Monday, August 23, 2010

I Am a Rock


I Am a Rock - Simon & Garfunkel

Er ligt een hond langs de weg. Hij is al een tijdje dood. Zijn maag strak gezwollen van de gassen die rot en ontbinding aankondigen; zijn dooie oren vol uitgebroede maden, niet langer gevoelig voor de gonzende vliegen overal. Onze chauffeur kijkt even verveeld naar het tafereel als we er in een boog omheen rijden op weg naar ons hotel. Ze blikt over haar schouder en zegt: “Als je hier ’s avonds rondloopt kun je maar het beste langs de kant van de weg blijven.” We zijn op St. Croix, een van de Amerikaanse Maagdeneilanden naast Puerto Rico.

St. Croix is Amerika. Alleen dan anders. Geen open vlakten of weidse luchten of wolkenkrabbers hier: het kleine eilandje loopt over met natuur, natuur die continu over zichzelf heen worstelt om bij de zon te komen. Het is een eiland en alles, en met al het heldere blauw en groen van de Cariben, overal palmen en hibiscus, regenwoud en wit zandstrand, banana daiquiries en zonsondergangen kon het zomaar eens een paradijs zijn. En dat is het ook. Het strand van St. Croix en, op een steenworp afstand, dat van Buck Island, stond in de Top Tien Mooiste Stranden (Op Aarde?) van National Geographic, zeggen ze. Grootste levend koraalrif van de Cariben, zeggen ze. Vriendelijkste Mensen ooit, zeggen ze. En inderdaad, waar we ook komen, de eilanders begroeten ons overal zo warm en hartelijk dat we op een gegeven moment vermoeden dat ze een maandelijkse toelage krijgen voor elke “Goeiemorgen” die ze toeristen toewerpen. Of misschien krijgen ze maandelijkse stokslagen voor elke toerist die ze negeren. Het is lastig af te lezen aan de gezichten.

We krijgen een giechelig “Hoi” in koor van drie vlekkeloze tienermeisjes. Ze zitten zoals alleen meisjes in warme landen samen kunnen zitten, op het trapje naar de veranda van een klein huisje. Niet veel ouder dan veertien, hoogstens zestien. Prachtig, zoals de geur van hibiscus er uit zou zien als de geur van hibiscus drie meisjes was. Een van hen breekt de oppervlakte van haar adembenemende gezicht in een lach als we voorbijlopen. Ze onthult de bijna tandeloze spelonk van een geharde heroïneverslaafde. Of misschien is ze gewoon een beetje dom geweest, heeft ze zich deze maand niet aan de eilandregels voor interactie met toeristen gehouden. Nogmaals, het is lastig af te lezen.



Snorkelparadijs, zeggen ze. Zeeschildpadden broeden hier als kippen; jonge citroenhaaien dartelen in hun broedplaatsen, nieuwsgierig naar de gedweeë verpleegsterhaaien. Snoezig, als katjes, en prima veilig om tussen te zwemmen, zeggen ze. Als katjes. De pijlstaartroggen hier, die steken nooit hun pijlstaart recht in je hart of niks; ze roggen gewoon lekker, hun jonge-hondengezichtjes stralen je toe in kwispelend enthousiasme. In het blauwste water ooit kraken papegaaivissen hun hazentanden stuk op koraal; eindeloze scholen lipvissen omhullen de duiker – schieten in een wervelende wolk van glitter omhoog en omlaag en overdwars om hem heen in die vissenchoreografie van aantrekken en afstoten; hun half-bewuste middelpuntvliedende kracht maakt de duiker – ongemakkelijk, te traag, zijn roze vlees nog onwennig met gewichtloosheid – het stralend middelpunt van wat ieder moment kan uitmonden in een uitzinnig haaienvreetfestijn.



Het is een fijn geluid. Het geluid dat papegaaivissen maken als ze een stuk koraal eten, bedoel ik. Ik verwachtte half en half een nat geluid – onder water en alles. Ik verwachtte een geluid zo warm en nat als het geluid dat konijnen maken als ze een wortel eten. Dat is een van de beste geluiden ooit, het geluid van een konijntje dat een wortel eet. Het geluid van veilig en sappig en zacht en roze en zorgeloos. Vreemd genoeg is het geluid van een papegaaivis onder water zo droog als de kraak van een zak chips. Het is een bekend geluid; het geluid van een avond opgekruld op de bank met een film die je al drie keer hebt gezien zodat het niet uitmaakt dat je er doorheen praat – maar onder water is die kraak compleet uit zijn context gehaald. Het geluid hoort thuis op land; als je het onder water hoort, botsen twee onverenigbare elementen ineens zo hard op elkaar dat je met een ruk van je hoofd beseft dat jij, net als het geluid, onder water enorm niet in je element bent.

Je zegt tegen jezelf, Ik ben 80% water, hoe kan ik me nou niet in mijn element voelen? Je wetenschappend liefje zegt, Nee echt, zeewater is juist ons element. Luister, zegt hij, Zout water lijkt zo veel op ons eigen lichaamssap dat je lijf, wanneer je onder water bloedt, niet eens in de gaten heeft dat er iets mis is. Het geeft geen signaal af om het bloeden te stoppen omdat het denkt dat het water om je heen deel uitmaakt van je lijf; het zoute water misleidt je lijf zodat het denkt dat het helemaal geen wondje heeft – je huid is niet lek, dus je verliest geen bloed. En weg is hij weer, op onderzoek in steeds diepere wateren, vrij van angst, compleet op zijn gemak.



En jij blijft achter met een zaadje van het afschuwelijke idee dat zich langzaam wortelt in de donkerste kamer van een geheime kluis in je hoofd: dat het water om je heen op de een of andere manier leeft – dat het niet alleen een thuis biedt aan ander leven, maar zelf een bewustzijn heeft. ’s Werelds grootste levend organisme, met de getijden als harteklop en stromingen als bloedbaan. ’s Werelds grootste roofdier, slim genoeg zelfs om het menselijk lichaam zo in slaap te sussen dat we zomaar, en onopgemerkt, kunnen leegbloeden in haar geduldige muil. Met haar fluisterende branding en het geruststellend wiegen van vergeten baarmoeders nodigt de zee je uit om in haar te kruipen, in foetushouding, je oren te sluiten, alles te laten gaan, alles te vergeten: maar het is allemaal bedrog!

Ken je die mensen die verkondigen dat ze meer van hun hond (of erger: hun kat) houden dan van mensen, omdat dieren nooit tegen je liegen? Die mensen lijden aan de grove misvatting dat natuur op de een of andere manier oprecht is (en dat mensen op de een of andere manier geen deel uitmaken van de natuur). Ze zeggen dingen als, De natuur is misschien wel wreed, maar zo is de natuur nou eenmaal. Of, erger, dingen als Het zit in de aard van het beestje. Ik vertrouw die mensen voor geen meter. Diezelfde mensen staan erbij en kijken ernaar, met gulzige fascinatie, hun vette lege gezichten gespannen zodat ze maar niks missen, elke keer dat er iets bijzonder wreeds gebeurt in de natuur.
Diezelfde mensen richting stichtingen op om zwerfhonden te redden in Rwanda. Het zijn mensen die zich alleen op het meest abstracte niveau bekommeren om andere mensen. Heb Uw Naaste Lief. Wij Houden Van Oranje. Het zijn van die mensen die stellen dat het verschil tussen mensen en de rest van de natuur is dat mensen in staat zijn om te liegen en bedriegen en manipuleren – en ze vergeten gemakshalve dat niet alleen de mens, maar alle natuur van nature liegt en bedriegt. Natuur is alles behalve oprecht en waarachtig. Natuur is een instinctieve trucendoos. Wanneer hun kat een hoge rug opzet of wanneer de kameleon in de dierentuin van kleur verschiet, vinden die mensen dat het schattigste dat ze ooit hebben gezien. Gekke natuur!



En ondertussen is in de natuur zo schandalig veel bedrog aan de gang dat je het bijna niet eens kan geloven, zo erg. Natuur liegt recht in je gezicht, bij elke kans die zich voordoet. Neem onder water. En dan heb ik het niet eens over vissen die naar twee keer hun echte grootte kunnen opblazen, of roofvissen die doen alsof ze zeewier zijn om prooi te lokken. Die oplichterij heeft in elk geval nog een soort menselijke maat: het dier vermomt zich als iets anders, en als je de truc eenmaal doorhebt, prik je makkelijk door het bedrog heen. Ik heb het over het water zelf. Water, de meest verraderlijke van alle natuur. Water vermomt zich niet als iets anders; het probeert jou ervan te overtuigen dat jij iets anders bent dan je denkt. Het kijkt je recht in je gezicht en zegt dat jij water bent – en het is klaar om toe te slaan de seconde dat je even niet oplet.

Water is er natuurlijk niet alleen op uit om jou, de ongelukkige voorbijganger, op te eisen; water is doorlopend bezig om alle aardse zaken terug te stelen – op St. Croix probeert het water het hele eiland op te slokken. Eb en vloed vreten eindeloos aan de kust, slijten steen en glas ongemerkt tot zand; orkanen rijten hele stukken land tegelijkertijd weg en sleuren ze terug de zee in. Water is de olie op het vuur, is de ophitser, de haatzaaier van het regenwoud zodat dat dat ’s nachts kan doorwoekeren over slecht onderhouden wegen. Dat is natuur in een notendop. Altijd aan het proberen om terug te vorderen, uit te breiden, te veroveren, te koloniseren.



Mensen zeggen dat de natuur kwetsbaar is. De mens moet de natuur beschermen. Op St. Croix zeggen de mensen dat je niet aan het koraal moet komen. Als je koraal aanraakt, sterft dat stukje en daar herstelt het koraal nooit meer van en dan ben jij straks de schuld van een compleet dood ecosysteem.
Dat is niet de echte reden om koraal met rust te laten. De echte reden is, als je je huid schaaft aan koraal blijven er stukjes koraal achter in je huid en die groeien door in je lichaam. Het koraal grijpt zich vast aan je botten en infecteert de hel uit je hele lijf als je niet oplet. Koraal is half plant, half dier: het weet hoe het moet groeien in een dierlijk organisme. Het doet maar alsof het mooie plantjes en mooie steen is: geef koraal een halve kans en het neemt bezit van je lijf. Kwetsbaar, mijn reet. Wist je dat het koraal in de Rode Zee een manier heeft gevonden om te overleven in de immer warmere wateren veroorzaakt door het broeikaseffect? Ik zag het op tv. Oceanograaf Philippe Cousteau en zijn team van onwaarschijnlijk mooie mensen schraapten een monster van het koraal en buitelden over elkaar van blijdschap.
In de volgende scène zocht het team naar manieren om erachter te komen hoe dat koraal het deed, zichzelf beschermen tegen warmere temperaturen. Zodra ze erachter zijn, gaan ze koraal overal ter wereld met die techniek bewerken zodat het niet doodgaat als het water verder opwarmt. Mens beschermt natuur zodat natuur nog beter in staat is om hem op te eten. Hebben we dan niks geleerd van alle genetische horrorfilms? Jurassic Park, Deep Blue Sea, Mimic, Splice. De boodschap is toch duidelijk: de mens moet nooit, maar dan ook nooit, nooit proberen om evolutie een handje te helpen. Dat loopt altijd slecht af. Nu, op dit moment, maakt het koraal in de Rode Zee zich op om te kunnen overleven in onze lichaamstemperatuur, en de seconde dat het dat kan, zal geen zwemmer of duiker ooit meer veilig zijn. Je zal zien dat onze tegenreactie op losgeslagen menskoralen gaat zijn dat we papegaaivissen genetisch opkrikken om dat probleem op te lossen. We gaan het nooit leren.



