Wednesday, February 10, 2010

Brain Damage


Brain Damage – Pink Floyd

Winter in America is cold. En ja, I just keep growing older. Toch begrijp ik het blijkbaar nog niet helemaal. Ik heb me voor het tweede jaar op rij voorbereid op de Amerikaanse ijstijd zoals een klein kind verstoppertje speelt: zo stil mogelijk blijven zitten, handen voor mijn ogen en dan denken dat de kou je nooit gaat vinden. Ik word dan ook altijd gevonden. Winter in Amerika is koud. Ik ken dat liedje. En ja, ik wou dat ik genoeg had geweten van winter in Amerika om de winter in Amerika lekker met rust te laten. Maar hoe had ik kunnen weten dat deze winters zo anders zouden zijn dan de Nederlandse winters waar je zo lekker doorheen Elfstedentocht? Ik kon toch niet weten dat Amerikaanse winter zich verhoudt tot Nederlandse winter als een daadwerkelijke bevalling tot het verhaal dat de meeste moeders je vertellen, naderhand?

Moeders hebben het zelden over de pijn. Van de bevalling, bedoel ik. Tuurlijk, ze zeggen dat het zeer deed, of zelfs dat het allemaal hartstikke zeer deed, maar poetsen daar meteen overheen met een ‘Maar dat was ik allemaal weer vergeten op het moment dat ik mijn prachtige nieuwe kind in mijn armen hield’. Blik in de verte. Zacht blozende wangen in gedempt licht, misschien wat lichte transpiratie op een wolk van geurig haar rond de slapen. Nergens bloed, of slijm. Niemand vertelt je ooit dat bevallen zo ongenadig veel pijn kan doen dat, in het geval dat de dokter in je intiemste vlees moet knippen om te zorgen dat die baby er goed uit kan komen, hij je tijdens een wee opensnijdt – gewoon lekker praktisch, omdat een wee zo ontstellend veel pijn doet dat je niet eens in de gaten hebt dat de dokter je vagina doormidden rijt. Niemand vertelt je ooit dat je ongecontroleerd poept en piest tijdens je bevalling. Niet dat jij of je sluitspier daar weet van hebben; jullie zijn waarschijnlijk te druk met niet flauwvallen en je vastklampen aan de laatste strohalmen van je menselijk besef. Ik bedoel maar: mensen vertellen je zelden hoe het echt zit als het gaat om de grote dingen.

Dus nu zit ik hier mooi, in mid-winters New York, zonder enige voorlichting waar ik wat aan heb. Vervloekt zijn de Rockefeller IJsbaan en de Winteretalages van Macy’s. Winters in New York zijn niet knus en gezellig zoals op de plaatjes. Ze zijn naar en gemeen. Het is niet heel koud in de stad – niet echt. Ik was vorig jaar met kerst in Canada: dat was koud. Het wordt echt geen min 40 in New York. Je haar bevriest hier niet als je alleen maar door het raam naar buiten kijkt. Nee, winter in New York is gemeen op een hele andere manier. Er is de bijtende wind, zo door merg en been dat hij je de adem afsnijdt – de enige reden dat je mensen niet fysiek hoort kreunen als ze onverhoopt naar buiten moeten. Maar dat wist ik al. Ik vond berichten van het kaliber Come on it’s lovely weather for a sleigh ride together al langer ongeloofwaardig (zelfs uit de mond van Ella Fitzgerald). Ik vond verslagen met een waarschuwing, zoals daar is Oh the weather outside is frightful (met dank aan de ongezouten mening van Dean Martin), altijd al waarschijnlijker. Maar dat was nog steeds niet genoeg voorbereiding op de gemenigheid van winter in New York.

Eerst waren er alle normale winterweersignalen: immer rodere wangen, geen gevoel in mijn tenen, tintelende vingers en gloeiende oren. Niks nieuws. Ik heb het type lijf dat gevoelig is voor blozende wangen, een koude neus, bevroren vingers en wintertenen – en dat is nog gewoon in de zomer. In de winter doet mijn lijf een boom na. Dan gaat het ervan uit dat mijn uiteinden er af vallen. Die groeien in de lente wel terug! Het nieuwe aan New Yorkse winter zit in een onverwachte eigenschap. Naarmate de temperatuur hier zakt, word ik statischer en statischer. En ik bedoel serieus elektrisch. Ken je dat, hoe je haar statisch wordt wanneer je een ballon over je trui wrijft en hem dan naast je hoofd houdt? Dat dus. Alleen, ik word niet alleen statisch in de buurt van ballonnen, maar doorlopend. En ik ben niet alleen statisch (met alle gedoe van truitjes die aan je haar plakken, je lijf dat aan je jurk plakt, en sjaals die aan je truitjes, je haar, je lijf en je jurk plakken); elke keer dat ik iets aanraak in huis, ontlaadt die elektriciteit – en kijg ik een elektrische schok.

Overal waar ik ga, ben ik onderworpen aan mini-elektrocutie. Ik raak de oven aan – en krijg een schok. Ik loop naar de badkamer en doe het licht aan – weer een schok. Ik trek mijn schoenen aan en open het keukenkastje – zap. Ik zet de kraan aan – schok. Mijn lief staat op om me te zoenen – mijn lippen krijgen een schok. Ik sta op om mijn lief te zoenen – mijn lippen krijgen een schok (hoe kan het?!). Een romantische vinger kwarktaart zet me onder stroom. Ik raak per ongeluk het douchegordijn aan onder de douche – en krijg een schok. Ik wil een raam openzetten – de duiven op het balkon schrikken van de schok die ik krijg. Ik verschoon het beddegoed – en krijg niet alleen een schok, maar de kussenslopen knetteren en sissen zo kwaadaardig dat ik voorlopig niet bij de wasmand in de buurt kom, laat staan de deurknop. Ik kan mijn koptelefoon niet ophouden als ik mijn jas aantrek of was in de wasmachine stop – dan zet ik mijn oren onder stroom. Ik steek een stekker in het stopcontact – zap. Ik peuter in mijn neus – nou ja, dat dus.

