Monday, September 14, 2009

Rapture


Rapture – Blondie

‘Hoed u voor het teken van het Beest! Het teken 666 op uw arm of voorhoofd leidt onherroepelijk naar de hel! Jezus komt! De Wegvoering is nabij!’ Er is geen enkele hapering in de stem van de meneer. Het einde is zo nabij dat er geen tijd is voor een adempauze, ook niet na een uitroepteken. De meneer houdt een beduimelde bijbel opengeslagen naar het tl-licht in de metropassage onder 42nd Street, maar kijkt strak over de pagina’s heen de lange gang in, alsof god elk moment om de hoek kan komen aanzetten om de laatste metro naar huis te halen.
Hij weet wat er in zijn bijbel staat – en wat het betekent. Wie geen overtuigd (en overtuigend) christen is, wordt bij de Wegvoering niet op enkel transport naar de hemel gezet, maar zal onuitsprekelijk lijden op aarde onder het digitale consumentendictatoriaat van het Beest.
Ik krijg in het voorbijgaan een folder van zijn collega, een mevrouw met nogal verpieterd haar. Die legt het allemaal stapsgewijs uit: wanneer het einde komt, hoe de signalen te herkennen en – niet onbelangrijk – wat te doen als het tijd wegvoeren is en je blijkt geen goed gelovige (‘Tip # 1: raak niet in paniek, dat heeft nu namelijk echt geen zin meer.’ […] ‘Tip # 4: bid zoals je nog nooit van je leven hebt gebeden.’). Ik ben blij dat ik er eentje heb. Je weet maar nooit!

Het einde van de wereld zoals we die kennen, heeft voor de meneer en de mevrouw geen geheimen, maar het moet worden verkondigd – ook onverbeterlijke zondaars verdienen een kans op redding, of dan toch in elk geval een eerlijke waarschuwing. En waar vind je meer goddelozen dan dan pal onder Times Square, het rottend hart van het hedendaagse Sodom en Gomorra? Lijnen A, C en E Uptown rechtsaf; lijnen 1, 2, 3 Downtown linksaf; iedere vertakking een gapende muil naar de voorportalen van de hel. De ondergrondse navelstreng die Times Square verbindt met Grand Central, draait en kronkelt en lilt met verloren zielen. Een hoogverzorgde mevrouw klik-klakt langs. ‘Gods wraak zal neerdalen op eenieder die het teken van het Beest draagt! De tekenen van de profetie zijn onmiskenbaar!’ De mevrouw zuigt op haar wangen en krult haar lippen – het nieuwe fronsen voor gebotoxten – in misprijzen over zo veel slechte smaak en versnelt haar pas naar een liederlijke dans op de tegels.

Einde-van-de-wereld-verkondigers in Amerika doen niet aan natte-vinger-raadwerk of op goed geluk interpreteren van de bijbelse profetieën. Ze hebben een website, RaptureReady.com, ‘om al deze componenten te standaardiseren. Op die manier worden de grote verschillen die nu bestaan in profetie-meldingen, geminimaliseerd’. Vergeet de christelijke Wikipedia en zijn creationistische bijna-wetenschap: sleutelrol op de Wegvoeringssite is weggelegd voor de Wegvoerings Index die onweerlegbaar becijfert hoe waarschijnlijk het op enig gegeven moment is dat de Wegvoering, zoals die is voorspeld, er aan zit te komen. De index is gebaseerd op een select aantal categorieën (zoals daar zijn Werkloosheid, Afgoderij, Iran en Rusland, Overstromingen en Liberalisme) waaraan gewicht wordt gehangen dat opgeteld tot een eindcijfer komt. De index geeft een exacte indicatie van profetische activiteit, wat weer de graadmeter is voor de ‘kans op Wegvoering’. Wat de Index betekent, aldus de ‘profetische snelheidsmeter’, is dit:
‘- een wegvoeringsindex < 100 = lage profetische activiteit
- een wegvoeringsindex 100-130 = matige profetische activiteit
- een wegvoeringsindex 130-160 = hoge profetische activiteit
- een wegvoeringsindex > 160 = zet je maar schrap’

De index op moment van schrijven, begin september 2009: 163. Dat je het weet.