Een oude man spreekt ons aan op het tankstation. Hij wil kleingeld. Recht onder zijn melkachtige linkeroog zijn drie heldergroene godweetwats genesteld; op hun gemak ingegraven in zijn wang parasiteren ze op de man zijn traanvocht als mossels op de rug van de dikkopschildpad die we eerder op de dag zagen. Ik kan mijn ogen net lang genoeg van het groen af houden om de woekerende tumor te zien die uit de man zijn maag naar voren steekt. Een arm, minstens 20 centimeter lang, van levend koraal; de vuist duwt de strakgespannen huid zachtjes tegen de binnenkant van zijn t-shirt. De man zegt dat hij al meer dan 30 jaar op het eiland woont. Ik weet niet of hij ooit nog het water in gaat, maar het water is op zeker al zijn lijf binnengedruppeld; het water is bezig hem langzaam over te nemen sinds dag een.



Water, de meest verraderlijke van alle natuur. Al na een week op het eiland voel je de zachte dwang van het wiegende water aan je trekken als je op het land bent; je moet je best doen om niet te zwalken. Elke keer dat je niet in het water bent, zelfs al na een week op het eiland, moet je jezelf er bewust aan herinneren dat je moet opstaan en naar het toilet gaan als je moet plassen, en het niet zomaar laten lopen waar je zit. En dat is al na een week op het eiland! Zo overheersend is de greep van het water. Je kunt geen moment vergeten dat water alle mogelijke bedrog zal aanwenden om je te bezitten, je te verzwelgen: ze camoufleert zich als baarmoeder, een veilige haven, een warme wieg, een plek om de boel de boel te laten. Ze zal je wijsmaken dat je in haar thuishoort; jij voelt toch ook dat de milde stroming, het moeiteloos bewegen onder water zo veel natuurlijk is dan zwaar en log lopen op het land? In het water wordt nooit iemand zeeziek. We kwamen toch ooit uit de oceaan, lang, lang geleden? Waarom er niet naar terugkeren?

Kom bij me terug, waaiert het bladkoraal je dichterbij. Weet je nog hoe het was? Kom terug, hier hoor je thuis, fleemt het, We hebben je zo gemist. De druk in je oren als je naar de bodem duikt, is zakelijker van toon. Wil je dat de pijn in je oren ophoudt? Dan hoef je alleen maar die navelstreng door te snijden, en je wordt opnieuw geboren. 80% van je lijf is al hier beneden, bij ons; je omgekeerde geboorte is maar 20% ongemak. Wil je een einde aan je pijn? Hou jezelf dan niet langer voor de gek en kom bij me terug. Je klaart je oren en laat jezelf dieper zinken, dieper naar de bodem van de zee. Het voelt inderdaad als thuiskomen. Zou je het proberen? Je mondstuk uitdoen en diep inademen, longen die zich met water vullen in plaats van lucht. Een korte worsteling, ja, maar enkel voor een minuut of wat, en dan – 80% van je lijf begint al te zingen, Jaaaaaa, jaaaaaa, jaaaaaa, we gaan naar huis, we zijn er bijna… Vlak voordat je overlevingsdrang het overneemt en de rest van je lijf omhoog rukt naar zuurstofrijke lucht – maaiende armen, spartelend, proestend, weer hopeloos traag en ongemakkelijk – vlak daarvoor blijkt dat de grootste leugen die water je vertelt, de waarheid is.

Met elke ademteug door de navelstreng van je snorkel moet je jezelf blijven voorhouden, Ik ben geen water, ik ben land; Ik ben geen water, ik ben land. Met elke adem in en adem uit moet je 80% van je lijf verraden om je ware aard te onthouden. Dat fundamentele bedrog is overal om ons heen. Het is binnen in ons. We ademen dat bedrog. Zo zijn we. Ik ben geen water; ik ben een rots. Ik ben het eiland.

Tuesday, July 13, 2010

They Shoot Horses, Don’t They?


They Shoot Horses, Don’t They? – Racing Cars

Bekijk hier de reportage!

‘Heuj? Dat is toch echt een belediging, heuj.’ Stonden we op een willekeurige andere plek op aarde, dan had ik op zeker gedacht dat de man tegenover me aan de bar een grap maakte – maar we staan in Arvada, Wyoming en deze gast is erg serieus.

Wyoming is de meest macho van alle macho staten. Berucht om zijn abrupte weersveranderingen – kneiterheet en zonnig het ene moment; hozende regen- en hagelbuien het volgende – dus ik had me ingesteld op een fijne reeks regenbogen. Maar Wyoming doet niet aan regenbogen. Regenbogen zijn voor mietjes. Voetbal en democraten zijn ook voor mietjes, en groente is het mieterigst van alles, behalve wanneer oogst. Wyoming is voor Marlboro-mannen. De mensen hier rijden paard, vangen stieren met een lasso en dan gaan ze terug naar de boerderij om grote lappen zelfgeslachte koe op de barbecue te gooien. Ze zeggen dingen als ‘Kumpdurgluutuut?’ en ‘Daweutikwa, knoejut’.
Om je een idee te geven van waar ik ben: het vliegtuigje dat pendelt tussen Denver, Colorado en Sheridan, Wyoming (een goed anderhalf uur rijden bij Arvada vandaan) is zo klein dat de voltallige bevolking van Arvada (25 hoofden) er nauwelijks in past. Het is zo klein dat de steward/copiloot ons aanhoudt als we gebukt door het midden naar onze stoelen schuifelen: ‘Maak het je nog maar even niet gemakkelijk, mensen. We moeten waarschijnlijk nog een rondje schuiven, heuj.’ Waarmee hij bedoelt dat ons gezamenlijk gewicht gelijk verdeeld moet worden over de linker- en de rechterkant van het toestel, zodat we niet omvallen midden in de lucht. Ik sta in Arvada, Nergenshuizen, Amerika.



Zojuist, in de lokale kroeg van Arvada, heb ik goedgeluimd cowboys vergeleken met ballerina’s, en op dit moment word ik neergestaard door Bubba, een goeie 250 pond aan geweldenaar die daar de lol niet van inziet.
De hoed, de beenkappen, de sporen, de snor, de sigaret en het goedkope bier; Bubba heeft ze allemaal. Tenzij deze man in een vorig leven deel uitmaakte van de Village People, sta ik oog in oog met een cowboy – een echte. De snor zou het zonder meer goed doen in bepaalde Newyorkse milieus. Maar zoals gezegd, we zijn niet meer in New York – en dit kon zomaar eens slecht aflopen.

Hoe ben ik hier ooit terechtgekomen? Flarden van de afgelopen dagen nevelen door mijn hoofd. Mijn Duitse vriendin Silke, cameraman André en ik hebben mogen ruiken aan de Cowboy Manier Van Leven in Arvada’s Powder River Ranch Cowboy School voor een van Silke’s cultuurreportages in opdracht van RTL Television. Silke en André zijn aan het werk; ik mocht als vrolijke spuit elf met ze mee. Op een paard zitten en koeien vangen. Hoe moeilijk kan het zijn?

Tot nu toe hebben Cowboy Bob en zijn vrouw Betty ons met een bijna schandalige portie geduld en beheersing laten zien hoe je paarden bestuurt. Dat is nog een stuk lastiger dan toekijken hoe Cowboy Bob het doet. ‘Als het goed is, heuj, hoef je niet te schreeuwen, of je zweep te gebruiken om een paard te laten doen wat je wilt. Je wil dat het paard met je meewerkt. Als het goed is, bouw je een relatie op met je paard, heuj – je haalt hem binnen.’ Bob is de Obi-Wan Kenobi van de rijkunst. ‘Je moet het paard bestuderen om hem te begrijpen; als je je paard begrijpt, kun je met hem communiceren. Gebruik je lichaamstaal. Als je het goed doet, is paardrijden als dansen, heuj, je gaat in elkaar op – als je weet hoe je moet leiden, dansen jullie samen door het land in hetzelfde ritme.’ Bob spreekt vloeiend paard. In antwoord op zijn lichaamstaal en minimale gebaren doet het paard precies wat hij wil, wanneer hij het wil. ‘Je moet duidelijk zijn, heuj. Dat is het belangrijkste. Als jij gemengde signalen afgeeft, weet het paard niet wat hij moet doen en daar wordt hij zenuwachtig van. Geef het paard de enkelvoudige energie van wat je wil dat hij doet, en dan doet hij het zonder morren.’ De Kracht Van Het Paard Zij Met Je.



Silke pikt het idee snel op. Toegegeven, Silke is nogal een gebiedende verschijning. Ze weet precies wat ze wil, en krijgt meestal ook precies wat ze wil. Binnen de kortste tijd dirigeert ze Ring, haar paard, door de omheinde arena. ‘Und Links! Rechts! Gerade aus! Goed zo jongen!’ roept ze – camera in de ene hand, Duits bevlagde vuvuzela in de andere – en daar gaat het paard, net zo lang de arena rond tot Silke een stapje terug doet en het met een hand wenkt. Zoals Bob heeft voorspeld, stopt het paard onmiddellijk keurig en loopt gehoorzaam naar haar toe.

Ik ben iets minder imponerend, geloof ik. Ik heb de neiging om heel vaak niet precies te weten wat ik wil. Ik bedoel, ik vind een heleboel verschillende dingen leuk. Ik ben niet zo van de één mening tegelijk. Altijd ambivalent. Ik ben tenslotte filosoof! Helaas vertaalt mijn geen-baan-in-te-vinden-diploma zich in paards naar complete totaalverwarring. Op de eerste dag van cowboyschool probeer ik mijn paard Uno tegelijkertijd alle windstreken op te sturen, met als enig resultaat dat hij er al snel genoeg van heeft en besluit om beter zijn eigen instinct te volgen dan mijn halfslachtige orders.
‘Heuj, het paard mag je graag, maar hij respecteert je voor geen meter,’ sympathiseert Betty. Dat geloof ik graag. Ik heb me het afgelopen half uur in het zweet gewerkt in een poging Uno op afstand te besturen – vanaf de grond, aan de andere kant van een teugel. Ik wil dat het paard naar rechts draait en een rondje rent door de arena, maar tot nu toe komt hij alleen maar op een sukkeldrafje naar me toe om vol genegenheid zijn snuit in mijn bh te begraven en lekker uit te blazen. De 750 kilo aan paardenvlees die met zijn fluwelige snuit worden meegeleverd, leunen zachtjes tegen mijn borsten, en Uno vind het wel best zo.
(Het gaat, dat moet gezegd, al een stuk beter dan vanochtend. Vanochtend zag het paard me nog helemaal niet staan. Cowboy Bob maakte uiteindelijk een eind aan mijn gestumper met een goedbedoeld: ‘Zoals het er nu voor staat, heuj, heeft het paard meer aandacht voor de vliegen op zijn rug dan voor jou.’)