Eerst vond ik het wel grappig. Statisch zijn is weer eens wat anders. Het voelde bijna bijzonder, alsof ik ineens een soort superkracht had – van miniatuurformaat, dat dan weer wel. Ik kon Electro Meisje worden, of Zappo De Geweldige, redder van kleine dingen in kleine nood. Ik zag mezelf al AAA batterijen opladen met mijn blote handen, en dan het leven redden van onschuldigen wier leven zou afhangen van precies die 1.5 volt. Heldin van de mierenhoop.

We zijn intussen drie maanden verder, en ik ben het eerlijk gezegd een beetje zat. Ik ben een keer of 25 per dag het slachtoffer van een micro-terechtstelling door electrocutie. Ik heb geprobeerd om niks meer aan te raken. Ik heb geprobeerd om niks van metaal aan te raken zonder handschoenen aan. Ik heb geprobeerd om steeds eerst het hout van de deur aan te raken en dan pas de deurknop. Ik heb geleerd om de lifknop met een ingejaste elleboog te bedienen. Ik heb het geprobeerd met mijn schoenen aan. Ik heb het geprobeerd met mijn schoenen uit. Soms werkt het. Meestal niet. Ik zeg tegen mezelf, die 1.5 volt, daar ga je niet dood aan. Ik zeg tegen mezelf dat het allemaal wel meevalt. Maar het valt niet mee. Het is wel erg. Het is waterboarden voor beginners. Doorlopende mini-elektrocutie (en, erger: de doorlopende dreiging van mini-elektrocutie) kan een mens breken.

De pijn is niet het ergste: de sensatie is niet meer dan mild onaangenaam, ergens tussen een dof klopje en een scherp scheutje in – dat ligt eraan wat ik aanraak.
Het erge is dat die tikken op de een of andere manier mijn brein opnieuw opstarten. Heel ongemakkelijk. Het gaat zo. Ik spring van de bank met een gedachte om op te schrijven (bijvoorbeeld een prachtig idee voor een verhaal, of een mogelijke oplossing voor spanningen in het Midden-Oosten). Terwijl ik ga zitten om te typen, raak ik mijn bureau aan. Ik krijg een schok, en vergeet prompt wat ik ook weer had bedacht. Ik vergeet niet dat ik iets had bedacht, en ook niet dat ik op weg was om het op te schrijven; ik vergeet de gedachte.
Om mijn mogelijke pareltje te redden, ga ik weer op de bank zitten. Ik probeer mijn brein terug te leiden naar het moment van doorbraak. Soms werkt dat: ik krijg een tweede kans om mijn gedachte onder woorden te brengen. Ik spring van de bank met de versie 2.0 van wat ik had bedacht (in de tweede ronde bijvoorbeeld een vaag vermoeden van de volgende woordgroep in een verhaal, of een mogelijke oplossing voor spanningen in mijn onderrug). Ik raak mijn toetsenbord aan om te typen. Ik krijg meteen weer een schok, en vergeet wat ik had bedacht. Alweer. Het is alsof ik rondren in een vileine cirkel, het hamsterwiel uit de hel.
Ik word gedresseerd op microniveau, door een miniversie van Nurse Ratched in de vlooienversie van One Flew Over The Cuckoo’s Nest.
Ik word op celniveau neergeslagen door een onzichtbare, pijnloze atoomkracht – een vlinder die met zijn vleugels slaat in Tokyo, misschien. Een kleine mot in mijn hoofd, die gaatjes slaat in mijn ooit solide hersenpan. Talmende teloorgang. Het is marteling in de My First Sony versie van Kamer 101. Dat is misschien niet dubbelplus ongoed, maar voor de standaard in het Vrije Westen van 2010 heb ik het ongemakkelijke gevoel dat me een basisrecht, op basiscomfort, is ontnomen. Het is toch niet altijd zo geweest? Of wel?

Het ligt waarschijnlijk aan de droge warme lucht in ons appartement. Mijn lief en ik hebben geprobeerd om de temperatuur in huis aan te passen. Dat kan niet. We kunnen de thermostaat niet lager zetten. We kunnen de thermostaat ook niet uitzetten. Er is geen thermostaat. Ergens in de kelder van het gebouw zet iemand de verwarmingsknop op Aan in oktober, en weer op Uit in april. We kunnen de verwarmingsbuizen in ons appartement saboteren (niet ontkoppelen: de leidingen moeten stuk), maar dat betekent dat de verwarming van alle appartementen boven ons – we zitten op de 12e van 28 verdiepingen – ook helemaal wordt afgesneden. Nog los van het hete water dat ons dan vanuit de onbeschermde leidingen rechtstreeks in het onbeschermd gezicht fonteint. Dat zal je altijd zien. De laatste tijd vullen we lege soepblikken met water en zetten die op de verwarming, in de hoop op een hogere luchtvochtigheid. Dat is niet alleen serieus armoedig; het helpt ook niet echt. Er is domweg te veel droge hete lucht, en geen manier om dat de baas te zijn. Het enige wat we kunnen doen is een raam openzetten.

Maar ja, zet een raam open in de winter en de snijdende wind helpt elke samenhangende gedachte rechtstreeks naar de eeuwige lente. Behalve de kou laat je ook de politie- en brandweerwagens binnen die dag en nacht op de maat van hun eigen woop-woop door de straten denderen, en de zwarte rook uit de verbrandingsoven van het gebouw tegenover. De ramen moeten dicht. En dat betekent dat de oververwarmde lucht ons arme huis en ons zo uitdroogt dat we er droge ogen van hebben, en een trekkerige huid, en bloedneuzen, en, in mijn geval, statische elektriciteit.