Sunday, September 13, 2009

God Only Knows


God Only Knows – The Beach Boys

Op de hoek van de straat, naast de metro-ingang van 96th Street en Broadway, staat een roepende meneer met een bijbel, een kluit folders in keurige pakketjes naast hem op de stoeprand. Ik loop bijna iedere dag langs hem heen, de metro in. De meneer citeert en declameert onvermoeibaar. Het woord moet worden verkondigd – ook als de lucht dreigt en dondert zoals op deze gruizige augustusmiddag. ‘Zes dagen zal men het werk doen; doch op den zevenden dag is den sabbat der rust, een heiligheid des HEEREN! Wie op den sabbatdag arbeid doet, zal zekerlijk gedood worden!’ Het gezicht van de meneer betrekt, heel even, bij de gedachte. Het is zondag. Het is maar goed dat hij niet betaald krijgt voor de waarschuwingen die hij de voorbijgangers op het hart drukt.
Dat god almachtig is en dat Jezus van iedereen houdt, dat weten ze nou wel. Wat de mensen niet weten, is dat god ook heel erg boos kan worden. En dat je dan maar beter aan zijn kant kunt staan. De Heer is niet kinderachtig als het op straf aankomt, weet de meneer. ‘Hoor Lucas 19: 26-28! Want ik zeg u, dat een ieder, die heeft, zal nog meer gegeven worden! Maar degene, die niets heeft, van dien zal zelfs ontnomen worden wat hij heeft! Doch mijn vijanden, die niet hebben gewild, dat ik over hen koning zoude zijn, brengt ze hier, en slaat ze hier voor mij dood!’

God is groot in Amerika. Hoewel de aantallen langzaam dalen, is nog steeds 87% van de bevolking actief overtuigd van een hogere macht – of meerdere. In New York City vormen katholieken en protestanten de grootste groep met respectievelijk 40 en 30% (verdeeld over meer dan 200 kerken); 8.5% van de Newyorkse gelovigen bestaat uit joden (in een goeie 50 synagogen), 3.5% uit moslims (met een verrassende 100+ moskeeën), 1% verklaart boeddhist te zijn (en doet dat in meer dan 20 tempels) en 13% (nogal sip, want die zitten gewoon thuis) gelooft dat god niet bestaat of gelooft niet dat god bestaat – tenminste, niet in de vorm van een man met een baard. ‘Dat er iets is’ is, voorzover ik weet, nog geen officieel geloof. In de overige 4% niet nader gespecificeerden, zitten in ieder geval genoeg mensen om 15 kerken voor jehovah’s getuigen en een handjevol hindoestaanse tempels te vullen. Ik ben benieuwd waar de meneer op de hoek zijn niche heeft gevonden.

Het begint te regenen, een zeer Newyorkse zomerhoos. De schoenen van de meneer op de hoek zijn binnen een paar tellen zo doorweekt als zijn nylon pak. Het deert hem niet. Liet Noah zich weerhouden door wat nattigheid? Binnen vijf minuten kolkt het water langs de stoepranden en de hopeloos verouderde stadsriolering, over de trappen heen, de metro in; voor het einde van de middag zal het ook door de betonconstructie heen druppen op de hoofden van de mensen op de perrons. Voor nu plakken de folders van de meneer aaneen, worden dan opgetild door de stroom en varen als papieren plezierbootjes richting de riolen van West End Avenue. De meneer kijkt ze onbewogen na. Hij is niet bang voor een nieuwe vloedgolf. Kom maar op met die dag des oordeels. Er is een plek voor hem gereserveerd op de boot.