Eerlijk gezegd vind ik dat het helemaal niet zo slecht gaat. Sterker nog: ik vind het óók wel prima zo. Ik heb liever een ongehoorzaam paard dat me mag en negeert dan een volgzaam paard dat me in respectvolle galop van zijn rug gooit.
Stiekem ben ik wel van mezelf onder de indruk: ik vorm zo weinig directe bedreiging voor een kuddedier berucht om zijn alerte nervositeit dat het niet eens echt in de gaten heeft dat ik er ben. Goed, de nieuwe Buffalo Bill ga ik niet worden. Nou en? Ik zou op zeker een super effectieve prairiewolf zijn. Lachende Wolf Decimeert Nietsvermoedende Kudde, stel ik me de krantenkoppen van het Arvada Sufferdje voor. Eens zien hoe je me dan nog mag!

Op de tweede dag van Cowboyschool gaan we op zoek naar de 800 langhoornkoeien die door het eindeloze land glooien, en vinden een deel ervan. Het plan is om ze naar een waterplek in de buurt te drijven. Tegen de tijd dat we het groepje vee hebben gevonden, is Uno in een uitstekende bui; om de twee minuten barst hij uit in een spontane renpartij. Ik klamp zo hard aan de leren riem om het zadel dat ik een goeie kluit angstblaren op mijn witgespannen knokkels heb; mijn dijen zijn rauw. ‘Heuj, het is grappig,’ observeert Cowboy Betty, ‘hoe mensen instinctief verstijven als er gevaar dreigt. Das de adrenaline, heuj. Maar de enige manier om je paard te laten stoppen is compleet ontspannen. Elke keer dat jij je dijen en tenen in zijn flank drukt, en de riem grijpt, heuj, denkt Uno dat je hem vraagt om harder te rennen.’ Mooi is dat. Geef ik een keer een eenduidig signaal af, krijg ik precies het tegenovergestelde van wat ik bedoel. De eerstvolgende keer dat Uno het op zijn heupen krijgt, dwing ik mezelf om te ontspannen. Mijn nogal fantasieloze ‘Whooooaaa’, terwijl ik de leren riem loslaat en zachtjes de teugels aanhaal, doet het wonderwel – het paard zal het worst wezen, maar ondanks mijn gevoel van opgelaten en nep dat ik serieus hardop een cowboygeluid maak, word ik zomaar rustiger van.

Zodra de langhoorns lucht van ons krijgen, spitsen ze hun oren; ze wiegen ongemakkelijk op hun poten in het lange gras, klaar om te rennen. Ze kijken ons niet rechtstreeks aan, maar houden te allen tijde een oog op ons gericht terwijl we langzaam dichterbij komen. De stieren plaatsen zichzelf tussen de koeien en kalveren. Ze vertrouwen ons duidelijk voor geen meter. ‘We willen de kudde niet bang maken, heuj,’ zegt Cowboy Bob (hoewel, zoals hij het zegt klinkt het meer zoiets als ‘De koen moet’n geen engst hen’, heuj’). ‘We willen ze gewoon naar water brengen.’ Dus we moeten heel langzaam en voorzichtig bewegen en niet te veel geluid maken. Dat moet lukken – langzaam en voorzichtig en stil is precies hoe ik me voel. Ik hoef het respect van deze koeien niet te winnen; alles wat ik wil is dat ze me genoeg mogen om mijn arm eierkopje niet te vermalen in klassiek koeiengedrang.



Ik denk aan al deze dingen als we later die avond de Arava bar binnenlopen – André met camera, Silke met vuvuzela en ik met een hopelijk kalmerende glimlach. Als we de deur openduwen, spitsen de zeven dorpelingen aan de bar onmiddellijk hun oren. ‘Hallooo! Wij zijn van Duitse televisie! Jullie dorp is zoooo schattig!’ probeert Silke het ijs plat te walsen – vreemd genoeg niet met gewenst effect. De mannen schuiven ongemakkelijk op hun krukken; ze kijken ons niet rechtstreeks aan, maar houden te allen tijde een oog op ons gericht. De vrouw op rechts gaat zo verzitten dat ze bijna helemaal verdwijnt achter de brede lokale rug van de man naast haar. De barvrouw ziet een mogelijkheid tot verbroedering. Waarom komen mensen naar de kroeg? Om te drinken, redeneert ze. Zelfs buitenlanders. En dus drinken we.

In het uur dat volgt doe ik mijn godgegeven best om zes argwanende cowboys en een wantrouwende vrouw weg los te weken van het idee dat we hier zijn om hun landelijk leven te vernielen met onze grotestadslosbandigheden. ‘Wat moeten jullie hier? En je kunt maar beter eerlijk antwoord geven,’ zegt de cowboy op rechts bij wijze van kennismaking. Ik leg uit hoe ik met beide handen de kans heb gegrepen om een glimp op te vangen van een deel van Amerika dat ik alleen uit de films ken. Ik ben nog nooit in een dorp geweest dat zo klein is als dit, of in een omgeving zo weids. Waar ik vandaan kom is alles klein – de grote steden net zo goed als het platteland. Mijn moeder is opgegroeid op een boerderij, schiet me ineens gespreksstof te binnen; toen ik klein was roerde ik het bloed dat vers de ton in stroomde als mijn oom een varken slachtte in de schuur. Tegen het klonteren. ‘Wat voor soort varkens?’ gromt de man, en: ‘Klunkt als de kleinste boerderie die je ooit hebt gezien.’ Maar ik geloof dat het varkensbloedverhaal zijn knoestig hart langzaam vermurwt – en terecht! En ook als niet: het is hoe dan ook de enige anekdote in mijn repertoire waarmee een cowboy zich misschien zou kunnen vereenzelvigen. Het helpt dat de vrouw – zijn echtgenote, naar blijkt – voorzichtig moet lachen om mijn knullige pogingen tot gesprek. Ze schuchtert langzaam vanachter haar mans rug vandaan om me foto’s te laten zien van haar eerste kleinkind.

We roken sigaretten, binnen, en spugen op de regering (hoewel, als de cowboy het zegt klinkt het meer als regeurng) die zomaar bepaalt dat mensen niet voor zichzelf kunnen beslissen of en waar ze roken of niet. Ergens in het gesprek geeft de man toe dat hij geen geboren en getogen Arvada-naar is. ‘Ik ben verpoot, heuj. Opgegroeid in O-hi-o.’ Hij woont nu 35 jaar in Arvada. Een buitenlander, net als ik. ‘Wij hebben hier heulemaal niks te verbergen, heuj, maar dat betekent nog niet dat oe hier zomaar met oe dure camera’s kunt komen aanzetten en de boel filmen!’ gromt hij.
- ‘Does niet zo lullig, knoejut – hij doet gewoon lullig,’ bevestigt de cowboy aan de andere kant van de bar gezellig de positieve verandering in sfeer. ‘Oe wil maar wat graag met oe lillike kop op tv, daweutikwa, heuj, knoejut.’ Hij tikt tegen zijn hoed en stelt zichzelf voor als Grote Bubba (niet te verwarren met Kleine Bubba, een nogal uitgelopen en goed dronken stalknecht op de kruk naast hem). ‘Ik ben een lassowerper hier,’ zegt Bubba. ‘Dusss, oe hebt rondgehangen bie die lui van de cowboyschool, heuj? Assikut mag vragen, wat hebben de dametjes tot nu toe heulemaal geleerd over cowboys?’

Mijn eerste misser is dat ik ervoor kies om de onverdroten sarcastische ondertoon die aan de snor vasthangt, te negeren. Niks aan de hand, denk ik nog. Ik geef gewoon eerlijk antwoord. In mijn hoofd komen alle dingen samen die ik de afgelopen dagen heb gedaan: de openbaringen van Cowboy Bob over hoe paardrijden net dansen is; Betty’s opmerkingen over spierbeheersing; de spieren in mijn eigen dijen, rauw op plekken waarvan ik niet eens wist dat ze bestonden. Ken je dat, dat gevoel dat beetjes en weetjes van een groter geheel ineens in elkaar klikken, als een autogordel? Dat heb ik nu, op dit moment. Dat gevoel van volle-vaartveiligheid. Ik wijs naar mijn pijnlijke benen – dat ze zien dat ik niet eens rechtop kan staan van de spierpijn – en strek mijn armen uit voor mijn borst, vingertoppen tegen elkaar, in wat in mijn hoofd een universeel grappige combinatie is van cowboy-o-benen en een plié, en zeg: ‘Ik heb geleerd dat cowboys eigenlijk net ballerina’s zijn. Kijk, jullie staan precies hetzelfde!’



Ken je dat, de manier waarop dingen die in je hoofd een groot blok gezond verstand lijken, compleet uit elkaar vallen als je ze eenmaal hebt uitgesproken? Dat heb ik nu, op dit moment. Dat gevoel van zo goed als verongelukt. Iedereen in de bar zwijgt. Ik zie het stugge haar overeind springen in de stompe nekken van de mannen. De vrouw huivert en duikt weg achter een rug. Na een eeuwigheid boort Bubba langzaam zijn blik in de mijne, en zegt: ‘Heuj? Dat is toch echt een belediging, heuj.’ Alle ogen in de bar zijn nu op mij gericht.

Daar sta ik dan, in de Arvada bar in Wyoming, op het punt om te worden vermalen. Ik kijk om me heen en merk voor het eerst de ontelbare opgezette dierenkoppen op, aan de muur van de kroeg – precies als in al die barretjes in de stad, waar trotse foto’s alle beroemdheden tonen die ooit voet binnen hebben gezet, met vaste hand geschoten en aan de muur gehangen. In de Arvada bar zijn exemplaren te vinden van alle mogelijke wildstand die ooit door deze contreien heeft gestruind – met dubbelloops geschoten en aan de muur gehangen. Prairiehond, coyote, dikhoornschaap, poema, hert, langhoorn, eland, bizon en beer kijken allemaal op me neer met de oneindig droevige wijsheid van al wie uit de eerste hand te maken heeft gehad met Cowboy Gramschap. Tijd om engst te hen’. En echt. Er zit maar een ding op.

‘Whooooaa,’ zeg ik. ‘Ik kan het uitleggen.’ Bubba’s pupillen vernauwen terwijl ik me door een nogal haperende versie van Cowboy Bob’s prachtige ruitersfilosofie worstel. Bubba’s snor trilt als hij uiteindelijk zijn keel schraapt. ‘Heuj, ik rie toevallig rodeo op wilde Colts en ik kan oe zeggen dada heul niks te maken het met een of ander mieterig dansje. Wasda, proaten met een peerd? Die peerden luisteren niet noar oe godvergeten kom-mu-ni-kaat-sie. Oe moet zo’n peerd er onder krieg’n voordat die knoejut oe er af bokt. Oe moet de macht hebben, het peerd loaten weten wie de boas is. Oe…’
- ‘Hmm, ik snap wat u bedoelt. Dat klinkt inderdaad niet als een dans. Dat klinkt meer als een huwelijk.’ Ik kan er niks aan doen. Ik zit op volle ramkoers. De rest van de bar is nog steeds stil. Bubba staat half op van zijn kruk, zijn mond open in herinnering aan de kleine ronde ‘o’ van zijn onderbroken verhaal. Heeft hij een hand op zijn holster? Wijsneuzige Buitenlander Gedecimeerd Door Boze Menigte, stel ik me de krantenkoppen voor.