Dus daar zitten we dan, in het hart van de Vrije Wereld, niet vrij om zelf onze gehuurde warmte te reguleren. We moeten dezelfde hitte delen met alle huurders in ons gebouw. De conciërges verzekeren ons dat ze er ook niks aan kunnen doen. Zij maken de thermostaatregels niet. En trouwens, we betalen niks extra’s voor al die extra warmte. Wat lopen we te klagen? We zijn allemaal gelijk; we hebben het allemaal even warm. Zo is het nou eenmaal. Zo lang ik denk dat ik recht heb op een andere kamertemperatuur, blijf ik onder stroom staan. Net zo lang tot ik geen weet meer heb van andere temperaturen dan de huidige. Misschien denk ik ergens in een verre uithoek van mijn brein dat ik een herinnering heb aan een tijd en plaats waar mensen vrij waren om hun kamertemperatuur te reguleren, maar dat is overduidelijk een valse herinnering die gewist moet worden.

Dus, hier zit ik dan, op een krakend heldere Februarimiddag, in afwachting van de hevigste sneeuwstorm tot nu toe deze winter, in dit wonderland van liberale democratie. Hier sta ik, het weer af te wachten in een land waar de boze, anti-overheidsgezinde TEA partijgangers zo bang zijn om hun vrijheid te verliezen dat ze liever geknecht worden door hun eigen patriottisme dan bezwijken voor een overheid die ook maar in de verste verte een beleid zou kunnen overwegen dat ook maar in de verste verte zou kunnen lijken op iets wat ruikt naar socialisme (want elke vorm van socialisme staat gelijk aan fascisme. En als dat fascisme niet rechtstreeks leidt tot volkerenmoord, dan toch in elk geval tot doodseskaders in de gezondheidszorg die ’s nachts de deuren intrappen bij onze ouders en grootouders). Voor hen is mijn statische electriciteit en bijkomende teloorgang gewoon het zoveelste geval van dood door electrocutie van de Liberale Democratie – beetje bij beetje, 1.5 volt per keer. Zap!

Friday, January 29, 2010

Television Man


Television Man - Talking Heads

De meneer op televisie, of beter: de acteur die in de reclameboodschap een dorpskapper op Main Street voorstelt, zit met zijn handen in het haar. De eenpits middenstander dreigt te worden weggedrukt door een superketen die zich pal naast hem heeft gevestigd – in dit geval een kappersdynastie die knipbeurten voor zes dollar het stuk belooft. De glimmende grootondernemer knijpt zich alvast in de pootjes en wrijft zijn snor op bij de gedachte aan zo veel onontgonnen kleinsteeds haar. Daar kan geen kleine kwaliteitsondernemer mee concurreren!
Je ziet het afgrijzen zwoegen op de barbier zijn gezicht. Hoe kan hij deze beursgenoteerde tsunami aan bodemprijzen overleven? Alleen al aan buitenverlichting en stromend water is hij per klant zes dollar kwijt. Maar de Amerikaanse eigenwerker is niet voor een gat te vangen. Hij spoedt zich naar Office Depot, een superketen van kantoorbenodigdheden. Daar, bij de bloknootmogol die er eigenhandig voor heeft gezorgd dat het dorpswinkeltje in kantoorartikelen het jaar ervoor failliet ging, haalt onze knippende mkb’er tegen bodemprijs een paar stiften en een vaandel. Hij schrijft iets op het vaandel en spijkert het tegen de voorgevel van zijn buurtkapper: ‘Wij repareren mislukte zes-dollar-knipbeurten.’
In het volgende beeld is de superkapper failliet. De ramen zijn dichtgespijkerd. Alle medewerkers ontslagen. Starbucks en Dunkin’ Donuts hebben hun geplande investeringen in het dorp haastig ingetrokken. De barbier grijnst breed. Main Street verslaat Wall Street. Pak aan, corporate America! En dat allemaal dankzij de bodemprijzen van Office Depot. Bedankt, corporate America!

Amerika is een vat vol tegenstrijdigheden. De vleesgeworden paradox. Of, zo kan het ook, Amerika is een draaikont. Het ligt er maar net aan voor wie je het schrijft. Feit blijft dat de buurtkapper-reclame van Office Depot die paradox in krap een halve minuut vervleest. Office Depot (maar ook andere megaketens als Walmart, K-Mart, Staples, Target) adverteert met groot = goedkoop = goed. Bodemprijzen voor papier redden de kleine man, en kleine mannen, daar is Amerika groot mee geworden. Het lullige is alleen dat Office Depot de kijker in dezelfde adem meegeeft dat groot = goedkoop = slecht. De duivelse groothandelskapper, beursgenoteerde verpersoonlijking van het kwaad, die ruïneert niet alleen de buurtkapper maar ook nog eens het haar van de kleine man. Wat was er ook weer zo geweldig aan de goedkope, niet-mee-te-concurreren-prijs van grote bedrijven? Oh, en dan droomt de buurtkapper er uiteraard nog van om ooit te regeren over zijn eigen beursgenoteerde kappersdynastie. Wat was er ook weer zo ellendig aan de goedkope, niet-mee-te-concurreren-prijs van grote bedrijven? Lastig.

Televisie is een geweldige plek om precies die Amerikaanse ongerijmdheid in al zijn naaktheid te bewonderen. En van alle figuurlijke naaktheid op televisie is reclame-televisie het meest confronterend. De vergeten puist op de geretoucheerde draaikont. Of, zo kan het ook, de blote tieten, de klaarkom-scène, de zwaffel. Dat ligt er maar net aan voor wie je het schrijft.
Natuurlijk geldt die inzichtelijke bloterij niet voor alle reclames: vergeet de universele promoties van het type Swiffer of l’Oréal. Die advertenties zijn wereldwijd hetzelfde en de enige paradox die je breed lachend tegen de borst stuit, is Sarah Jessica Parker. De televisiester laat eerst iemand anders zwanger zijn van haar baby en vervolgens geen mediamoment voorbijgaan om te verkondigen dat ze zo lekker naturel in het strakke vel zit – aan haar lijf misschien geen onflatteuze zwangerschap, maar ook geen Botox polonaise. Intussen is ze in de l’Oréal reclame met de digitale kwast bijna onherkenbaar opgeschilderd tot een soort Sarah Jessica Marker. Maar goed. Bij de universele reclames van multinationals zit je dus op zich goed voor een rondje hypocrisie, maar dat is niet waar het in de Amerikaanse paradox om draait.

