebt vergokt in een poging om je hypotheek terug te winnen. Ons motel is de plek waar je aanspoelt als je door de plee bent getrokken. Erger: waarschijnlijk denkt iedereen die hier platzak terechtkomt dat hij niet beter verdient dan deze plek. Het haar en bloed op de lakens zijn dan niet meer dan een kleine herinnering aan wat je nog aan menselijkheid rest. Ik vermoed dat de Indiër die het motel runt weinig klachten krijgt.

Maar ja, wij zijn toevallig blij en rijk, en gezond bovendien, en – ondanks onze zin voor avontuur op deze weekendtrip naar Maryland op zoek naar gestoomde krab (geen craps) – we verwachten een basisniveau aan hygiëne, zelfs in een motel van 40 dollar per nacht. Het motel adverteert met gratis HBO op tv; we gaan er eigenlijk voetstoots van uit dat een televisiekanaal waar gevloekt mag worden nog altijd ná schone lakens komt. Natuurlijk hebben we als we de oprit oprijden nog geen idee dat dit motel elke vorm van proper vierkant in het gezicht uitlacht. We komen er ook niet achter als we de kamer binnenlopen, vooral omdat het grote licht het niet doet. Tuurlijk bespeuren we de weeïge hint van natte, visverpakte krant in de lucht, maar die schrijven we als altijd toe aan New Jersey – daar ruikt het nou eenmaal raar.
We merken pas dat er iets niet helemaal in orde is wanneer Scot op de tast langs de muren de lichtknop zoekt van het nachtlampje en opmerkt dat de muren vreemd zanderig aanvoelen; op zijn vingers blijft een stroperig filmpje achter, meldt hij.

Het licht in de badkamer werkt wel. In het morsig schijnsel doemt een beeld van de kamer op. We staan in de overblijfselen van wat ooit een pervers hobbyproject moet zijn geweest van de liefdesbaby van een suïcidale loodgieter en een sadistische interieuradviseur, die na een zware overstroming en één blik op de waterschade de boel de boel heeft gelaten. Zwartgeblakerde stopcontacten lijken in een woedeaanval uit alle vier de muren getrokken, enkel nog door navelstrengen van onbeschermde bedrading verbonden met een klam netwerk dat diep verborgen ligt achter lagen en lagen opgezwollen behang dat in lange vellen loslaat langs de muren.



De muren veren letterlijk mee als je ze aanraakt – er zit minstens zes centimeter dik aan behangpapier, de ene laag na de andere tegen de grenzen van de kamer gesmeten. De koelkast en magnetron erbovenop zijn niet aangesloten; de stekkers slingeren doelloos boven het tapijt in een lusteloze jacht op de platjes die ongetwijfeld de tijd van hun leven hebben in de vezels. Iemand heeft eten achtergelaten in de koelkast, in een plastic zak. Scot – immer de wetenschapper – trekt de zak met twee vingers dichterbij voor nader onderzoek, tot de doffe geur die uit het vochtige binnenste weglekt hem ervan overtuigd dat hij bij nader inzien toch eigenlijk niet hoeft te weten wat er in zit.
De airco ziet eruit alsof ze de laatste keer dat iemand probeerde om haar aan de praat te krijgen, is onploft. Waarschijnlijk is diegene die de moed had om de poging te wagen, mee-ontploft; alle mogelijkheid tot identificatie moet als natte confetti door de kamer zijn gesproeid, redeneren we – dat verklaart het ondefinieerbare patroon aan vlekken tegen het plafond. De tv werkt. Soort van. Veel sneeuw. Geen HBO.

In het grote geheel der gevaren voor de gezondheid zijn de geen-bloedvlekken en het haar waarschijnlijk de minste van onze zorgen, maar we beslissen dat ze een mooi uitgangspunt vormen om de Indiër om een nieuwe kamer te vragen. Ik word erop uit gestuurd om ons te laten overplaatsen.