Dan splijt het gezicht van de barvrouw uiteen in een brede grijns. Wat begint met een verstuikte grinnik gaat over in een slappe-lachexplosie. ‘Hejje dat? Dat is het lolligste da’ik ooit heb geheurd! Bubba. Bubba! Hejje dat geheurd?’ Ze heft een hand om me over de bar te feliciteren; met de andere veegt ze een traan van haar wang. ‘Als een huwelijk! Ik blief er nog in!’ Ik kijk om me heen, beduusd, kloppende angstblaren. Iedereen lacht weer – voorlopig, tenminste. We bestellen nog een drankje. Ik ben niet op zoek naar jullie respect, heuj; ik wil gewoon dat jullie me een beetje mogen.

Tuesday, June 29, 2010

Push Up


Push Up– Freestylers

'Mevrouw! Hee mevrouw, wacht even!' Het duurt even voordat ik in de gaten heb dat de Aziatische dame die vanaf de overkant van de straat al roepend mijn kant op galoppeert het tegen mij heeft. Heb ik iets laten vallen? Of erger: heb ik iets op haar laten vallen – of, nog erger: op het ongeboren kind in haar buik? Komt ze me aanklagen? Me leegtrekken voor elk kwartje dat ik heb in een jarenlang slepende procedure? Of gaat ze zometeen eindeloos van leer trekken over hoe de Heer me zal neerslaan tenzij ik een goeie partij boete doe, en wel nu? Of staat ze op het punt om me de weg naar het MoMa te vragen?
Ik hoop het laatste. Ik weet toevallig de weg naar het MoMa, en naar nog veel meer culturele bestemmingen in de stad. Ik vind het fijn als mensen me de weg vragen, helemaal in Midtown. Dan voel ik me in een klap geboren en getogen, de lokale Newyorker, en daar ga ik altijd breed van lachen.

Ik hou er aan de andere kant in het geheel niet van wanneer topzware niet grappige mannen kaartjes in mijn gezicht duwen en vragen of ik van lachen hou, en al helemaal niet in Midtown. De veel te kort van stukke, treurig ogende komieken hangen rond op de straathoeken van het Theaterdistrict in Manhattan, waar ze proberen om te dure kaartjes te slijten voor hun te goedkope stand-up comedy shows. Zij redeneren, als je van lachen houdt, dan lach je vast ook om hun show. Niet omdat hun grappen om te lachen zijn, maar gewoon omdat je eerder nog hebt aangegeven dat je nou eenmaal graag lacht. Je zei het zelf! Gegarandeerd gezellig publiek.

'Welke maat bh heb jij?' vraagt de dame naar aanleiding van niks. Ze priemt een zorgvuldig gemanicuurde vinger richting mijn linker tiet. Ik doe onwillekeurig een stapje naar achter; de dame doet een stapje naar voren. We doen een ongemakkelijk klein dansje op de stoep terwijl de dame onverdroten doorvraagt naar de omvang van mijn borstkas. 'Je bent een goeie C zo te zien, toch?' De dame fronst zakelijk terwijl ze langs mijn sleutelbeenderen naar beneden tuurt.

– 'Uhh...' Gek genoeg denk ik niet, Ho es even dame, dat gaat je geen reet aan, en wil je wel eens niet zo naar mijn tieten staren (ongetwijfeld de reactie van de geboren en getogen Newyorker). In plaats daarvan vraag ik me af waarom ik juist vandaag, van alle dagen, een Victoria’s Secret Wonderbra aan heb, een model bh dat ruwweg vertaald kan worden naar: Het Is Niet Wat Het Lijkt. Ik heb geen C-cup. Ik ben niet eens een heel overtuigende B, eigenlijk. Borsten groeien niet zomaar door zoals neus of oor, of goudvissen, of omdat je het heel graag wil, heb ik me eindeloos laten vertellen. Dus, om er uit te zien als een geboren feestelijke C, doe ik zo af en toe gewoon lekker alsof. Mijn opduw-bh is goed gewatteerd, zodat je geen spoor van mijn tepel of natuurlijke borst ziet, behalve dan het decolleté waarvan ik zonder bh alleen maar kan dromen.




Toen ik mijn opduw-bh kocht bij Victoria’s Secret in de Upper West Side, struikelde ik langs de rekken bovenop de vreemdste bh die ik ooit heb gezien: een volledig gewatteerd superopduw-model met ingebouwde tepels. Deze bh was een set tieten op zichzelf, anatomisch correct alleen dan zachter en wasbaar in de machine – en van het type dat ieder knokig kippenborstje ogenblikkelijk transformeert in een decadent bolwerk van nylontepelige pracht. Ik stel me zo voor dat de Tepel-bh voor borsten doet wat (pakweg) een Ferrari Testarossa doet voor kleine penissen. Het idee achter de gefabriceerde tepel is dat je kunt doen alsof je helemaal geen bh draagt. Je eigen tepels – nooit meer koud of nieuwsgierig, want begraven onder lagen en lagen polyester – zijn ingenieus vervangen door een setje duurzame neppers. Een prachtige, frisgeschoren (niemand hoeft zich geaffronteerd te voelen, want ze zijn niet echt!) manier om met tepels te pronken. En als ze toch nep zijn, dan hoef je je ook niet langer opgelaten te voelen als ze door je shirt heen priemen. Op naar de natte t-shirt wedstrijd. Niet vergeten om te doen alsof je je schaamt zodra je polyester knoppen aan het bloeien slaan!

Een paar blokken bij de Victoria’s Secret winkel vandaan zit nog een ondergoedwinkeltje, een klein tweerekkengeval met nogal mottige bh’s, waar ze achterin een bescheiden selectie sexy ondergoed hebben: vier of vijf verschillende bodystockings waar de bovenste helft van de borst is uitgesneden. Dus ja, als je die aantrekt, dan worden je borsten opgeduwd zoals in de Tepel-bh; het verschil is dat je in de merkloze bh je echte, eigen tepels kunt zien. Het rare is dat de tepels van het meisje op de verpakking uit de foto zijn weggefotoshopt. In het land van de vrijen worden meisjes aangemoedigd om met tepels te koop te lopen door tegelijkertijd hun eigen tepels weg te stoppen en te doen alsof ze geen bh aan hebben maar wel gigantisch pronte pornotieten, maar je mag de echte tepel van een meisje dat notabene een bh aanheeft niet laten zien.

Vreemd genoeg betekent dat uiteindelijk dat vandaag de dag hele hordes vrouwen hun tepels verbergen zodat ze ermee kunnen pronken – alleen dan wel op een sociaal aanvaarde manier. Onze eerste generatie feministen moet huilend in haar bed liggen ’s nachts. Het zou me niks verbazen als de nieuwe generatie gewatteerde bh’s niet eens brandt als je ze in de fik zet. Waarschijnlijk roken ze wat en lopen dan met een sisser af. Of ze smelten langzaam tot een keiharde klont aan geblokkeerde tiet.

Intussen in het Theaterdistrict ben ik me akelig bewust van de gevoeligheid van mijn situatie. Ik zit vast in een dilemma. Wat vertel ik de Aziatische dame die in mijn opgevulde ribben staat te porren? Ik kan bluffen en zeggen, 'Yep, ik ben een C, altijd al geweest, en kun je nou als de sodemieter ophouden met naar mijn god gegeven zondekussens te staren?' Of ik kan toegeven dat mijn (inderdaad) verrukkelijke decolleté slechts het resultaat is van een goed gewatteerde voorkant, en mezelf belachelijk maken. Liegen, en daarmee in het gezicht spugen van alle vrouwen die ooit waagden om uit hun corsetten te breken, en in een moeite door het door mijn moeder en haar generatie zwaar bevochten recht op zelfbeschikking onderuit halen, of waarachtig te kijk staan voor een volkomen vreemde mevrouw? De dame is zonder twijfel op zoek naar een eerlijk antwoord. Maar kan ze de waarheid wel aan? Trouwens, de mogelijkheid bestaat ook nog dat ze mijn tegennatuurlijk gebrek aan tepels opmerkt en me ontmaskert als de rozijnensmokkelaar (zoals mijn vrienden het immer subtiel uitdrukken) die ik eigenlijk ben.

De dame voelt mijn ongemak, maar dicht die abusievelijk toe aan het feit dat ze me een ongepaste vraag stelde, in plaats van aan mijn innerlijke post-feministische strijd. 'Donna Karan komt naar New York, en het is de bedoeling dat ik haar aankleed voor een evenement. Ik weet haar kledingmaat wel ongeveer,' begint ze uit te leggen. 'Maar haar pr-mensen hebben haar bh-maat niet doorgegeven. Ik heb wel wat publiciteitsfoto’s, maar die zijn intussen al van jaren geleden.'
– 'Oh joh,' leef ik mee. 'En er zijn zeker wat kilo’s bijgekomen?' Ik weet ongeveer wie Donna Karan is. Nou ja, ik weet dat ze kleding ontwerpt en ik weet dat ze behoorlijk oud is intussen. Ik stel me zo voor dat ze zichzelf wat heeft laten gaan. En terecht ook. Ze moet het goed zat zijn om jaar in jaar uit haar eigen maatje 0 te dragen. Tijd om te ontspannen en haar rollen lekker te verpakken in iets XL-erigs, gekocht in een winkel met Grote Maten Mode op de gevel. Of Mode Voor Een Maatje Meer. Scandinavische Mode.
'Nee, nee, nee!' De dame kijkt me vol ongeloof aan. 'Ze is juist de afgelopen tijd enorm afgevallen!' Hoe kan ik dat niet weten?
'In elk geval...' Ze ziet mijn vergissing door de vingers, hoogstwaarschijnlijk omdat ik het merendeel van mijn commentaar alleen maar in mijn hoofd dacht, en niet hardop heb uitgesproken. 'Ik ben al heel de dag op zoek naar iemand met haar bouw, en volgens mij hebben jullie dezelfde maat. Dus als ik jouw cup-maat weet, kan ik haar eindelijk een paar bh’s gaan kopen.'

Ik voel me vreemd gevleid. Donna Karan en ik hebben dezelfde kledingmaat – en nog wel nadat ze zo enorm is afgeslankt. Niet slecht! Maar dan herinner ik me dat ik geen idee heb hoe Donna Karan er uitziet. Voor hetzelfde geld was ze in haar hoogtijdagen een totaal nijlpaard en is ze precies genoeg kilo’s kwijtgeraakt om in aanmerking te komen voor een maagbandoperatie.

En zomaar ineens is de gedachte om te worden verward met een rondborstig type niet zo aantrekkelijk meer als eerst. 'Ik heb geen C-cup. Ik heb gewoon een enorme bh aan, met gewatteerd en alles. Opduw, snap je. Dan zie ik er veel groter uit dan ik eigenlijk ben. Ik ben een klein B'tje, of misschien niet eens, geloof me!' gooi ik eruit. Het feminisme kan me wat; ik ga me toch zeker niet laten aanzien voor een of ander dik wijf!

Monday, May 24, 2010

Mr Pleasant


Mr. Pleasant – The Kinks

‘Dat is geen bloed mevrouw! Ik zeg het u meneer, dat is geen bloed!’ de kleine Indiër gebaart of zijn leven ervan afhangt. Hij probeert ons ervan te overtuigen dat de roest-rode vlekken die we zojuist hebben ontdekt in de beddelakens van zijn Pleasantville motelkamer niet van mens of dier afkomstig zijn, maar veeleer het wat ongelukkig ogend maar juist heel hygiënisch neveneffect van de uitbundige wasbeurten waaraan hij zijn lakens dagelijks onderwerpt. Hoewel wij zelf tot dan toe het woord ‘bloed’ nog niet in de mond hebben genomen in bijzijn van de Indiër, was het – eerlijk is eerlijk – het eerste dat ons allebei te binnen schoot toen we de lakens opensloegen. Nou ja, ik was nog steeds aan het bijkomen van de honderden donzige haartjes (‘Hey, volgens mij heeft iemand een klein huisdiertje geschoren in dit bed,’ merkte mijn lief Scot op) die om aandacht vroegen toen we voor het eerst onder de dekens keken.