Tuesday, August 25, 2009

Don't Tell Me


Don’t Tell Me – Madonna

Ik leef het tweede weekend van augustus op eiland-tijd. Mijn lief en ik hebben een huisje gehuurd op het paradijs voor schelpenzoekers: het eiland Sanibel dat langs de enkels van Florida ligt als muizenpoep langs de plinten van een Rotterdamse Chinees - klein en onvermijdelijk. We zijn hier om te getuigen bij de bruiloft van twee vrienden. De aanstaande bruid en ik ontsnappen de klamme deken aan buitenlucht om haar e-mail te doorzoeken op ideeën voor trouwceremonies. Zij start de computer op in de ontvangstruimte van onze accommodatie; ik blader door een kasteelromannetje dat ik heb gevonden in de kleine boekenkast naast het rek met Sanibel-folders. De onervaren directiesecretaresse. Terwijl ik me vaag afvraag hoe bons en typiste elkaar ooit gaan krijgen op het eind (hij is zo veel ouder dan zij, en hun karakters botsen ook nog eens!), dreunt een stem achter me: ‘Bent u de rij voor de computer?’

Mijn ‘Nee, we horen bij elkaar’ ketst af tegen mijn vriendins ‘Bijna klaar, ik probeer al die huwelijksceremonies uit te printen, dan kies ik later wel’. Het gezicht van de man licht op als vuurwerk in een brievenbus. ‘Ach, de jongedame gaat trouwen? Gefeliciteerd! Och och, wat een poppetje ben je! Wat moet u een trotse moeder zijn!’ De uitsmijter is naar mij gericht, een en al brede glimlach. Wat hij terugkrijgt aan uitdrukking op mijn gezicht houdt het ergens tussen een ongelovige giechel (dat méén je niet!), een diepgevroren grimlach (nou moet je uitkijken, vriend!) en een verontruste zenuwtrek (ohmijngodzieikeruitalseenmoeder?!).
De man lijkt mijn emotionele lekkage niet op te merken. Hij roept verrukt: ‘Nou, dat is óók toeval, morgen zijn mijn vrouw en ik vijftien jaar getrouwd! En nog steeds zo gelukkig als een kind in de modder, ha ha!’ Voor ik de kans krijg om bij te komen van mijn afgrijzen en de man ofwel koud te negeren ofwel lauw terug te feliciteren, kraait hij verder: ‘Nou ja, het is voor haar natuurlijk niet altijd even makkelijk, he, een man met een hersentumor. Mijn chemo zit er net op, en hij is nou een stuk kleiner dan die was. Nog ongeveer zo groot als een golfbal. Ik voel me niet ziek ofzo, bij mij doet het meer zoiets van dat ik niet kan inschatten of ik nou boos ben of verdrietig – ook niet bij andere mensen, ha ha! Wie had dat ooit gedacht, een golfbal in je hoofd die je gevoel het bos in stuurt. De dokter zegt dattie precies boven mijn linkeroog zit, hier!’ Hij priemt een wijsvinger naar een plek pal boven zijn rechteroog, lacht zijn brede tanden bloot, en zwijgt.

Amerikanen hebben het netelig talent om willekeurige vreemden te overvallen met persoonlijke informatie, uitgesproken op een achteloos-spontane toon die onmiddellijk zorgt voor een compleet ongemakkelijke situatie – tenminste, wanneer ik die vreemde ben. Hoe ga je om met übervertrouwelijk nieuws van iemand die je nauwelijks kent? Het lastige is, dat de lukrake intimiteit bij nader inzien helemaal niet zo heel spontaan is – en ook niet zo heel persoonlijk. Voor de meeste Amerikanen is je psyche op tafel gooien vergelijkbaar met een weerpraatje, alleen dan over jezelf. Of het nu een monoloog is over iemands medische geschiedenis, of een gedetailleerde weergave van verkeerde keuzes, het is niet de bedoeling dat je er inhoudelijk op reageert. Stel een open vraag en je gezelschap schiet gegarandeerd in de verdediging. Waar bemoei je je eigenlijk mee? Je goedbedoelde poging om alle bedremmeling weg te nemen, slaat keihard dood. Ineens is iederéén ongemakkelijk! In het beste geval worden je vragen genegeerd en sputtert je gezelschap nog wat na over je veel te vrije Oude Wereld-opvoeding. Rare Europeanen en hun erbarmelijke etiquette!