‘Hallo!’ kraait de kleine Indiër in het kantoortje als hij me ziet. Hij doet geen moeite om de nattige kruimels van wat hij ook aan het eten is, van zijn trui te vegen. Hij lacht zijn natte-kruimeltanden bloot. ‘Heeft u besloten om alsnog voor 10 dollar een afstandbediening te nemen?’ Nee, leg ik uit, we willen graag een andere kamer. De man lijkt volledig van zijn stuk gebracht door mijn verzoek. ‘Hoe bedoelt u?’ kermt hij, zijn handen al halverwege de hemel.
Ik vertel hem over de vlekken en het haar in de lakens. ‘Nee, nee, nee, mevrouw, onze kamers zijn heel erg schoon,’ verzekert de man me. Ik wijs hem erop dat we al in de kamer zijn geweest en dat het daar zeer zeker niet schoon is. ‘U heeft het zeer zeker mis. Onze kamers zijn altijd schoon,’ houdt de man vol. Ik vertel hem over de waterschade en de losgetrokken stopcontacten en de algehele stroperigheid van de dingen. De brede lach van de man verandert inmiddels in een blik van zware teleurstelling en belediging.
- ‘I kan u niet geloven. U bent een erg vreemd persoon. Ik wens dit met eigen ogen te zien,’ poeiert hij mijn opsomming af, en stormt het kantoortje uit om de kamer te inspecteren waar Scot intussen uit alle macht probeert om tegelijkertijd zo ver mogelijk bij alle muren en het plafond uit de buurt te blijven – een kwetsbare positie die in de verte doet denken aan een magneet in een spanningsveld, tegelijkertijd afgestoten van en aangetrokken tot een zeer onstabiel centrum.

‘Kijk!’ vertellen we de man. We attenderen hem op de haartjes.
- ‘Waar heeft u het over? Ik zie niks.’
- ‘Kijk dan, daarzo! Op de lakens!’
- ‘Ik zie helemaal niets verkeerds,’ houdt de man vol.
- ‘Serieus, kijk dan toch!’ We wijzen naar de gaten in de muren, en de aanzwellende massa gruizig behang. De man raakt intussen licht geprikkeld. ‘Wat probeert u mij te vertellen? Dat mijn kamers niet schoon zijn? Mijn kamers zijn altijd zeer, zeer schoon!’ We besluiten hem de vlekken te laten zien. De man reageert als door een wesp gestoken. Terwijl hij ons om de oren slaat met zijn deze-was-ziet-er-alleen-maar-zo-vies-uit-omdat-hij-zo-schoon-is-verdediging, staat hij te stuiteren van verontwaardiging. Hij gebaart zo driftig dat we bang zijn dat hij zichzelf elk moment de nacht in kan propelleren – of richting het plafond om daar de vlekken die we nog niet hadden genoemd van dichtbij te bekijken. Maar nee. Als hij merkt dat we niet onder de indruk zijn van zijn verhaal, richt hij zijn maaiende armen op Scot en dirigeert hem naar een kant van het bed. ‘Nou vooruit dan maar. Ik geef u een andere kamer. Maar alleen voor deze ene keer. En u helpt me het bed opnieuw op te maken.’

Scot staart naar mij, dan naar de man. Meent hij dat serieus? ‘Alstublieft, neem het laken in uw linkerhand en trek het recht naar de hoek, alstublieft,’ zegt de man; zelf stopt hij het bevlekte laken aan zijn kant van het bed alvast keurig in, met haar en al. We zijn allebei te overrompeld om er iets van te zeggen; al wat we kunnen doen, is meewerken. ‘Nee, nee, nee, meneer, niet zo!’ instrueert de man Scot. ‘U moet zorgvuldiger zijn. Trek het laken precies tot aan… Dat is al beter… En nu hetzelfde met de deken… Nu vouwen we het uiteinde precies 5 centimeter terug. Let u intussen wel goed op?’ De man draait zich naar mij. Reken maar dat ik oplet. Ik sta vastgenageld. ‘Ha ha, let maar goed op mevrouw, dan kunt u thuis het bed voor uw man opmaken,’ grinnikt de kleine man voordat hij zich met hernieuwde energie op het stoffige bedovertrek stort. ‘Het is zeer belangrijk om een bed goed op te maken. Meneer!’ Hij richt zich weer tot Scot. ‘Wat doet u nu? Help me om dit recht te krijgen! Daar aan trekken! Die hoek instoppen! En raap dat kussen op!’