De weg naar Pleasantville, New Jersey biedt de perfecte vluchthaven voor wie volledig is uitgekauwd en opgeboerd door nabijgelegen Atlantic City. Atlantic City is de gokhoofdstad van de Oostkust – denk Leaving Las Vegas, maar dan zonder die betoverende schone schijn. Ons motel is het type plek waar je warm wordt onthaald wanneer je alles wat je ooit liefhad, bent kwijtgeraakt in dat ene onzalige potje craps. Het is de perfecte steen om onder weg te kruipen wanneer je niet naar huis wilt, of kunt, simpelweg omdat je je autosleutels hebt vergokt in een poging om je hypotheek terug te winnen. Ons motel is de plek waar je aanspoelt als je door de plee bent getrokken. Erger: waarschijnlijk denkt iedereen die hier platzak terechtkomt dat hij niet beter verdient dan deze plek. Het haar en bloed op de lakens zijn dan niet meer dan een kleine herinnering aan wat je nog aan menselijkheid rest. Ik vermoed dat de Indiër die het motel runt weinig klachten krijgt.

Maar ja, wij zijn toevallig blij en rijk, en gezond bovendien, en – ondanks onze zin voor avontuur op deze weekendtrip naar Maryland op zoek naar gestoomde krab (geen craps) – we verwachten een basisniveau aan hygiëne, zelfs in een motel van 40 dollar per nacht. Het motel adverteert met gratis HBO op tv; we gaan er eigenlijk voetstoots van uit dat een televisiekanaal waar gevloekt mag worden nog altijd ná schone lakens komt. Natuurlijk hebben we als we de oprit oprijden nog geen idee dat dit motel elke vorm van proper vierkant in het gezicht uitlacht. We komen er ook niet achter als we de kamer binnenlopen, vooral omdat het grote licht het niet doet. Tuurlijk bespeuren we de weeïge hint van natte, visverpakte krant in de lucht, maar die schrijven we als altijd toe aan New Jersey – daar ruikt het nou eenmaal raar.
We merken pas dat er iets niet helemaal in orde is wanneer Scot op de tast langs de muren de lichtknop zoekt van het nachtlampje en opmerkt dat de muren vreemd zanderig aanvoelen; op zijn vingers blijft een stroperig filmpje achter, meldt hij.

Het licht in de badkamer werkt wel. In het morsig schijnsel doemt een beeld van de kamer op. We staan in de overblijfselen van wat ooit een pervers hobbyproject moet zijn geweest van de liefdesbaby van een suïcidale loodgieter en een sadistische interieuradviseur, die na een zware overstroming en één blik op de waterschade de boel de boel heeft gelaten. Zwartgeblakerde stopcontacten lijken in een woedeaanval uit alle vier de muren getrokken, enkel nog door navelstrengen van onbeschermde bedrading verbonden met een klam netwerk dat diep verborgen ligt achter lagen en lagen opgezwollen behang dat in lange vellen loslaat langs de muren.



De muren veren letterlijk mee als je ze aanraakt – er zit minstens zes centimeter dik aan behangpapier, de ene laag na de andere tegen de grenzen van de kamer gesmeten. De koelkast en magnetron erbovenop zijn niet aangesloten; de stekkers slingeren doelloos boven het tapijt in een lusteloze jacht op de platjes die ongetwijfeld de tijd van hun leven hebben in de vezels. Iemand heeft eten achtergelaten in de koelkast, in een plastic zak. Scot – immer de wetenschapper – trekt de zak met twee vingers dichterbij voor nader onderzoek, tot de doffe geur die uit het vochtige binnenste weglekt hem ervan overtuigd dat hij bij nader inzien toch eigenlijk niet hoeft te weten wat er in zit.
De airco ziet eruit alsof ze de laatste keer dat iemand probeerde om haar aan de praat te krijgen, is onploft. Waarschijnlijk is diegene die de moed had om de poging te wagen, mee-ontploft; alle mogelijkheid tot identificatie moet als natte confetti door de kamer zijn gesproeid, redeneren we – dat verklaart het ondefinieerbare patroon aan vlekken tegen het plafond. De tv werkt. Soort van. Veel sneeuw. Geen HBO.

In het grote geheel der gevaren voor de gezondheid zijn de geen-bloedvlekken en het haar waarschijnlijk de minste van onze zorgen, maar we beslissen dat ze een mooi uitgangspunt vormen om de Indiër om een nieuwe kamer te vragen. Ik word erop uit gestuurd om ons te laten overplaatsen.

‘Hallo!’ kraait de kleine Indiër in het kantoortje als hij me ziet. Hij doet geen moeite om de nattige kruimels van wat hij ook aan het eten is, van zijn trui te vegen. Hij lacht zijn natte-kruimeltanden bloot. ‘Heeft u besloten om alsnog voor 10 dollar een afstandbediening te nemen?’ Nee, leg ik uit, we willen graag een andere kamer. De man lijkt volledig van zijn stuk gebracht door mijn verzoek. ‘Hoe bedoelt u?’ kermt hij, zijn handen al halverwege de hemel.
Ik vertel hem over de vlekken en het haar in de lakens. ‘Nee, nee, nee, mevrouw, onze kamers zijn heel erg schoon,’ verzekert de man me. Ik wijs hem erop dat we al in de kamer zijn geweest en dat het daar zeer zeker niet schoon is. ‘U heeft het zeer zeker mis. Onze kamers zijn altijd schoon,’ houdt de man vol. Ik vertel hem over de waterschade en de losgetrokken stopcontacten en de algehele stroperigheid van de dingen. De brede lach van de man verandert inmiddels in een blik van zware teleurstelling en belediging.
- ‘I kan u niet geloven. U bent een erg vreemd persoon. Ik wens dit met eigen ogen te zien,’ poeiert hij mijn opsomming af, en stormt het kantoortje uit om de kamer te inspecteren waar Scot intussen uit alle macht probeert om tegelijkertijd zo ver mogelijk bij alle muren en het plafond uit de buurt te blijven – een kwetsbare positie die in de verte doet denken aan een magneet in een spanningsveld, tegelijkertijd afgestoten van en aangetrokken tot een zeer onstabiel centrum.

‘Kijk!’ vertellen we de man. We attenderen hem op de haartjes.
- ‘Waar heeft u het over? Ik zie niks.’
- ‘Kijk dan, daarzo! Op de lakens!’
- ‘Ik zie helemaal niets verkeerds,’ houdt de man vol.
- ‘Serieus, kijk dan toch!’ We wijzen naar de gaten in de muren, en de aanzwellende massa gruizig behang. De man raakt intussen licht geprikkeld. ‘Wat probeert u mij te vertellen? Dat mijn kamers niet schoon zijn? Mijn kamers zijn altijd zeer, zeer schoon!’ We besluiten hem de vlekken te laten zien. De man reageert als door een wesp gestoken. Terwijl hij ons om de oren slaat met zijn deze-was-ziet-er-alleen-maar-zo-vies-uit-omdat-hij-zo-schoon-is-verdediging, staat hij te stuiteren van verontwaardiging. Hij gebaart zo driftig dat we bang zijn dat hij zichzelf elk moment de nacht in kan propelleren – of richting het plafond om daar de vlekken die we nog niet hadden genoemd van dichtbij te bekijken. Maar nee. Als hij merkt dat we niet onder de indruk zijn van zijn verhaal, richt hij zijn maaiende armen op Scot en dirigeert hem naar een kant van het bed. ‘Nou vooruit dan maar. Ik geef u een andere kamer. Maar alleen voor deze ene keer. En u helpt me het bed opnieuw op te maken.’

Scot staart naar mij, dan naar de man. Meent hij dat serieus? ‘Alstublieft, neem het laken in uw linkerhand en trek het recht naar de hoek, alstublieft,’ zegt de man; zelf stopt hij het bevlekte laken aan zijn kant van het bed alvast keurig in, met haar en al. We zijn allebei te overrompeld om er iets van te zeggen; al wat we kunnen doen, is meewerken. ‘Nee, nee, nee, meneer, niet zo!’ instrueert de man Scot. ‘U moet zorgvuldiger zijn. Trek het laken precies tot aan… Dat is al beter… En nu hetzelfde met de deken… Nu vouwen we het uiteinde precies 5 centimeter terug. Let u intussen wel goed op?’ De man draait zich naar mij. Reken maar dat ik oplet. Ik sta vastgenageld. ‘Ha ha, let maar goed op mevrouw, dan kunt u thuis het bed voor uw man opmaken,’ grinnikt de kleine man voordat hij zich met hernieuwde energie op het stoffige bedovertrek stort. ‘Het is zeer belangrijk om een bed goed op te maken. Meneer!’ Hij richt zich weer tot Scot. ‘Wat doet u nu? Help me om dit recht te krijgen! Daar aan trekken! Die hoek instoppen! En raap dat kussen op!’

Vijf minuten en een volmaakt opnieuw opgemaakt – en nog steeds net zo smerig als dat we het aantroffen – bed later, drentelen we naar onze tweede kamer van de avond. Een snelle inspectie leert dat deze in iets minder verregaande staat van ontbinding verkeert dan de eerste kamer. De lakens zijn schoon. Vooruit dan maar. Hoe zit het met de beloofde HBO? vragen we de man voordat hij de deur uit kan stormen. ‘Ja, natuurlijk hebben we HBO! Het zit op kanaal 3!’ Onze gastheer heeft het duidelijk met onze belachelijke eisen gehad. Ik zet de tv aan; de zender springt naar 47. ‘Een voor een de kanalen naar beneden drukken tot u bij 3 bent! Niet zo snel! Niet zo snel!’ zegt de man gejaagd. Wanneer ik, twee minuten na een oneindigheid, bij kanaal 4 terechtkom, verspringt de zender rechtstreeks naar 2. ‘Ziet u?’ Ik kan het niet helpen. ‘Geen HBO.’ Met zichtbare tegenzin trekt de man een afstandsbediening tevoorschijn. ‘U daar, druk op de aanknop van de tv. Blijven drukken! En draai aan de knop achter u, op de muur. Nu!’ Terwijl ik druk en draai, toetst de man 0-3 in op de afstandsbediening en houdt de knop net zolang ingedrukt tot, uit het niets, een zender op het scherm verschijnt. Het kan alles zijn – het zou zelfs zomaar eens HBO kunnen zijn. Als we tien minuten later van zender wisselen, vinden we het kanaal niet meer terug.

Voor nu weet de man op zeker dat we tevreden moeten zijn. ‘Wel, goedenacht.’
- ‘Wacht!’ roepen we hem na. ‘Er lag nog eten in de koelkast in de andere kamer, misschien kunt u…’
- ‘Natuurlijk. U bent zeer welkom om het naar uw nieuwe kamer over te brengen,’ zegt hij en loopt de deur uit, onverslagen. De bank wint altijd.