De man lacht nog steeds. Hij wacht duidelijk op een reactie van mijn kant. Ik weet zijn naam niet eens. Wat kan hij hier nou op terug verwachten? Wat je ook doet, geen vragen stellen! spreek ik mezelf streng toe. Ik haal diep adem en ga voor ferm maar nietszeggend. ‘Jemig meneer, een hersentumor, dat is nogal wat!’ Ik wil het liefst met mijn vuurrode hoofd in zee springen. Dit is echt te erg.
– ‘Nou, je haalt me de woorden uit de mond!’ reageert de man gezellig. ‘Ik had natuurlijk een paar jaar geleden al die huidkanker, op mijn rug. De zon hier is moordend, ha ha! Daarom hou ik tegenwoordig altijd mijn overhemd aan, zeker op de boot. Ik ben een echt schipperskind. Heel mijn leven al op het water gezeten. Moeder de vrouw vond het eerst maar niks maar ze kan er nou prima mee overweg. Hebben jullie dames nog plannen om een boot huren op het eiland?’ En zomaar, of het niks is, zitten we niet meer de stress, maar weer lekker in eiland-tijd.

Tuesday, August 18, 2009

Help!


Help! – The Beatles

Vanaf de lichtovergoten straat struikel je een instant zonsverduistering binnen. Achter de deur is alles donkerblauw en slecht verlicht. Paspophoofden zonder lichaam, maar overgoten met kaarsvet, zijn vastgenageld aan de muur. De sfeer is grimmig-somber en onberekenbaar. Pal na de ingang staat een dj kromgebogen over een dubbeldeck. Hij draagt een oorverdovende steen bij aan het algemene gevoel van ontregeling met een mix die bonkt als een hart in ventrikelfibrillatie. Mijn lief en ik zijn in de Diesel Fifth Avenue winkel, op zoek naar een spijkerbroek. Diesel Fifth Avenue is heel erg van nu. We verzekeren elkaar dat de tijdelijke nachtblindheid en meteen daarna de struikelpartijen over willekeurig rondgestrooide uitstaltafels uiteindelijk maar kleine offers zijn Voor Een Succesvol Leven. Onze ogen wennen langzaam aan het halfdonker. In een verre hoek van de winkel ontwaren we stapels spijkerbroeken, op hopen bijeengegooid in open kasten zonder labels. Mijn hart zinkt een paar verdiepingen. We gaan hier op eigen houtje echt nooit vinden wat we zoeken. We besluiten om dicht bij elkaar te blijven en te wachten. Onze verlosser kan nu ieder moment opdoemen uit dit vagevuur voor interieuradviseurs.

Wie gaat winkelen op Manhattan, loopt normaalgesproken al snel tegen een assistent aan.
– ‘Hai, ik ben Brianna/LeShawn, ik ben hier voor jouw gemak. Kan ik alvast een paskamer voor je reserveren?’ Zodra je binnenkomt, draaft een meisje of jongen in de breedste lach van het seizoen je tegemoet, klaar om je te helpen. Tenslotte zijn zij de enigen in de winkel die weten wat er in de winkel te koop is, op welke verdieping het te vinden is – en in welke maat je het moet hebben.
Niet alle winkels doen aan assistenten. Sommige winkels hebben alleen normale werknemers, die de rekken en de kassa bijvullen. Het verschil tussen de twee typen winkels is ongenadig groot. Werknemers in een zonder-assistenten-winkel hebben geen idee wat er in hun winkel te koop is; ze konden je niet vertellen op welk rek die jurk uit de etalage hangt als hun leven ervan afhing. Ze zijn vooral goed in het negeren van klanten. Nog vijf uur, dan kan ik weer naar huis! fixeren ze hun blik alvast op de deur in verveelde verwachting.