Waar de kleren uit gaan, is in de reclames van echt Amerikaanse bedrijven, gemaakt voor echte Amerikanen. Die leggen feilloos de vinger op dat complexe geheel van organisatie versus eenling, de voortdurende wrijving tussen het bereiken van de zo reusachtige Amerikaanse Droom en het beschermen van de heel persoonlijke Amerikaanse waarden. Op de een of andere manier komen de kollosale bedrijven volkomen natuurlijk weg met het samenbrengen van onverenigbare tegenstellingen.

Neem autofabrikant General Motors. Jarenlang verlies gedraaid, slecht management, onderbetaalde werknemers, overbetaalde niet-werknemers en torenhoge bonussen voor de pakken aan de top. Dat kon niet goed gaan. En inderdaad, de economische crisis van het afgelopen jaar heeft het ultra-Amerikaanse bedrijf de nek om gedraaid. Toch geen buy out, wel een faillissement en uiteindelijk een overname door de Amerikaanse overheid. In de doorstart sneuvelden drie van de zeven merken die het bedrijf groot hebben gemaakt, en god weet hoe veel banen. Maar er liggen nog heel wat auto’s in de schappen. Eind 2009 verschijnt van General Motors een ‘faillissementsreclame’ op tv. Het einde van de Amerikaanse Droom. Of toch een nieuw begin? General Motors weet het wel.

‘We zijn hier niet getuige van het einde van de Amerikaanse Auto. We zijn getuige van het nieuwe begin van de Amerikaanse Auto,’ verzekert een betrouwbare mannenstem. In beeld de grotestadsindustrie van het bedrijf (een skyline, een GM-fabriek, duizenden forensende werkers stappen uit de metro en haasten zich op overvolle stoepen; we zien de assemblagelijn en een parkeerplaats vol gloedjenieuwe auto’s). Het beeld wordt slim afgewisseld met al wat Amerikaans en goed is: een atleet met een prothesebeen, een ijshockeyer dubbelgeklapt op het ijs, een American football speler die op het punt staat de belissende pass te maken. Haalt de gemankeerde atleet de finish? Kan de hockeyer nog overeind komen? Wordt de pass een doelpunt? Mij heb je. Ik zit met popcorn in de aanslag te kijken. Rocky, in één minuut twee. Grote vraag is: wordt het Rocky I (Stallone verliest het gevecht, maar wint de morele strijd) of Rockies II tot en met VI (Stallone wint het gevecht; er is geen morele strijd)?

‘Onszelf opnieuw uitvinden is de enige manier om door te gaan. En doorgaan, dat zullen we,’ zoemt de stem. Toch geen Rocky: General Motors gaat voor Yoda en Star Wars. Yoda? Als ze dan toch op de Star Wars toer gaan, is General Motors dan niet eerder de Darth Vader van het verhaal? Of op zijn minst die ene gast die het alleen maar om het geld te doen is?
Intussen in beeld: een hechte gemeenschap die de houten gevel van een nieuw huis overeind trekt, samen. Een zorgeloze gezinshond met kop en tong uit het raam van de zorgeloze gezinsauto. Een saamhorig voetbalstadion vol kleine mannen. En dan in korte flitsen: de eerste maanlanding, Mohammed Ali, een vlinder, American football spelers in een kluit op de grond. ‘Dit is niet het einde van onze zaak. We gaan terug naar het hart van onze zaak,’ orakelt de stem.

Wat heb ik zojuist gezien? Een failliet bedrijf dat zichzelf naadloos op gelijke voet stelt met de grootst mogelijke menselijke overwinning: die van de mens op zichzelf. (En met de grootste kassuccessen in de filmindustrie van de afgelopen dertig jaar.) Ik zit te kijken naar een totaal ontmenselijkt bedrijf dat op alle punten heeft gefaald en dat zichzelf nu vergelijkt met de dappere eenling – beenloze hardloper, Rocky Balboa, Luke Skywalker. Gewone jongens die naar de sterren reiken. Echte mensen, die soms verliezen. Die vallen voordat ze weer opstaan. Maar die altijd blijven vechten voor waar ze in geloven. De kleine man die Amerika groot heeft gemaakt. De Amerikaanse droom. Dat is General Motors, volgens General Motors.

Office Depot zegt dat megabedrijven de goeien zijn. Ze helpen de kleine man om megabedrijven uit de weg te ruimen. Omdat megabedrijven de slechteriken zijn. General Motors zegt dat megabedrijven en de kleine man een en dezelfde zijn. Ze zijn Darth Vader, Luke Skywalker, Han Solo, de man die het alleen om het geld te doen is, de robots, die harige gast en de gouden bikini, allemaal in één. Dat is de Amerikaanse padarox in een notendop. De levensgrote onderneming die de kleine man op handen draagt terwijl hij hem de kleine nek omdraait. De kleine man die de superketen vervloekt die zijn buurtwinkel wegconcurreert – ieder weekend weer, met het hele gezin in de rij voor de superkassa. De kleine man die liever failliet gaat dan nee zegt tegen de groothandel en een cent te veel betaalt voor zijn consumptiegoederen. Die tegelijkertijd zijn ene vuist schudt naar het boze geld van Wall Street en met de andere naar zijn deel graait.

De vraag is: wie probeert in dit verhaal de kleine man kapot te maken? De overheid? Overheidsbemoeienis is een van de grootste angsten van de gemiddelde Amerikaan. Geen belastingen! Maar in zijn State of the Union wees Barack Obama er eind januari nog maar eens op dat juist de kleine man zo veel heeft gehad aan de overheidsbemoeienis van het afgelopen jaar.
Wall Street? Maar Wall Street geeft de kleine man goedkoop papier, en goedkope knipbeurten, en betaalbare kleren en boodschappen en verzekeringen. Wall Street zorgt dat de kleine man overleeft in een tijd dat hij financieel op zijn gat ligt.
Niet de overheid, niet Walmart, en ook niet Wall Street draait Main Street de nek om – Main Street draait Main Street de nek om. En dat wisten ze op televisie allang.