Friday, May 21, 2010

Even Better Than The Real Thing


Even Better Than The Real Thing – U2

‘Forrest Gump Stopte Hier Met Rennen,’ zegt het bord langs Highway US 163, de hoofdweg door Utah naar Monument Valley. Een bus vol Aziaten stopt bij het bord; een kluit jongens en meisjes stroomt in gelid naar buiten om een foto te maken naast het bord. Maakt niet uit dat de zandsteen formaties van Monument Valley die in de verte tientallen meters omhoogrijzen de laatste overblijfselen zijn van de zandstenen lagen die ooit dit hele gebied bedekten. Of dat die lagen afgezet materiaal bevatten uit de Rocky Mountains; of zelfs dat archeologen de restanten van vele oude Pueblo-gemeenschappen en nederzettingen in de vallei hebben aangetroffen, of dat het tegenwoordig Navajo-gebied is. Nee. Forrest Gump stopte hier met rennen.

Nu is Forrest Gump geen bestaand persoon. Hij was de fictieve held in een kaskraker die 6 van zijn 13 Oscarnominaties won – en Tom Hanks zijn schattige mongolen-Oscar opleverde. Gegarandeerde prijswinnende regel voor jongens: speel een gehandicapte, maar overdrijf het niet – de poging van arme Sean Penn om een waarachtige geestelijk gehandicapte neer te zetten in I Am Sam kostte hem uiteindelijk zijn Oscar. Tuurlijk, hij werd volgens de regels genomineerd – zoals elke acteur die in een drama een gehandicapte speelt – maar Penns al te geloofwaardige, en dus ongemakkelijk om naar te kijken vertolking leverde hem uiteindelijk slechts kreetjes van afkeer op. Het moet wel gezellig blijven! Toegegeven, echt vrolijk werd je er niet van, van I Am Sam.
We willen een Rain Man met wie het nog een beetje lachen is en met wie we ons kunnen identificeren; die van spelletjes houdt op televisie, net als wij – zelfs de linkervoet van Daniel-Day Lewis was herkenbaarder, zeker als je bedenkt dat hij alleen die voet had om mee te werken.
Het doodleuke Tropic Thunder vat het aardig samen: ‘Everybody knows you never go full retard!’

De gouden regel voor meisjes is overigens: ‘lelijk’ doen. Zie Charlize Theron met 15 kilo extra en zonder camouflagestift in Monster, of Hilary Swank als macho in Boys Don’t Cry EN Million Dollar Baby (en twee keer de Oscar winnen!), of Halle Berry simpelweg met bloot gezicht in Monster’s Ball – zo gedurfd! (Nota bene: meisjes spelen beter geen gehandicapten: Jodie Foster’s Nell was een dappere poging, maar er staat niet voor niks nog geen remake in de planning.)

Maar goed. Mijn punt is dat Amerikanen een interessante manier hebben om je te laten weten dat je op een hele bijzondere plek staat. Begrijp me niet verkeerd, ik ben dol op verwijzingen naar de popcultuur. Die snap ik tenminste. En er gaat weinig boven rondlopen op een plek waar je nog nooit bent geweest en toch het gevoel te hebben dat je thuiskomt – alsof je deze plek kent, er bent opgegroeid; alsof je eindelijk wordt voorgesteld aan iemand van wie je altijd hebt gedacht dat het een fantasievriendje was, of over wie je lievelingsliedje is geschreven; alsof het landschap uit al je beduimelde Lucky Luke’s zomaar ineens tot leven is gekomen.



Wat het vreemd en ook een beetje dubieus maakt, is dat deze oneindig mooie landschappen, met ieder een miljard jaar aan geschiedenis, zo achteloos gereduceerd worden tot de plek waar Marty McFly met zijn DeLorean doorheen reed in Back To The Future III (Monument Valley); waar Thelma & Louise van een klif afreden, klats de aftiteling tegemoet (Dead Horse Point); waar je je kicks krijgt (Route 66).

Natuurlijk vind je in de staats- en nationale parken ook de verplichte bordjes met de historische achtergrond van een plek, maar die informatie wordt al te vaak naar de achtergrond gedrongen door de vele verwijzingen naar films en liedjes die deze plekken ineens en zomaar verbinden aan mensen die nooit hebben bestaan en gebeurtenissen die nooit hebben plaatsgevonden. Nergens vind je zo veel toespelingen op dingen die nooit echt zijn gebeurd dan op deze glorieuze plekken die van zichzelf al pulseren met geschiedenis en natuurhistorie. De doorlopende nadruk op popcultuur doet deze plekken simpelweg tekort. Het effect is dat het bijna onmogelijk wordt om er gewoon maar te staan en die miljard jaar aan geschiedenis op je in te laten werken. Waar trapte Louise ook alweer precies op het gaspedaal?

Het werkt ook de andere kant op: plekken waar niks noemenswaardigs gebeurt, transformeren in plaatsen van belang, onsterfelijk gemaakt in een liedje of een film. Op onze roadtrip door het Zuidwesten rijden mijn vriendin Silke en ik door Winslow, Arizona op weg naar New Mexico. In Winslow, Arizona gebeurt echt helemaal niks – ook niet volgens de touristen die en masse wegbleven. Maar toen schreven Glenn Frey van The Eagles en zanger/liedjesschrijver Jackson Browne het liedje Take It Easy, met daarin de beroemde regels ‘I’m standing on a corner in Winslow, Arizona / Such a fine sight to see / It’s a girl, my lord, in a flatbed Ford / Slowing down to take a look at me.’

En dus word je, als je vandaag de dag door Winslow, Arizona rijdt, door een miljoen borden zorgvuldig naar een willekeurige straathoek in het centrum van het dorp gedirigeerd, waar, inderdaad, een standbeeld staat van een muzikant met een gitaar. Achter hem zijn een muur en een bordje in elkaar gedraaid waar op staat: ‘Winslow Arizona’ en ‘Hier Sta Ik Op De Hoek’. Op de muur is een Amerikaanse zeearend geschilderd en een meisje in een flatbed Ford. Net echt! Uit de luidsprekers van de winkel op de straathoek er tegenover schallen Eagles-nummers. Daar verkopen ze het t-shirt.
Er is een hele website gewijd aan het fenomeen. Het punt is alleen, die muzikant heeft nooit echt op die straathoek gestaan en een meisje, mijn god, gezien in een flatbed Ford – laat staan een zeearend. Het is nooit gebeurd. Het is namelijk een liedje. Glenn Frey en Jackson Browne zijn er eens goed voor gaan zitten en hebben het uit hun dikke duim gezogen. (Mocht nou blijken dat Frey en Browne elkaar op die straathoek hebben leren kennen terwijl ze allebei meisjes in flatbed Fords aan het nafluiten waren en de Heer aanriepen, dan zal ik me eens een potje goed gaan schamen voor dit hele verhaal.)



Silke en ik gaan lunchen in het La Posada Hotel in hetzelfde Winslow. Gebouwd in 1929 voor passagiers van de Santa Fe Spoorwegen; het hotel wordt beschouwd als het ‘laatste grote spoorwegenhotel’ en is een nogal historisch monument waar verhalen van waargebeurde romantiek en avontuur en ellende zowat uit de poriën van de muren barsten. We zijn de enige bezoekers. Wikipedia heeft precies 76 woorden over voor de hele plek.

Voor oudere vakantievierders, en die twee gelukkige zielen die Forrest Gump gewoon helemaal hebben overgeslagen, presenteert Monument Valley het onvermijdelijke weetje dat hier op deze plek Marion Robert Morrison een cowboyhoed opzette en onsterfelijk werd als John Wayne. Silke en ik logeren een nacht in superlieflijk Ouray, Colorado – overladen met warme springbronnen en overigens aanbevolen door Lonely Planet als het stukje paradijs op aarde dat John Denver bedoeld moet hebben toen hij zong over Rocky Mountain High – en zoeken een plek om te eten. Het meisje achter de balie van ons hotel heeft het Outlaw restaurant in de aanbieding. ‘Ja hoor, de spare ribs zijn daar prima te doen, maar wist je dat John Wayne er zijn cowboyhoed heeft laten liggen?’ informeert ze gezellig. En we gaan. Naar het restaurant, en op de foto met de hoed van een legendarisch, macho filmpersonage gespeeld door een acteur die in het echte leven bekend stond om zijn ultrarechtse, überpatriottische, racistische, xeno- en homofobe (en, zoals ironie werkt, volgens de geruchten kast-homosexueel geaarde) denkbeelden voordat longkanker hem wegvrat van binnen. Lachen naar het vogeltje!



Als het eindeloze landschap van Arches National Park naar de Grand Canyon je al iets meegeeft, is het dit: dat de mens en al zijn strapatsen een terloopse jeuk zijn in de pels van de tijd; onbelangrijk, niet eens de moeite om te krabben. Grand Canyon was er al voordat de eerste mens het water uit wriemelde, en ligt er nog lang nadat we zijn verdwenen. De vraag is waarom nationale en staatsreservaten afbreuk zouden willen doen aan dat onmiddellijke en ontzaglijke gevoel van oneindigheid door het te verbinden aan de meest terloopse en kortstondige uitingen van menselijke cultuur? Waarom deze plekken ‘echter’ maken door er onechte herinneringen op te roepen?

Is Hollywood-fictie echt de enige manier waarop Amerikanen zich op elkaar en hun omgeving kunnen betrekken? Of vallen de eindeloze ongetemde gebieden die het land rijk is, domweg te ongemakkelijk rauw op hun dak? Zijn die landschappen, om de Oscars er nog een keer bij te halen, te waarachtige mongolen, onmogelijk te prijzen in hun naakte echtheid? Het zou de zorgvuldig aangebrachte lagen van identificeerbaarheid kunnen verklaren, en de drang om overal waar je gaat iets te vinden waarin je je kunt herkennen. In de woorden van Tom Robbins in Fierce Invalids Home From Hot Climates: het is allemaal ‘gewoon te verdomde echt.’

Als je bij Dead Horse Point State Park aankomt, kom je er al snel achter dat het fysiek onmogelijk is om met de auto tot aan de rand van de klif te rijden. En dat is maar goed ook; het zou maar lullige foto’s opleveren en een heel akelige juridische aansprakelijkheid. Je moet je auto parkeren op de parkeerplaats, een meter of 50 van de rand, en dan de rest te voet doen tot je tegen het middelhoge muurtje aanloopt dat ervoor zorgt dat je niet onverhoopt over de rand struikelt.

Laat je dus niks wijsmaken. Thelma en Louise zijn nooit over de rand gereden in Dead Horse Point State Park. De dames hebben net als iedereen 10 dollar per persoon betaald om binnen te komen; ze hebben hun cabrio gewoon geparkeerd op de parkeerplaats; ze zijn naar de rand gelopen en daar hebben ze het allemaal eens goed op zich laten inwerken – die wonderlijke sensatie dat de stilte letterlijk je oren verdooft, zoals ook in Grand Canyon of The Valley Of The Gods; stilte die zich onherroepelijk en fysiek een weg je hoofd in duwt en alle mogelijke verwijzingen naar popcultuur naar buiten perst. Ik vond het met niks te vergelijken. Alsof je diep onder water op de maan ademhaalt in een droom – misschien weten duikers zonder zuurstof wat ik bedoel. Veel onwerkelijker dan dan hoeft het allemaal niet te worden.



Bekijk de road trip video!