Maar goed. Het hele assistentending speelt zich voornamelijk af in conventionele winkels. Diesel Fifth Avenue is niet conventioneel. Conventioneel is namelijk niet van nu. Diesel Fifth Avenue is van nu. Heel erg. Hoewel: uit de schemermist om ons heen vangen we flarden op van verre misthoorns (‘Nee ik maakte geen grapje: je moet hem in maat 42 hebben’ en ‘Ik had alvast een paskamer ingeruimd’) die toch echt aangeven dat de Diesel winkel een vloot aan assistenten bergt. Waar blijft onze verlosser in spijkerbroek?

Ineens schieten we, in een salvo aan stroboscopisch licht, polaroids van een androgyn silhouet in skinny jeans, verstild in de verre hoek. Dat moet er een van hier zijn. Van dichtbij bewijzen de zware oogleden, de smalle schouders en de bleke huid dat deze jongen veel, heel veel tijd in de winkel doorbrengt – maar als we dichterbij schuifelen, staart hij de andere kant op. Hij lijkt zich volmaakt onbewust van onze aanwezigheid. Worden we genegeerd?

– ‘Hai!’ zeg ik. ‘Ik had een vraagje…’ We kijken de jongen vol verwachting aan. Hij, op zijn beurt, staart naar iets oneindig interessants, pal achter mijn linkerschouder. ‘Hallo!’ probeer ik opnieuw. ‘We zijn op zoek naar een spijkerbroek, en…’
– ‘Uhhh, ja, dus, ik … uhhh… Jimmy?’ vraagt de jongen, nogal onverwacht; zijn bloeddoorlopen ogen stellen langzaam scherp. ‘Nee, we zijn Jimmy niet. Volgens mij heet die broek…’ zet ik dapper door, maar in een grootse pirouette is de jongen verdwenen, het duister in. Ik grijp mijn lief beet. ‘We zijn hier beter weg!’ fluister ik. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Ik ben bang dat ik de uitgang van deze doordachte boudoir chic niet eens op de tast kan vinden. Dan lijkt de lucht naast ons te verdichten – en daar staat de jongen weer. Hij oogt zo mogelijk nog verweesder dan voorheen. In zijn dunne vingers knookt een spijkerbroek.
– ‘Jaaah, duss ehhh… dit zou moeten werken… Jimmy…’ mompelt hij uitdrukkingsloos. Hij drukt de broek in onze handen. – ‘Jamaar hoe weet je of het de goeie m…’ begin ik, maar kom niet toe aan de rest. De jongen is weer in het niets opgelost. Dit keer komt hij niet meer terug. Na een tijdje struikelen we per ongeluk een verduisterde paskamer in; de spijkerbroek past perfect. Voor we zijn bijgekomen, vraagt het meisje bij de kassa of we nog door iemand geholpen zijn vandaag. We zouden het echt niet weten. Ze begrijpt ons helemaal. Allejezus, die Diesel Fifth Avenue is van nu.