Vijf minuten en een volmaakt opnieuw opgemaakt – en nog steeds net zo smerig als dat we het aantroffen – bed later, drentelen we naar onze tweede kamer van de avond. Een snelle inspectie leert dat deze in iets minder verregaande staat van ontbinding verkeert dan de eerste kamer. De lakens zijn schoon. Vooruit dan maar. Hoe zit het met de beloofde HBO? vragen we de man voordat hij de deur uit kan stormen. ‘Ja, natuurlijk hebben we HBO! Het zit op kanaal 3!’ Onze gastheer heeft het duidelijk met onze belachelijke eisen gehad. Ik zet de tv aan; de zender springt naar 47. ‘Een voor een de kanalen naar beneden drukken tot u bij 3 bent! Niet zo snel! Niet zo snel!’ zegt de man gejaagd. Wanneer ik, twee minuten na een oneindigheid, bij kanaal 4 terechtkom, verspringt de zender rechtstreeks naar 2. ‘Ziet u?’ Ik kan het niet helpen. ‘Geen HBO.’ Met zichtbare tegenzin trekt de man een afstandsbediening tevoorschijn. ‘U daar, druk op de aanknop van de tv. Blijven drukken! En draai aan de knop achter u, op de muur. Nu!’ Terwijl ik druk en draai, toetst de man 0-3 in op de afstandsbediening en houdt de knop net zolang ingedrukt tot, uit het niets, een zender op het scherm verschijnt. Het kan alles zijn – het zou zelfs zomaar eens HBO kunnen zijn. Als we tien minuten later van zender wisselen, vinden we het kanaal niet meer terug.

Voor nu weet de man op zeker dat we tevreden moeten zijn. ‘Wel, goedenacht.’
- ‘Wacht!’ roepen we hem na. ‘Er lag nog eten in de koelkast in de andere kamer, misschien kunt u…’
- ‘Natuurlijk. U bent zeer welkom om het naar uw nieuwe kamer over te brengen,’ zegt hij en loopt de deur uit, onverslagen. De bank wint altijd.

Friday, May 21, 2010

Even Better Than The Real Thing


Even Better Than The Real Thing – U2

‘Forrest Gump Stopte Hier Met Rennen,’ zegt het bord langs Highway US 163, de hoofdweg door Utah naar Monument Valley. Een bus vol Aziaten stopt bij het bord; een kluit jongens en meisjes stroomt in gelid naar buiten om een foto te maken naast het bord. Maakt niet uit dat de zandsteen formaties van Monument Valley die in de verte tientallen meters omhoogrijzen de laatste overblijfselen zijn van de zandstenen lagen die ooit dit hele gebied bedekten. Of dat die lagen afgezet materiaal bevatten uit de Rocky Mountains; of zelfs dat archeologen de restanten van vele oude Pueblo-gemeenschappen en nederzettingen in de vallei hebben aangetroffen, of dat het tegenwoordig Navajo-gebied is. Nee. Forrest Gump stopte hier met rennen.

Nu is Forrest Gump geen bestaand persoon. Hij was de fictieve held in een kaskraker die 6 van zijn 13 Oscarnominaties won – en Tom Hanks zijn schattige mongolen-Oscar opleverde. Gegarandeerde prijswinnende regel voor jongens: speel een gehandicapte, maar overdrijf het niet – de poging van arme Sean Penn om een waarachtige geestelijk gehandicapte neer te zetten in I Am Sam kostte hem uiteindelijk zijn Oscar. Tuurlijk, hij werd volgens de regels genomineerd – zoals elke acteur die in een drama een gehandicapte speelt – maar Penns al te geloofwaardige, en dus ongemakkelijk om naar te kijken vertolking leverde hem uiteindelijk slechts kreetjes van afkeer op. Het moet wel gezellig blijven! Toegegeven, echt vrolijk werd je er niet van, van I Am Sam.
We willen een Rain Man met wie het nog een beetje lachen is en met wie we ons kunnen identificeren; die van spelletjes houdt op televisie, net als wij – zelfs de linkervoet van Daniel-Day Lewis was herkenbaarder, zeker als je bedenkt dat hij alleen die voet had om mee te werken.
Het doodleuke Tropic Thunder vat het aardig samen: ‘Everybody knows you never go full retard!’

De gouden regel voor meisjes is overigens: ‘lelijk’ doen. Zie Charlize Theron met 15 kilo extra en zonder camouflagestift in Monster, of Hilary Swank als macho in Boys Don’t Cry EN Million Dollar Baby (en twee keer de Oscar winnen!), of Halle Berry simpelweg met bloot gezicht in Monster’s Ball – zo gedurfd! (Nota bene: meisjes spelen beter geen gehandicapten: Jodie Foster’s Nell was een dappere poging, maar er staat niet voor niks nog geen remake in de planning.)