Thursday, April 22, 2010

Breakfast in Bed


Breakfast in Bed – UB40 & Chrissie Hynde
Of, altijd fijn: Breakfast in Bed – Dusty Springfield

Roland’s Navajoland Tours / Bed & Breakfast. Het bord en de uitgewoonde terreinwagen in de voortuin verraden met welke van de twee de eigenaar zich liever bezighoudt. We zijn gewaarschuwd. Maar ja, denken we, iedereen moet ooit gaan slapen – zelfs Roland. Mijn vriendin Silke en ik hebben de hele dag door Utah gereden; we zijn vanochtend uit Moab vertrokken en achtereenvolgens door Arches National Park, Dead Horse Point State Park, The Valley of the Gods, Goosenecks State Park, and Monument Valley naar het zuiden gekilometerd. Hoewel ons ad-hoc reisschema vanochtend nog dicteerde dat we het helemaal tot aan Grand Canyon zouden halen, zijn we blij om in Kayenta, Arizona te stoppen om te overnachten – ik ben serieus licht in mijn hoofd van de totaaloverdosis aan indrukken die zo ergens tussen Delicate Arch en de Drie Gezusters ongenadig insloeg. We zijn in Navajoland, en we zijn er klaar mee.

En zo kwamen we dit nogal melancholieke bord tegen, in deze nogal melancholieke voortuin in dit nogal melancholieke stadje. Ik stel me voor hoe Roland dit bord ooit heeft neergezet als kleurrijke lokroep aan reizigers van overal en nergens; vandaag staat het er vooral erg moe bij. Het oogt alsof het naar huis wil, opkrullen in bed en zijn laatste adem uitblazen. Nadere inspectie leert dat dit bord waarschijnlijk nooit een kleurrijke lokroep is geweest, voor geen enkele reiziger van waar dan ook, maar ergens tussen de uitgebrande bus op het terrein en de blauwogige husky op de veranda houdt het deze gare tuin dapper bijeen. Ik vind het bord wel wat. Silke weet het nog zo net niet.

Ik word er dan ook op uitgestuurd om binnen te vragen of Roland nog een kamer vrij heeft. De hond slaat haar staart twee keer hard en dof op de veranda. Mensen binnen zouden moeten horen dat ik eraan kom. Ik open de hordeur in de verwachting van een vestibule, of op zijn minst een halletje, maar in plaats daarvan struikel ik rechtstreeks een woonkamer binnen waar twee mannen en een vrouw gefascineerd naar een Spaanstalige soap zitten te kijken op de grootste LCD tv die ik ooit heb gezien. Als de Mormoonse kolonisten zich hadden toegelegd op het ontwikkelen van electronica in plaats van, nou ja, op het koloniseren van Indiaans gebied, dan nog zou deze tv vandaag niet groter zijn.
‘Uhhh… Hallo, goeiemiddag,’ stotter ik, licht van mijn stuk van al deze inbreuk op privacy. De vrouw kijkt om en lacht, verbaasd maar vriendelijk. De mannen tillen even een wenkbrauw op en concentreren zich dan onmiddellijk weer op de tv. Niemand staat op. ‘Hallo, ik vroeg me af of u nog een kamer voor twee heeft voor vannacht?’ De grotere van de twee mannen kijkt nog een keer op – zijn donkere blik schiet rechtstreeks naar de slechter verlichte plekken in mijn ziel. ‘Wat?’

‘Ja, nou, ziet u… Volgens het bord in de tuin… U bent een Bed & Breakfast, toch?’ probeer ik.
- ‘Oh ja?’ vraagt de man. Dat moet Roland zijn.
- ‘Uhh, ja, super, ik bedoel, ik hoop dat u nog een kamer heeft?’ Ik zak weg in het drijfzand van deze woonkamer, en hoe meer ik tegenstribbel, hoe sneller ik kopje onder ga. De man lijkt niet van zins om een eind te maken aan mijn misère. De vrouw kokhalst lang en luidruchtig, laat dan tot haar eigen opluchting een enorme boer en glimlacht nog eens naar me. De kleinere man graait een lusteloze handvol uit een grote zak met popcorn. De weeë geur van lauw-gesmolten boter golft door de kamer. Hij staart onbewogen naar het scherm, waar een hoogaantrekkelijk stel blijkbaar slecht nieuws heeft ontvangen: de bevroren wanhoop op hun gezicht duurt tot het beeld op zwart gaat en dan naar de reclame.

‘Je wou een kamer?’ De lange man springt op en staat in een verrassend katachtige beweging voor me. Zo van dichtbij is hij echt behoorlijk groot. Ik moet met mijn hoofd in mijn nek om hem in de ogen te kunnen kijken. Zijn grijze paardestaart reikt net zover over zijn rug als zijn boomstammen van armen in mijn verbeelding reiken om een zwarte beer bewusteloos te knijpen, of bijvoorbeeld een massief marmeren wasblok op te tillen en door het raam van een gesloten inrichting te gooien. Ik knipper met mijn ogen. Hij niet. ‘Ja heel graag, voor twee personen. Het liefst met twee losse bedden!’ Hoe slechter ik me op mijn gemak voel, hoe gezelliger ik word.
- ‘60 dollar,’ zegt Roland.
- ‘Uhhh, okee…’ zeg ik. ‘Heeft u WiFi?’
- ‘Huh?’ Roland klinkt noch oogt perplex, maar iets in de manier waarop zijn schaduw van vorm verandert op mijn gezicht zegt me dat hij geen idee heeft waar ik het in godsnaam over heb, maar dat hij ervan uitgaat dat het slecht is en gevaarlijk – zoals een razendsnel om zich heen grijpende bosbrand misschien.
- ‘Internet, heeft u hier een internetverbinding?’ leg ik uit. Roland staart terug.
- ‘Ze bedoelt voor de computer,’ schiet de vrouw me onverwacht te hulp. ‘En nee, we hebben hier geen internet, maar je kunt meeliften op de draadloze verbinding van de buren.’ Ze draait zich weer naar man. ‘Roland, laat de dame haar kamer zien.’
- ‘We doen hier niet aan ontbijt,’ zegt Roland – hij heeft ooit, vroeger, vast lang en hard nagedacht en besloten dat ‘Bed & Breakfast’ net wat gezelliger klinkt dan ‘Bed & Rot Op’ – en daarmee is de kous af. Ik hobbel achter hem aan de gang in, naar onze slaapkamer voor vannacht. Aan de muur, in de vorm en afmeting van een van die tegeltjes die je wel ziet aan de muur bij gezellige mensen, met teksten als Oost West Thuis Best of Uit Gouden Koorenaaren Schiep God De Beekenaren, hangt een bordje. Zie Ik Eruit Alsof Ik Van Mensen Hou?! staat erop.

Tot verveeld vermaak van het drietal slepen we onze koffers naar binnen, en vragen op weg naar buiten om een kamersleutel. Daar moeten ze alle drie erg hard om lachen – hoewel de vrouw zichtbaar haar best doet om haar milde minachting niet te laten merken. ‘Waar hebben jullie een sleutel voor nodig?’ zegt ze. ‘Jullie hoeven niet af te sluiten. Wij zijn de enigen hier.’ Met die gedachte in ons achterhoofd duiken we Kayenta in voor voedsel en vermaak. We komen er al snel achter dat Roland zijn voortuin zomaar eens de sprankelendste plek in de stad en daarbuiten kon zijn. Maar dan stuiten we op een piepklein bioscoopje aan het eind van een piepklein winkelcentrum. Vanavond: Date Night en Green Zone, allebei over een goed half uur. We stemmen voor Date Night, maar eerst snel eten in het Amigo Cafe.



Ik stort me op mijn enchilada; Silke toont iets meer waardigheid terwijl ze haar fajitas decimeert. Vijf minuten na het officiële startsignaal van Date Night zijn we terug bij de bios. Het meisje achter de kassa kijkt op en zegt: ‘Jullie zijn te laat.’
- ‘Ja,’ zegt Silke, ‘inderdaad, maar mogen we er toch nog in? We vinden het niet zo erg om de voorstukjes te missen.’
- ‘Sorry, maar Date Night draait vanavond niet. We hebben zojuist ook al twee mensen weggestuurd die te laat waren. En nu zijn jullie de enige twee die ‘m willen zien – en wij hanteren een minimum van 4 bezoekers voordat we een film draaien,’ zegt het meisje. Op Silkes voorstel dat we 4 kaartjes kopen zodat aan de minimumomzet is voldaan, rolt het meisje met haar ogen. ‘Ik weet niet zeker of dat wel kan,’ zegt ze. Maar ze bedoelt: Klote stadsvolk, dat komt hier met d’r gedrag en dan denken dat ze zich overal wel uit kunnen kopen. Nou, vanavond niet. Silke, de eeuwige reporter, laat zich niet van de wijs brengen. ‘Laten we samen uitzoeken of dat kan. Is je manager in de buurt?’ Het meisje rolt nog harder met haar ogen, zucht omstandig en pakt dan een walkie-talkie. ‘Shelley? Ik heb hier twee… mevrouwen, en die willen 4 kaartjes kopen voor Date Night zodat we de film draaien. Ik heb al gezegd dat ze te laat zijn.’

Twee minuten later klautert een ander meisje, niet veel ouder dan een jaar of 15, van achter een gesloten deur de lobby in, zichtbaar niet op haar gemak bij het zien van onze twee verwachtingsvolle gezichtjes. ‘Nou, kunnen jullie de film draaien als we 4 kaartjes kopen?’ dreunt Silke. Het meisje deinst terug, maar houdt voet bij stuk. ‘Nee, het spijt me vreselijk, maar daar kunnen we niet aan beginnen. U bent te laat.’
- ‘Nou, dat moet niet zo veel uitmaken, aangezien we de enige klanten zijn die de film willen zien – toch?’ Silke pauzeert even om het meisje de kans te geven om in te stemmen. Maar nee. Het meisje legt omstandig uit dat ze echt geen uitzonderingen kunnen maken want als ze daar aan beginnen dan lopen de bewoners van Kayenta morgen de zaal plat om allemaal hun eigen privévoorstelling te eisen en we kunnen ons vast wel voorstellen dat dan het einde zoek is. Dat kan niet de bedoeling zijn! We kijken om ons heen. Er staan precies 10 man in de bios – inclusief wij twee en vier man personeel. De hele stad en alle koeien van Kayenta bij elkaar kunnen met alle wil van de wereld het toilet van deze bios nog niet platlopen. We gaan dan maar naar Green Zone, op een scherm zichtbaar kleiner dan Rolands tv.

De film is niet slecht, maar na een half uur zit ik mezelf af te vragen waarom Jason Bourne bij het gewone leger is gegaan; ik mijmer hoe ik van los, uit-de-hand camerawerk altijd een beetje misselijk word en dan weet ik ineens op zeker dat ik het eind van de avond niet ga halen zonder spuit te kotsen.

Ik red het tot aan Rolands B&B, waar ik zo beleefd mogelijk mijn knieschijven eruit kots naast het linkerachterwiel van zijn terreinwagen. Stendhall, ik heb last van Stendhall-effect, ik weet het zeker – mijn onderontwikkeld gevoel voor schoonheid is simpelweg te zeer vervuld van de pracht van alle natuur die we vandaag gezien hebben. Het moet wel Stendhall zijn. Silke denkt dat het misschien de enchilada was. Of de twee zakken Twizzlers die ik in plaats van lunch heb opgeknaagd in de loop van de dag. ‘Wist je dat mannen onvruchtbaar kunnen worden als ze te veel van die shit eten!’ informeert ze wanneer ik even omhoog kom om adem te halen. Ik had geen idee.