Saturday, August 15, 2009

Pure Shores


Pure Shores – All Saints

De binnenkant van mijn oogleden gloeit warm oranje. Nul gedachten in mijn hoofd. In de verte zoemen en ruisen en lachen onbekende stemmen, af en toe springt een kindergil boven de aaneengerijgde geluiden uit en het ondergronds gedempte geluid van blote voeten in het zand karnt in de kelder van mijn eigen hoofd. Over alle schemer van stemmen heen het eindeloze breken van golf op rots. Ik veeg wat lui zand uit mijn navel. De branding komt dichterbij, wordt luider. Veel luider. Oorverdovend. Krijsend. Ze staat op het punt om op mijn hoofd neer te storten. Ik knijp mijn ogen stijf dicht en dan herinner ik me: ik ben niet in Scheveningen.
Ik ben een dagje aan het strand van Rockaway in Queens, op een van de broeierigste dagen deze zomer tot dusver. Het krijsend geraas komt van de vliegtuigen op de afvliegroute van John F. Kennedy Airport – een route pal boven het strand. Toestellen vliegen zo laag over dat je met gemak op het aluminium kunt lezen van welke maatschappij ze zijn. Emirates, KLM, Lufthansa. Ongetwijfeld op weg naar vriendelijk-exotische stranden waar badgasten zich niet ieder kwartier rot schrikken dat de wereld vergaat.

New Yorkse stranden zijn niet gezellig. Je vindt er geen roseetjes of luie hangmuziek of strandstoelen – en dus ook geen toeristen. Badmeesters, die zijn er wel. Om de vijftig meter, in hoge oranje badmeesterstoelen in het zand. Helaas zonder de verwachte Baywatch glamour – de onderstroom bij Rockaway kan zo gemeen onvoorspelbaar zijn dat alleen al op dat stuk strand de afgelopen 10 jaar meer dan 30 zwemmers zijn verdronken. Een goeie kilometer verderop van waar ik lig, is een dag eerder een drie verdiepingen hoge haai aangespoeld op het strand. Over een paar weken wordt de nietsvermoedende zwemmer tot wanhoop gedreven door een miljoen kwallen. De Atlantische kust doet niet aan gezellig; ze doet aan onderstroom, tanden en tentakels.

Ik open een oog en leun op mijn ellebogen. Een British Airways boeing zeilt in een fraaie bocht richting horizon. De gierende krijs kalmeert weer naar hypnotiserende branding. In het water houdt een drietal gouden bikini’s angstvallig het geblondeerde haar droog. Vijf stuks spierballen wachten op de perfecte golf. Een troep kleine meeuwen bombardeert de branding kamikazestijl. De lucht aan de horizon trilt. Ik moest maar weer eens een duik nemen. De wereld vergaat pas weer over een kwartier; de voorraad ijzeren kaken met wit-wegdraaiende ogen lijkt vooralsnog verborgen in diepere wateren. Het is tijd om goed gemangeld en gebutst te worden door de meedogenloze beuk van de Atlantisch Oceaan. Roseetjes en hangmuziek? Ik dacht het niet. Bodysurfen en straks naar huis vol schaafwonden, maar met kloppend hart. Dat is pas vermaak.

Tuesday, August 11, 2009

Castles Made Of Sand


Castles Made Of Sand – Jimi Hendrix

Op Manhattan na hebben alle New Yorkse stadsdelen een kustlijn met strand. Staten Island, Queens, Brooklyn, de Bronx: je kunt in principe overal het water in. Nou ja, tussen 10 en 6 en binnen de lijnen die zorgvuldig zijn getrokken door de New Yorkse Coast Parks Commission, maar toch. En dat doen New Yorkers dan ook. Maar het is niet vanzelfsprekend om een hele dag naar het strand te gaan. Er is namelijk helemaal niks voor strandgasten. Op Rockaway Beach in Queens is het, ook in het weekend, droevig gesteld. Geen ijscoman, geen patatkraam, geen strandstoelen te huur. Een golfplaten hotdogverkoper achter de houtenplankenboulevard, ingeklemd tussen een openbaar toilet en een plastic zonnebrillenwinkeltje. Een coverbandje doet Pink Floyd na op een verloren speelplaats, aan het eind van de middag. Maar dat is het wel. Geen hotels, geen winkelpromenade, geen restaurants. Nergens een strandtent te bekennen. Waar zijn de paviljoens?