Friday, January 22, 2010

Postcards From Downtown


Postcards From Downtown - Dayna Kurtz

Postkantoren in New York zijn de anus van de wereld: al wat onverteerbaar is, komt hier langs. Ik sta in de rij in een postkantoor op 104th Street in de hoop dat ik een kluit kopij naar een Nederlandse juridische uitgeverij kan opsturen. Postkantoren in New York zijn niet zomaar een anus: ze zijn de geconstipeerde anus van de wereld. Er staat altijd een rij in het postkantoor, die lusteloos doordikkedarmt van deur tot loket. Het maakt niet uit of je vroeg in de ochtend komt, of rond lunchtijd, of vlak voor sluit; de rij is er altijd en de rij wordt nooit korter. Voor elke klant die druppelsgewijs naar het driedubbele glas van de balies gesommeerd wordt, stromen er twee nieuwe binnen.

Verslagenheid en wanhoop regeren op het postkantoor. De wanhoop begint bij het moeten invullen van een obscuur aantal formulieren – voor nationale post, internationale post, voor de douane, voor eersteklaspost, expressepost, aangetekende post, kwitanties, retourneringen – allemaal met namen die zo zijn bedacht dat je met geen mogelijkheid kunt weten waar ieder formulier precies voor is. Wie weet het verschil tussen een PS Form 2976 (Customs Declaration CN 22 - Reference Only: Order from MDC using PSN 7530-01-000-9833 (9/2009)) en een PS Form 2976-A (Customs Declaration and Dispatch Note CP 72 - Reference Only: Order from MDC using PSN 7530-01-000-9834 (5/2009))?
Ik in ieder geval niet. En de deerniswekkende verzameling ansichtkaartenverstuurders om me heen ook niet. Iedereen scharrelt heen en weer tussen de rekken en probeert de blik van een van de medewerkers te vangen in de hoop op wat uitleg. Maar die komt er niet.

Hoe weet je welke formulieren je moet invullen voor een brief of pakketje, of, in mijn geval, kopij voor een juridische uitgeverij aan de achterkant van de oceaan? Dat weet je niet en je komt er ook niet achter. Ik heb geleerd om een exemplaar van alle formulieren uit de rekken op te pikken, en ik vul ze allemaal in terwijl ik in de rij sta. Stuk voor stuk. Gewoon voor het geval dat. De baliemedewerker zucht terwijl hij door de hele stapel heen bladert: ‘Dees heb ik niet nodig.. Dees ook niet… Even zien… deze en deze wel, dees kan ook wel, en kun je die nog even ondertekenen alsjeblieft?’
De beschroomde vernedering waarmee de overdosis aan formulieren vergezeld gaat, is altijd nog beter dan een ‘Oeps! Ziet ernaar uit dat u uw Domestic or International Claim vergeten bent, mevrouwtje’, of een ‘Ik heb toch ook echt een Return Receipt for International Mail van u nodig’ – waarna de baliemedeweker je zonder pardon terugstuurt naar de rekken. En daar sta je dan, geen idee wat dat voor formulieren zijn en met je post nog steeds in je handen. En met het vooruitzicht om opnieuw in de rij te moeten. Achteraan aansluiten. Verslagen. Kapitalistische bureaucratie is een mooi ding.

I sta nog geen twee minuten in de rij als er een dikke gast achter me komt staan in een jagersjas met capuchon en een blauw t-shirt. Ik kijk om en knik ter bevestiging: ik ben inderdaad het einde van de rij. Of het begin! denk ik nog, gezellig. Het t-shirt van de man is bezaaid met ondefinieerbare vlekken. Daaronder een opmerkelijk strak gesteven pantalon, messcherpe vouw, en een paar doffe maar schone bruine schoenen - dan weer wel met de veters los. De man is zo dik dat hij zijn voeten waarschijnlijk al tijden niet meer heeft gezien van bovenaf. Ik kan me voorstellen dat hij zich onmogelijk over zijn massieve zelf heen kan buigen om zijn veters te strikken. Waarom geen instappers? vraag ik mezelf vaag af. Maar ja, ik haat instappers. En slippers. En het is januari: op zeker te koud voor slippers. Hoe dan ook, de man lijkt geen last te hebben van de losse veters. Ten eerste zijn zijn voeten te vlezig om ook maar iets te merken van het gebrek aan tegendruk van zijn schoenen, en trouwens, de rest van de man heeft wel iets anders aan zijn hoofd. Ik hoor hem achter me neuriën, eerst zachtjes maar dan langzaam harder, tot ik kan verstaan wat hij zegt.

‘Is uw pak-ketje veilig om op te sturen? Hi hi! Weet u zeker dat u geen ge-vaar-lijk ma-te-ri-aal hebt in-gepakt? Kwik-zilver, ben-zi-ne, bat-te-rij-en, ex-plo-sie-ven? Hi hi hi! Is uw pak-ketje veilig om op te sturen?’ Hij zingt het bijna, als de aankondiger naast de schietbaan op de kermis. Ik kijk nog een keer achterom. De ogen van de man worden bijna tot tekenfilmproportie uitvergroot en glanzen zacht en hulpeloos achter dikke, breedgerande brillenglazen - een bril zoals mijn vader hem droeg eind jaren zeventig. Op zijn gezicht pronkt een zorgvuldig bijgehouden baardje – maar niet, zoals misschien verwacht, in jaren zeventig stijl. Hij draagt een stijl in gezichtshaar die door vakmensen een Vandyck wordt genoemd (naar de zeventiende-eeuwse Vlaamse schilder Anthony van Dyck, en sindsdien onder andere gecultiveerd door verschillende publieke figuren, ik noem een Generaal Custer). Het snor-deel van deze man zijn Vandyck is helemaal grijs; het baardje is grijs met rossige strepen. Zijn jas is wel heel erg groot.