Maar goed. Mijn punt is dat Amerikanen een interessante manier hebben om je te laten weten dat je op een hele bijzondere plek staat. Begrijp me niet verkeerd, ik ben dol op verwijzingen naar de popcultuur. Die snap ik tenminste. En er gaat weinig boven rondlopen op een plek waar je nog nooit bent geweest en toch het gevoel te hebben dat je thuiskomt – alsof je deze plek kent, er bent opgegroeid; alsof je eindelijk wordt voorgesteld aan iemand van wie je altijd hebt gedacht dat het een fantasievriendje was, of over wie je lievelingsliedje is geschreven; alsof het landschap uit al je beduimelde Lucky Luke’s zomaar ineens tot leven is gekomen.



Wat het vreemd en ook een beetje dubieus maakt, is dat deze oneindig mooie landschappen, met ieder een miljard jaar aan geschiedenis, zo achteloos gereduceerd worden tot de plek waar Marty McFly met zijn DeLorean doorheen reed in Back To The Future III (Monument Valley); waar Thelma & Louise van een klif afreden, klats de aftiteling tegemoet (Dead Horse Point); waar je je kicks krijgt (Route 66).

Natuurlijk vind je in de staats- en nationale parken ook de verplichte bordjes met de historische achtergrond van een plek, maar die informatie wordt al te vaak naar de achtergrond gedrongen door de vele verwijzingen naar films en liedjes die deze plekken ineens en zomaar verbinden aan mensen die nooit hebben bestaan en gebeurtenissen die nooit hebben plaatsgevonden. Nergens vind je zo veel toespelingen op dingen die nooit echt zijn gebeurd dan op deze glorieuze plekken die van zichzelf al pulseren met geschiedenis en natuurhistorie. De doorlopende nadruk op popcultuur doet deze plekken simpelweg tekort. Het effect is dat het bijna onmogelijk wordt om er gewoon maar te staan en die miljard jaar aan geschiedenis op je in te laten werken. Waar trapte Louise ook alweer precies op het gaspedaal?

Het werkt ook de andere kant op: plekken waar niks noemenswaardigs gebeurt, transformeren in plaatsen van belang, onsterfelijk gemaakt in een liedje of een film. Op onze roadtrip door het Zuidwesten rijden mijn vriendin Silke en ik door Winslow, Arizona op weg naar New Mexico. In Winslow, Arizona gebeurt echt helemaal niks – ook niet volgens de touristen die en masse wegbleven. Maar toen schreven Glenn Frey van The Eagles en zanger/liedjesschrijver Jackson Browne het liedje Take It Easy, met daarin de beroemde regels ‘I’m standing on a corner in Winslow, Arizona / Such a fine sight to see / It’s a girl, my lord, in a flatbed Ford / Slowing down to take a look at me.’

En dus word je, als je vandaag de dag door Winslow, Arizona rijdt, door een miljoen borden zorgvuldig naar een willekeurige straathoek in het centrum van het dorp gedirigeerd, waar, inderdaad, een standbeeld staat van een muzikant met een gitaar. Achter hem zijn een muur en een bordje in elkaar gedraaid waar op staat: ‘Winslow Arizona’ en ‘Hier Sta Ik Op De Hoek’. Op de muur is een Amerikaanse zeearend geschilderd en een meisje in een flatbed Ford. Net echt! Uit de luidsprekers van de winkel op de straathoek er tegenover schallen Eagles-nummers. Daar verkopen ze het t-shirt.
Er is een hele website gewijd aan het fenomeen. Het punt is alleen, die muzikant heeft nooit echt op die straathoek gestaan en een meisje, mijn god, gezien in een flatbed Ford – laat staan een zeearend. Het is nooit gebeurd. Het is namelijk een liedje. Glenn Frey en Jackson Browne zijn er eens goed voor gaan zitten en hebben het uit hun dikke duim gezogen. (Mocht nou blijken dat Frey en Browne elkaar op die straathoek hebben leren kennen terwijl ze allebei meisjes in flatbed Fords aan het nafluiten waren en de Heer aanriepen, dan zal ik me eens een potje goed gaan schamen voor dit hele verhaal.)



Silke en ik gaan lunchen in het La Posada Hotel in hetzelfde Winslow. Gebouwd in 1929 voor passagiers van de Santa Fe Spoorwegen; het hotel wordt beschouwd als het ‘laatste grote spoorwegenhotel’ en is een nogal historisch monument waar verhalen van waargebeurde romantiek en avontuur en ellende zowat uit de poriën van de muren barsten. We zijn de enige bezoekers. Wikipedia heeft precies 76 woorden over voor de hele plek.