Op een willekeurig Nederlands strand struikel je om de 10 meter over een strandpaviljoen. Waar je in bikini in een luie stoel hangt of op een groot kussen, loom roseetjes drinkt tot laat, misschien wat eten om een uur of 10, tenen in het zand, dj zorgt voor muziek. Het contrast tussen Rockaway Beach en Scheveningen – ook in een lauwe Nederlandse zomer nog altijd 34 bomvolle strandtentjes op een paar kilometer strand – kan niet groter zijn.
Behalve misschien in vergelijking met Orchard Beach, liefkozend het Rivièra van de Bronx genoemd. Daar gaat 90% van de badgasten het sikkelvormige strand niet eens op; de parkeerplaats en het gras eromheen staan daarentegen vol barbecuende families. Gedekte tafels, feesttenten, muziek, bijna iedereen spreekt Spaans. Supergezellig, maar erg strand is het niet.

New York is een van de meest enthousiast ontwikkelde stukken land ter wereld. Waarom blijft het strand onaangeraakt? (Er is, het moet gezegd, enige beweging in het ontwikkelen van de kustlijn. Het braakliggend terrein achter de Rockaway boardwalk belooft een vakantieparadijs, met een YMCA. En een Pizza Hut. ‘In de toekomst’, zeggen bordjes om de vijftig meter. Maar voorlopig schiet het onkruid op de bouwplaatsen welig omhoog. Daar heeft al een tijdje niemand meer gebouwd.)

Het enige strand dat een soort van vermaak biedt, is Coney Island in Brooklyn. Om bij het water te komen, moet je door het mooi vervallen Coney Island pretpark met de engste achtbaan ooit (op de borden langs de rij wordt gloedvol aangeprezen: Aan deze houten achtbaan is niks veranderd sinds 1928! Mensen met hartklachten op eigen risico!) en langs tweeënhalve – bloedfanatiek concurrerende – hotdogverkoper. Het strand zelf ligt er een beetje lullig bij. Meer scherven dan schelpen. Een handvol overgewichtige, overgebruinde Russen zakt weg in stoeltjes van thuis. En ook hier geen strandtent in zicht.

Monday, August 3, 2009

You Never Give Me Your Money


You Never Give Me Your Money – The Beatles

Er rijdt een man in rolstoel de metro in. Zijn linkerbeen zet zich af tegen het perron; het rechter is afgezet ver boven de knie, een doelloze stomp die niettemin meebeweegt met elke inspanning. Hij manoeuvreert moeizaam tussen de zitplaatsen en vasthoudpalen door en komt tot twijfelachtige stilstand in het midden van de coupé. Het is een drukkende vrijdagochtend in juli, net na de ochtendspits in de A-trein naar Far Rockaway Beach. ‘Ik ben naar de klote!’ zegt de man. ‘Geef me wat kleingeld.’ De paar mensen in de coupé proberen hem zo goed als het gaat te negeren. Ik ook. Maar ook met afgewende blik is de geur die aan de man hangt als een natte bontjas, niet weg te denken. De man draait zijn rolstoel een paar keer rond en zegt het nog een keer. ‘Luister, ik zit er helemaal doorheen. Kom op, geef me gewoon wat geld.’