Roland’s huis zag er vanaf de weg donker en verlaten uit, maar als we door de tuin naar het huis klauteren komt ons gedempt gelach tegemoet. Ik verwacht half en half dat we Roland en de vrouw horlepiepend in de woonkamer gaan aantreffen, onze onderbroeken op hun hoofd als frivole kanten feesthoedjes, terwijl de tweede man iets kunst- of handwerkerigs aan het doen is met onze paspoorten. Maar nee. Roland en zijn vriend zitten nog steeds tv te kijken op de bank waar we ze hebben achtergelaten, alleen nu niet naar een soap maar naar een basketbalwedstrijd. Ze vloeken, schrapen hun keel, boeren, kokhalzen en lachen dat het een lieve lust is; ze hebben het reuze naar hun zin. Ze knikken kort in onze richting als we ze een fijne avond wensen.

Ik zet in op een hete douche om te hergroeperen. Als ik de kraan aanzet, vloeit koud water een minuut of wat rijkelijk uit de tap – en droogt dan op naar een woestijnstraaltje. Ik trek mijn kleren weer aan, steek mijn hoofd om de hoek van de woonkamer en draal daar wat tot de eerstvolgende reclamepauze voordat ik de mannen stoor. Johnny Cash zijn moeder leerde hem misschien dat hij een brave jongen moest zijn en niet met geweren moest spelen; aan de andere kant van de wereld drukte mijn mijn moeder mij dit op het hart: eerst netjes vragen voordat je ergens aan zit dat niet van jou is, en altijd beleefd zijn. (En te allen tijde schoon ondergoed aan voor het geval je onder de bus komt op weg naar school – waar ik vandaan kom worden ambulances voor verkeersslachtoffers blijkbaar onmiddellijk afgeblazen als er ook maar een vermoeden bestaat van remsporen.)

Dus ik wacht tot de reclame en zeg: ‘Pardon meneer, ik geloof dat de douche het niet doet. Zou u zo vriendelijk willen zijn om even te komen kijken?’ De mannen kijken naar me alsof ze iets vaag onaangenaams ruiken – de weeë geur van lauw-gesmolten popcornboter misschien. ‘Ik doe misschien iets niet helemaal goed,’ voeg ik eraan toe.
- ‘Dat lijkt mij ook,’ zegt Roland, maar dan haalt hij zijn schouders op en taalt naar de badkamer om de douche te temmen naar een gehoorzame, ferme hete straal. Als we de volgende ochtend bij het aanbreken van de dag wegrijden, is er geen spoor meer te bekennen van mijn spuitkots van de vorige nacht. De aarde heeft zich geopend en alle resten opgeslokt, haar gevoel voor schoonheid niet in het minst onder de indruk van mijn bijdrage aan de natuur. We zijn tenslotte in Navajoland.

Sunday, March 14, 2010

Somewhere Over The Rainbow


Somewhere over The Rainbow – Judy Garland

‘Mevrouwtje? Loopt u maar even mee.’ De douanebeambte op het internationale vliegveld van Belfast trekt zijn rubberen handschoenen vast aan.
- ‘Wat is er aan de hand, meneer?’ vraagt mijn vriendin Ilse, immer de communicatiedocent – dus met een open, belangstellende houding en neutrale vraagstelling in plaats van met het licht offensievere ‘Ik dacht het niet, vriend’.
- ‘Standaardprocedure, mevrouwtje,’ zegt de beambte met een blik die verraadt dat hij een nare uitslag gaat krijgen van het rubber. Maar alle andere mensen staan nog gewoon in de rij met hun paspoorten in de aanslag, merkt Ilse op terwijl ze achter de man aanloopt. Misschien toch niet zo heel standaard, deze procedure? De beambte kan er niet om lachen. Op naar een van de tl-verlichte interrogatieruimtes die het vliegveld rijk is.

Ilse komt op bezoek. Toeval wil dat ze voor haar werk een week naar Belfast moet om typisch Nederlandse communicatielessen te geven aan studenten aldaar, en daarna een paar dagen vrij kan nemen. Als ze dan toch een rondje Britse koloniën doet, kan ze net zo goed meteen door naar New York. Waarom tijd verspillen door eerst terug naar huis te gaan? Ilse boekt een vlucht van Amsterdam naar Belfast, van Belfast via Londen naar New York en van New York rechtstreeks terug naar Amsterdam. Gewoon, lekker praktisch, volgens ons. Maar niet volgens de Britse en Amerikaanse douane.

In Londen wordt mijn vriendin wederom uit de rij voor de douane geplukt, en een tweede keer ondervraagd op een plek waar het nooit donker wordt. Wat heeft ze in Belfast gedaan? Hoezo, gewerkt? Voor wie werkt ze dan wel? Kan ze dat aantonen? Waarom gaat ze niet gewoon terug naar Amsterdam? Wat gaat ze doen in New York? Wie is die vriendin? En waarom heeft mevrouw nu dan een nacht doorgebracht in een willekeurig vliegveldhotel in Londen?

Uiteindelijk mag ze van Londen door naar New York. Het vliegtuig landt zonder brokken. Ik zit vol verwachting in de aankomsthal. Maar geen Ilse. Ik wacht nog wat. Nog steeds geen Ilse. Wanneer ze uiteindelijk door de schuifdeur komt, heeft ze voor de derde keer in 24 uur in een ondervragingskamertje gezeten, nu met twee man Amerikaanse douane die wilden weten wat ze nou eigenlijk precies kwam doen in het land van de vrijen. Welkom! roep ik maar.

Mijn vriendin is hoogopgeleid, West-Europees, zonder religieuze overtuiging of ander strafblad, altijd vriendelijk en ook nog eens mooi. Waarom wordt ze op een en dezelfde route tot driemaal toe uit een rij passagiers gehaald? Aan welk onheilspellend profiel voldoet ze zonder dat ze het weet?
Wordt ze misschien verward met iemand op de Amerikaanse zwarte lijst van potentiële luchtvaartterroristen (een dergelijke lijst om vermoede terroristen op de vlucht te weren, staat ook op het menu voor Europa)? Als het achtjarigen kan overkomen, dan is niks meer vanzelfsprekend.
Misschien ligt het aan de beveiligingsapparatuur op vliegvelden. Voor scanners die Mexicaanse saus kunnen aanzien voor explosieven, vormen ouwe sokken misschien ook een potentiële dreiging voor de staatsveiligheid.
Staat er iets raars in haar passagiersgegevens?
Is de combinatie van steden (Amsterdam-Belfast-Londen-New York) verdacht? Of het feit dat ze als vrouw alleen reist, met een rugzak? We komen er niet uit.
Je mag wettelijk weigeren om te antwoorden op persoonlijke vragen door douaneambtenaren. Helaas hebben zij op hun beurt precies die vingerhoed aan macht waarmee ze je vervolgens kunnen weigeren op je vlucht. Je verliest hoe dan ook. Van de luchtvaartindustrie kun je niet winnen.

Ilse en ik zijn gelukkig allebei van het type dat al eens graag het goede ziet in de mens, en goeie bedoelingen herkent in organisaties en de dingen die ze doen. Ook als we daarvoor de feiten geweld moeten aandoen. Regenbogen, noemen we dat. Kale waarheid, daar is tenslotte nog nooit iemand gelukkiger van geworden. Ook de luchtvaartpraktijk moet te regenbogen zijn.
Misschien is drie keer ondervragen wel een poging van de luchtvaartmaatschappij om Ilse een vorm van waar voor haar geld te geven, bedenken we in de bus van het vliegveld naar mijn huis.
Deel van de totaalprijs voor ieder vliegticket bestaat uit verplichte luchtvaartbelasting en heffingen. Een deel daarvan is zogenoemde reizigersveiligheidsbelasting. Die belastingen zorgen ervoor dat bijvoorbeeld op een online retourtje Belfast-New York van $ 386 maar liefst $ 435 aan heffingen en belastingen wordt geheven. Dan betaal je ineens $ 821 voor een vlucht van $ 386. Meer dan de helft van de prijs die je in dit geval betaalt voor een zitplek op een vliegtuig, heeft niks te maken met die zitplaats of dat vliegtuig.

Het punt is dat Ilse drie verschillende tickets heeft gekocht om in New York te komen, dus drie keer die veiligheidstax heeft betaald. Daar mag ze wel eens wat voor terugzien, dacht de luchtvaartindustrie in onze positieve draai aan de gebeurtenissen. Weet je wat, dachten ze, voor dat geld mag deze mevrouw een kijkje nemen achter de schermen van luchtvaartbeveiliging, en van dichtbij meemaken hoe wij dat doen, onze reizigers een veilig gevoel geven. En niet één keer, maar drie keer. Ilse en ik beslissen dat we deze geregenboogde versie van de feiten voorlopig voor waar aannemen.
Het kan tenslotte niet zo zijn, denken we, dat luchtvaartmaatschappijen mensen $ 435 extra laten betalen voor reizigersveiligheid en ze die dikbetalende reizigers vervolgens behandelen als een gevaar voor de maatschappij. Dat zou pas gek zijn.

Tenzij, denken we een eindje verder, de luchtvaartindustrie internationale vliegvelden wil profileren als locatie voor een nieuw soort extreme adventure sport. Extreme sporten zijn activiteiten waar je meer afziet naarmate je meer betaalt. De Kilimanjaro beklimmen, zwemmen met haaien, op militair dieetkamp gaan, basejumpen van de Eiffeltoren, van die dingen. U dacht dat u alles wel gezien en gedaan had qua duur lijden? Voor een heffing van boven de $ 400 op uw vliegticket garandeert de luchtvaartindustrie u tenminste één individuele ondervraging met visitatie op elke, willekeurige, internationale vlucht.
Gaat dat u te ver? In de standaardheffing zit in ieder geval een portie Veel Te Lang In De Rij Staan, Hier Met Die Privacy, en Deels Ontkleden Ten Overstaan Van Vreemden. Er zijn mensen die daarvan houden, van afzien voor geld.
(De uitzonderling die het niet zo heeft op avontuur tijdens de reis, of die gewoon op tijd op zijn bestemming wil zijn, kan zich altijd nog voor $ 100 per jaar als ‘Deugdzaam reiziger’ laten registreren – nou ja, nadat hij zijn privacy, iris- en vingerafdrukken heeft opgegeven en een achtergrondonderzoek geen verdachte bewegingen heeft opgeleverd. En uiteraard bovenop de heffingen en belastingen voor een ticket.)

Douaneperikelen als extreme sport. Een soort basejumpen, maar dan op de grond: met de spanning van een normaalgesproken onuitgenodigde en ook nu altijd toch nog onverwachte lichaamsinvasie in plaats van de adrenaline van een vrije val. Deze versie kunnen we ook zomaar voor waar aannemen. Dan kunnen we als bonus de luchtvaartindustrie bewonderen om hun inventieve en progressieve klantenservice vermomd als steeds verdergaand veiligheidsbeleid. Een nieuwe niche vinden voor vliegreizigers moet lang niet makkelijk zijn geweest (wat kunnen reizigers nog meer willen dan gewoon op tijd aankomen op hun plaats van bestemming?); dat de luchtvaartindustrie zo onverschrokken inzet op extreme sporten voor onderweg, toont een buiten de gebaande paden denken dat we alleen maar kunnen toejuichen. Hoera voor de luchtvaartindustrie.