Ik kijk gauw weer weg. De man bedenkt intussen allemaal andere materialen die gevaarlijk zijn om in te pakken. ‘Haarlak, parfum, aanstekers, nagellak… Lippen-stift, schoen-veters…’ Hij kan waarschijnlijk nog wel uren zo doorgaan, en het lijkt erop dat hij ook precies dat van plan is. Ik kijk om me heen. De andere 25 mensen in de rij doen hun best om de man te negeren. Ze staren naar een punt recht voor hun voeten en houden hun enveloppen en pakketten stevig tegen de borst gedrukt. De man begint langzaam heen en weer te wiegen, als een ouderwetse vliegtuigpropellor voordat hij goed wordt aangezwengeld. De bevlogenheid luchtdrukt tegen mijn schouderbladen. Hij praat nu steeds harder. Maar hij doet helemaal niks. Hij staat gewoon, net als iedereen hier, te wachten in de rij van het postkantoor. We zitten allemaal klem in de aars van de wereld; deze gast is begonnen met krabben.

Mijn blik dwaalt af naar een waarschuwing in rood op een van de balieramen. Er staat op dat iedereen die probeert om dit postkantoor gewapend te overvallen een gevangenisstraf van maximaal 25 jaar riskeert. De glazen ramen van de balies zijn kogelwerend. Ik weet dat omdat mijn een van mijn vriendinnen hier me dat heeft verteld. Zij werkt bij een bank in Harlem. De balieramen van banken zijn ook kogelwerend.
De vestiging waar de vriendin werkt, werd een tijdje geleden overvallen. Een van haar collega’s zat achter de balie toen een man met capuchon naar het raam liep en een klein briefje onder de sleuf door schoof. ‘Doet mij 20 + 10’, stond erop. De collega moest het twee keer lezen. Eerst dacht ze nog dat de man misschien niet kon praten, dus ze keek op en vroeg: ‘Wat is uw rekeningnummer? En mag ik uw bankpas of identiteitsbewijs zien?’ Maar de man reageerde niet. Misschien is hij doofstom, dacht de collega. Dus ze probeerde het nog eens, dit keer langzamer en met duidelijk articuleren. Maar toen schoof de man zijn jas een piepklein stukje opzij, zodat ze zijn piepklein pistool kon zien. En dan sta je ineens middenin een gewapende bankoverval.

De collega van mijn vriendin pakte een enkel briefje van 20 en een briefje van 10 uit de kassa en duwde het onder de sleuf door, naar de man; ze vouwde haar armen over elkaar heen en wachtte af. De man was zo van slag dat hij het geld pakte en maakte dat hij wegkwam, de straat op – met 30 piek op zak die hem 25 jaar de bak in gingen helpen. Hij kwam binnen als klant, en verliet de tent gezocht voor gewapende overval. Zonder er wat aan over te houden. Alleen maar omdat hij zijn eis niet duidelijk had opgeschreven.

Ik kan er niet bij hoe vrij van vrees het hoofd van de collega bleef in de hele situatie. Ze weet dat de glazen balieramen kogelwerend zijn. Niet kogelvrij; kogelwerend. Dat betekent dat een normale kogel uit een normaal pistool niet door het glas heen gaat – waarschijnlijk dan. Geen garanties. En blijkbaar is niemand bang voor afketsende kogels die hop van tegen het raam terug de wachtrij in stuiten, richting nietsvermoedende klanten achter de overvaller, op wie niet eens gemikt werd. En uiteraard is een machinegeweer of een afgezaagde dubbelloops een ander verhaal. Maar die zijn weer moeilijker te verbergen onder je jas, qua onopgemerkt binnenkomen. Hoe dan ook, het glas van de balies is kogelwerend. Alleen, het glas van de balies in banken en postkantoren begint pas vanaf heuphoogte. De onderste helft van de balies is gemaakt van spaanplaat. Spaanplaat splintert bij de eerste de beste trap van een beetje stevige laars; volgens mij is het niet bestand tegen kogels, ook geen kleine kogels uit een klein pistool.
Wat moet je als bank- of postkantoormedewerker doen als iemand begint te schieten vanuit de heup? Wat is dan de procedure? Op de grond duiken heeft geen zin: alles wat onder het glas geschoten wordt, boort hoogstwaarschijnlijk door het spaanplaat heen. Je zal het hebben dat iemand richting de grond mikt als waarschuwingsschot en jij bent daar net gaan liggen. De kogel in je hoofd zit in een klein hoekje. Achter de balie gaan liggen kan dus fataal zijn.

Misschien worden alle medewerkers wel getraind om zo hoog mogelijk te springen in het geval iemand begint te schieten. Procedure: probeer boven het glas te blijven. Heel hoog springen, en er het beste van hopen. Misschien is de ideale bankmedewerker vanaf het middel verlamd. Dan voelt hij in elk geval niet dat zijn benen achter het spaanplaat aan gort worden geschoten terwijl hij naar het stille alarm reikt. Of beter nog, misschien is de ideale medewerker vanaf de dij geamputeerd. Helemaal geen benen om aan gort te schieten. Geen dure springtraining vereist. Alles wat hij hoeft te leren voor noodgevallen, is zijn stoel goed hoog afstellen, boven heupghoogte, en blijven zitten waar hij zit. En hopen dat de overvaller geen afgezaagde dubbelloops bij zich heeft, natuurlijk. Want dat verandert de zaak.