In de zomer explodeert het aantal bedelaars en kunstenmakers in de New Yorkse metro. Op alle lijnen maken mensen het beste van hun ellende: ze zingen een liedje, doen een dansje, rappen, verkopen snoep, vertellen hun verhaal, jongleren, dragen gedichten voor, en in ruil voor al die dingen krijgen ze kleingeld van de reiziger. Het is een prima manier van transactie. Niemand hoeft zich te generen, want er wordt niet botweg om geld gevraagd en natuurlijk mag talent beloond worden. Er wordt gelachen, iedereen wint. Behalve dan deze gast, die geen been heeft en geen talent. Hij heeft niet eens een slecht verhaal. Misschien hij zit er echt helemaal doorheen; misschien is het een geboren klootzak. Misschien heeft hij zijn verhaal vandaag te vaak verteld. Misschien kan hij domweg helemaal niks – zelfs niet vriendelijk vragen.
Op tv word je doodgegooid met reclamespotjes voor de Financieel Uitgedaagde. Tussen de autoreclames door verschijnt de ene na de andere officieel uitziende advocaat-woordvoerder in beeld, die armoedzaaiers een fortuin belooft. Het meest tot de verbeelding spreekt de meneer van LawyersGroup. ‘Heeft u een auto-ongeluk gehad? Heeft uw kind een afwijking opgelopen bij de geboorte? Heeft u hersenletsel? Andere verwondingen? Bent u gevallen? Ergens over uitgegleden? Ontslagen? Gebeten door een hond? Een onnatuurlijke dood gestorven? Waarom nog langer financieel en emotioneel pijn lijden? Bel GRATIS een letselschade-advocaat in uw omgeving en krijg NU het geld dat u verdient!’ De meneer heeft een minuut om uit te leggen dat iedereen in principe recht heeft op materiële en emotionele schadevergoeding – ook als jij eerst de hond gebeten hebt. Op de site van LawyersGroup leggen ze het allemaal verder uit. ‘Ook als u deels verantwoordelijk bent voor de verwondingen die u heeft opgelopen, kunt u nog steeds recht hebben op een geldbeloning. Het ligt er maar net aan hoe veel u de schuld krijgt van de rechter.’ Als je de zegsman (de woorden ‘geen echte advocaat’ en ‘betaalde woordvoerder’ lichten op ter hoogte van zijn stropdas) mag geloven, hoeft niemand arm te blijven in Amerika. Omgekeerd is de gedachte die na een keer of tien onherroepelijk opborrelt in de onderbuik van je brein: mensen die zelfs het talent niet hebben om binnen het rechtssysteem een schadevergoeding te claimen voor hun tegenspoed, verdienen niet beter dan wat ze krijgen. Namelijk helemaal niks.

In onze coupé is het intussen ongemakkelijk stil. Dan klinkt er een krakend heldere vrouwenstem over de luidspreker. ‘In deze metro zijn bedelaars gesignaleerd. Geeft u alstublieft geen geld. Help ons om de New York Metro veilig en ordelijk te houden.’ De stem zwijgt. De man heeft ingespannen geluisterd, zijn hoofd schuin omhoog naar de luidspreker. Nu laat hij zijn kin op zijn borst vallen. De metro snorkelt eindeloos verder. Bij elke golf in de rails wiegen we, allemaal tegelijk, onwillekeurig heen en weer, rolstoel en stomp incluis.

Zodra de metro stopt bij de volgende halte, stormt de man op zijn achterwielen de coupé uit. Maar niet naar de uitgang. Hij draait zich naar het raampje in de coupé naast de onze, waar in een afgesloten hokje de de dame zit die de haltes aankondigt en zorgt dat niemand tussen de deuren komt – en die zojuist heeft omgeroepen dat we niet aan bedelaars moeten geven. Hij priemt een trillend boze vinger naar haar omhoog. ‘Waarom zei je dat godverdomme?’ roept hij. ‘Wie denk je wel niet dat je bent?’ De dame leunt uit het raam van haar hokje over hem heen. ‘Meneer, gaat u nou maar gewoon weg voordat ik de beveiliging waarschuw,’ zegt ze. Maar de man laat zich niet wegjagen. ‘Hoe moet ik nou aan geld komen, kutwijf? Hey! Kutwijf! Ik vraag je wat!’ schreeuwt hij omhoog. Een geboren klootzak. De dame is niet onder de indruk. Ze kent het scenario voor lastige klanten van buiten. ‘Regels zijn regels meneer. Ik maak ze niet, ik doe ook maar gewoon mijn werk. Prettige dag nog,’ zegt ze koeltjes. Een geboren openbare dienstverlener. Ze schuift haar raampje dicht en drukt op de knop voor de deuren. Wat de man haar nog toebijt terwijl de metro weer optrekt, versta ik niet meer. Ze verdienen vast allebei beter.