Voor oudere vakantievierders, en die twee gelukkige zielen die Forrest Gump gewoon helemaal hebben overgeslagen, presenteert Monument Valley het onvermijdelijke weetje dat hier op deze plek Marion Robert Morrison een cowboyhoed opzette en onsterfelijk werd als John Wayne. Silke en ik logeren een nacht in superlieflijk Ouray, Colorado – overladen met warme springbronnen en overigens aanbevolen door Lonely Planet als het stukje paradijs op aarde dat John Denver bedoeld moet hebben toen hij zong over Rocky Mountain High – en zoeken een plek om te eten. Het meisje achter de balie van ons hotel heeft het Outlaw restaurant in de aanbieding. ‘Ja hoor, de spare ribs zijn daar prima te doen, maar wist je dat John Wayne er zijn cowboyhoed heeft laten liggen?’ informeert ze gezellig. En we gaan. Naar het restaurant, en op de foto met de hoed van een legendarisch, macho filmpersonage gespeeld door een acteur die in het echte leven bekend stond om zijn ultrarechtse, überpatriottische, racistische, xeno- en homofobe (en, zoals ironie werkt, volgens de geruchten kast-homosexueel geaarde) denkbeelden voordat longkanker hem wegvrat van binnen. Lachen naar het vogeltje!



Als het eindeloze landschap van Arches National Park naar de Grand Canyon je al iets meegeeft, is het dit: dat de mens en al zijn strapatsen een terloopse jeuk zijn in de pels van de tijd; onbelangrijk, niet eens de moeite om te krabben. Grand Canyon was er al voordat de eerste mens het water uit wriemelde, en ligt er nog lang nadat we zijn verdwenen. De vraag is waarom nationale en staatsreservaten afbreuk zouden willen doen aan dat onmiddellijke en ontzaglijke gevoel van oneindigheid door het te verbinden aan de meest terloopse en kortstondige uitingen van menselijke cultuur? Waarom deze plekken ‘echter’ maken door er onechte herinneringen op te roepen?

Is Hollywood-fictie echt de enige manier waarop Amerikanen zich op elkaar en hun omgeving kunnen betrekken? Of vallen de eindeloze ongetemde gebieden die het land rijk is, domweg te ongemakkelijk rauw op hun dak? Zijn die landschappen, om de Oscars er nog een keer bij te halen, te waarachtige mongolen, onmogelijk te prijzen in hun naakte echtheid? Het zou de zorgvuldig aangebrachte lagen van identificeerbaarheid kunnen verklaren, en de drang om overal waar je gaat iets te vinden waarin je je kunt herkennen. In de woorden van Tom Robbins in Fierce Invalids Home From Hot Climates: het is allemaal ‘gewoon te verdomde echt.’

Als je bij Dead Horse Point State Park aankomt, kom je er al snel achter dat het fysiek onmogelijk is om met de auto tot aan de rand van de klif te rijden. En dat is maar goed ook; het zou maar lullige foto’s opleveren en een heel akelige juridische aansprakelijkheid. Je moet je auto parkeren op de parkeerplaats, een meter of 50 van de rand, en dan de rest te voet doen tot je tegen het middelhoge muurtje aanloopt dat ervoor zorgt dat je niet onverhoopt over de rand struikelt.

Laat je dus niks wijsmaken. Thelma en Louise zijn nooit over de rand gereden in Dead Horse Point State Park. De dames hebben net als iedereen 10 dollar per persoon betaald om binnen te komen; ze hebben hun cabrio gewoon geparkeerd op de parkeerplaats; ze zijn naar de rand gelopen en daar hebben ze het allemaal eens goed op zich laten inwerken – die wonderlijke sensatie dat de stilte letterlijk je oren verdooft, zoals ook in Grand Canyon of The Valley Of The Gods; stilte die zich onherroepelijk en fysiek een weg je hoofd in duwt en alle mogelijke verwijzingen naar popcultuur naar buiten perst. Ik vond het met niks te vergelijken. Alsof je diep onder water op de maan ademhaalt in een droom – misschien weten duikers zonder zuurstof wat ik bedoel. Veel onwerkelijker dan dan hoeft het allemaal niet te worden.



Bekijk de road trip video!