Terwijl ik zo in de rij wat voor me uit peins over onder-de-gordel bankbeveiliging en de onverwachte schaduwzijden van ongeletterdheid, werkt de man achter me toe naar de speech van zijn leven. ‘Lippen-stift, pin-cet-ten, flessen water, blikjes fris, teddyberen, speelgoed konijntjes… De overheid, de binnenlandse veiligheidsdient, het postbedrijf… Allemaal achterdochtige idioten! Wat zullen ze nu weer bedenken? Wat is er nog meer gevaarlijk materiaal?’ roept hij. ‘Lippen-stift, fris, tijd-schrif-ten… Wanneer hebben meneer en mevrouw Belastingbetaler er eindelijk genoeg van? Wanneer staan ze op en zeggen, We hebben genoeg van het geprik en gepook in onze persoonlijke eigendommen en onze persoonlijke levenssfeer? Wanneer hebben ze eindelijk genoeg van de achterdochtige idiotie van deze sub-Neandertaalse potsenmakers en ezels? Hi hi! Is uw pak-ketje veilig om op te sturen? Hi hi! Zorg dat u geen ge-vaar-lijk ma-te-ri-aal hebt in-gepakt… Schoen-veters, pluche konijntjes, pin-cet-ten…’ Ik schrik op uit mijn overpeinzingen.
Ik denk, Is dit een gemiddelde, doordeweekse, blaffende-honden-bijten-niet gek, of is hij meer van de ‘Ik schiet altijd eerst in de lach en daarna in het wildeweg om me heen’ soort? Staat hij op het punt om zijn jas een stukje opzij te schuiven, zodat we de afgezaagde dubbelloops kunnen zien waarmee hij het vuur gaat openen op alles en iedereen in het postkantoor, te beginnen met de medewerkers? Zal ik heel hard roepen ‘Spring! Spring toch in godsnaam, zo hoog je kunt!’ en hopen dat de medewerkers het idee oppikken?
Maar dan denk ik, neuh. Als dit een man met een geweer was geweest, dan had hij nu al staan schieten. In plaats daarvan staat hij hier zijn tijd te verkletsen.

Dan glijdt achter de balie een van de medewerkers, een struise negerin, geruisloos van haar stoel achter het glas. Ze loopt vanachter de balieruimte naar de publieke ruimte en rechtstreeks door naar de rij. Gaat ze de man vertellen dat hij zijn mond moet houden? Ik hoop van niet. Ik weet niet wat deze gast gaat doen als iemand hem commandeert, maar het kan niet fraai zijn – geweer of geen geweer. ‘Is er iemand in de rij die alleen postzegels of een betalingsopdracht nodig heeft? Iemand, voor postzegels of een betalingsopdracht? Als u alleen postzegels komt kopen of een betalingsopdracht komt doen, kunt u uit deze rij komen en naar balie 8 gaan alstublieft. Balie 8 voor postzegels en betalingsopdrachten’, zegt de dame.
De man wringt zich langs me heen en loopt naar balie 8. Andere mensen volgen zijn voorbeeld. Ze zorgen ervoor dat de man als eerste bij de balie is. Ze vormen een nieuwe rij achter hem. ‘Nee!’ commandeert de dame. Wat nu? We vrezen allemaal het ergste. ‘Meneer! De rij moet binnen het touw worden gevormd. Nergens anders.’ Uit het niets is er een touw verschenen, gehangmat tussen twee metalen standaarden. Aan het begin van het touw staat een bord met daarop: Deze Rij Alleen Voor Postzegels en Betalingsopdrachten. Iedereen, inclusief de man, schuifelt zwijgend naar de aangegeven plek. Hoe hebben ze dat bord kunnen missen?
De medewerker achter balie 8 vraagt de man, die nog steeds heen en weer wiegt: ‘Wat kan ik voor u doen, meneer?’
En hop, zomaar, omdat het kan, is de man het toonbeeld van gedwee. ‘Ik wil graag twintig postzegels en een betalingsopdracht voor 30 dollar’, gorgelt hij.
‘– Pinnen of chippen?’ vraagt de medewerker.
‘Chippen, alstublieft’, zegt de man.
‘– Anders nog iets?’
‘Nee, dat was het, dank u wel. Bedankt. Bedankt he.’ En weg is hij, een en al grijns, postzegels op zak. Op naar huis om wat gevaarlijk materiaal in te pakken en te versturen. Lip-pen-stift, ted-dy-be-ren, pin-cet-ten, ex-plo-sie-ven… Ineens schiet me te binnen dat ik een internationale envelop ben vergeten mee te pakken voordat ik in de rij ging staan. Dat betekent dat ik op zijn minst nog een half uur langer vast zit in het postkantoor – had ik al gezegd dat het de anus van de wereld is?

Friday, December 4, 2009

Little Shop Of Horrors I – Everything Is Free


Everything Is Free – Gillian Welsh

Zo veel opwinding op een dinsdagochtend, en dat voor maar twee piek – ik kan het bijna niet geloven. Tuurlijk, het bord bij de ingang van het New York Museum of Natural History zegt dat een enkel entreekaartje voor volwassenen is opgegroeid naar 16 dollar; maar mijn Amsterdamse vriend Victor en zijn lief Tara (op bezoek in New York na Thanksgiving bij Tara’s familie in New Jersey) weten beter. Ze hebben me meegenomen naar het museum om de Cape York meteoriet te zien. Die is 4,5 biljoen jaar oud en zo ontiegelijk zwaar dat de constructie waar hij op rust door de vloer heen moet, helemaal tot op het vast gesteente onder het museumgebouw. En het mooiste van alles: je mag ‘m gewoon aanraken. Of, Victors plan: likken. Op naar het museum dus, om de meteoriet te likken.

Tara heeft niet alleen jaren in New York gewoond; ze weet, als Jersey meisje, dingen waar de gemiddelde import-New Yorker nooit achter komt.
Bijvoorbeeld dat de ticketprijs voor het Museum of Natural History helemaal niet vaststaat. Die 16 dollar is een richtlijn, een idee voor een entreeprijs, zegt ze, en inderdaad: de oplettende kijker haalt precies die informatie uit de kleine letters onderaan het bord. Als je minder wilt betalen dan de richtlijn-prijs, moet je dat even aangeven bij de kassa, zegt het bord ook nog. We besluiten om binnen te komen voor minder. Of liever: Victor en Tara besluiten, en ik scharrel achter hen aan met gloeiende wangen en die instant mix van afgunst, schaamte en meisjeskalverliefde waar ik aan ten prooi val zodra er een Amazone in de buurt is die niet bang is om te vragen om dingen die prima legaal zijn – hoewel onorthodox, en, op langere termijn, mogelijk met verwoestende gevolgen voor (in dit geval) het voortbestaan van het museum. We kunnen toch niet zomaar zonder te betalen naar binnen? piep ik nog. Wat als iedereen bedenkt dat ze niet de volle mep hoeven neer te leggen? Wat als niemand nog ergens voor zou betalen, ooit? Wat als het museum failliet gaat en dan is het allemaal onze schuld? Wat als de kassamedewerker ons in het gezicht spuugt bij het zien van zo veel disrespect voor een triljoen jaar aan evolutie? Of wat als de rij achter ons het recht in eigen hand neemt en over ons heen stampt op zoek naar letterlijke vergelding? Geef me een willekeurige groep mensen, en het is een volksgericht in de dop.

Ik probeer zo hard mogelijk om mijn aarzeling af te glazuren met moraliteit. Dan hoef ik niet na te denken over de echte reden van mijn gesputter: diep van binnen ben ik nogal een lafaard. En al helemaal als het op dingen kopen aankomt. Ik ben een van die mensen die altijd overal de volle prijs betaalt voor alles, zonder slag of stoot. Ik vraag nooit om korting, ook niet als er duidelijk iets beschadigd of kapot is aan het spul dat ik op het punt sta te kopen. Ik heb geen levensovertuiging of iets dergelijks om die betaal-nou-maar-gewoon-dan-ben-je-ervan-af-mentaliteit te verklaren. Ook geen diepgeworteld jeugdtrauma. Het rare is dat ik in het algemeen niet bang ben om me de hoon of minachting van vreemden op de hals te halen. Ik schaam me ook niet snel – ik laat weinig gelegenheid voorbijgaan om mezelf voor gek te zetten in het openbaar. Maar ik krijg het niet voor elkaar om naar een verkoper te stappen en te zeggen: 'Hey, ik neem dit spul graag van je over, voor de helft. Wat zeg je ervan?' Mijn oren branden alleen al bij de gedachte. Ik schiet mezelf liever in de knieschijf; ik kan er niet bij hoe onverschrokken Tara en Victor moeten zijn dat ze zomaar, zonder met hun ogen te knipperen, over prijzen kunnen onderhandelen.

Het is heel eenvoudig, zegt Tara. Zij is een onderbetaald kunstenaar die eens in de zo veel tijd graag wat cultuur opsnuift. Als ze het geld had, zou ze overal voor betalen. Maar ze heeft het geld niet, dus wat voor keus heeft ze dan? Het kan toch niet zo zijn, zegt ze, dat mensen die een blik op de Cape York meteoriet niet kunnen betalen, het automatisch niet verdienen om hem te zien? Of wel soms? Daar heb ik niet van terug. Mijn vrienden halen hun schouders op, vrij en stoutmoedig, en zetten het met rechte rug en opgeheven hoofd op een lopen richting de dichtstbijzijnde kassa – met mij angsthaastig in hun kielzog. Tara kondigt bij de balie aan dat we graag een kleinere donatie willen maken dan de richtlijn-prijs. De kassadame vraagt enkel hoe veel we willen betalen. Wanneer Tara zes dollar neerlegt voor ons drieën, neemt de dame die zonder omhaal aan en vraagt of we een plattegrond willen. We delen er eentje en weg zijn we – volle kracht vooruit naar de meteoriet!

Ik ben een minuut of twee licht in mijn hoofd ervan; het voelt alsof ik een cultuurmisdaad heb gepleegd; alsof ik een evolutionare kraak heb gezet. Ben ik dit echt? Al sjacherend op weg naar de oorsprong van de mens? Maar een diorama of wat later is die sensatie weggeëbd en in haar plaats borrelt een onbesuisde, glorieuze nieuwsgierigheid naar de wonderen van het bestaan waarvan dit museum de sluiers oplicht. Ik neem mezelf plechtig voor dat ik de volgende keer dubbel betaal. Voor nu wil ik zo veel mogelijk indrukken opdoen. En daar sta ik dan. Te kijken naar Victor, die op het punt staat om de Cape York meteoriet te likken – voor twee piek per stuk. Gezellig!

Little Shop Of Horrors II – Several Species Of Small Furry Animals Gathered Together in a Cave and Grooving With a Pict


Several Species Of Small Furry Animals Gathered Together in a Cave and Grooving With a Pict – Pink Floyd

De eeuwenoude dame in het Newyorkse Museum of Natural History houdt het gewei omhoog in haar gerimpelde hand en schudt er triomfantelijk mee, als een trofee voor de doorgroefden. 'Het zit zo: dit is geen boom – hoewel het er verdacht veel uitziet als een boom, vinden jullie ook niet? Het ziet er uit als een stuk bast begroeid met mos. Maar het is eigenlijk bot, en het groeit rechtstreeks uit de schedel van de eland. En als de eland in een gevecht verzeild raakt, dan breekt zijn gewei soms af. Zomaar, zo!' Ze maakt een opmerkelijk lenig knak-gebaar met beide handen. Rijt! Angstige schoolreis-gezichtjes staren naar de dame vanaf heuphoogte, hangen ademloos aan haar lippen. Veertigplus ogen glimmen van opwinding – inclusief de mijne. Uiteengereten geweien! Vijandige elanden, de donzige lippen schuimbekkend in martelende pijn, hun schedels opengetrokken en natglimmend: de natuur is niks geen gezeligheid.

Achter de dame rijzen twee volgroeide eland-exemplaren de hoogte in, bevroren in mid-strijd in een kleurrijk diorama. Hun geweien zien er ongeschonden uit. Twee elanden maar liefst en dan ook nog eens wonderlijk abrupt overleden aan het begin van hun elandengevecht - wat een vondst moet dat zijn geweest voor de taxidermist!
Hun nieuwe, halfronde elandenthuis in het museum is een sneeuwbol voor reuzen. Ik verwacht half dat een gigantisch paar handen het dak van het museum licht, de bol optilt en eens goed schudt, om in verveeld vermaak toe te kijken hoe de elanden het zullen uitknokken in een sneeuwstorm. Een minuut of twee geleden liep ik, vers uit een Dinosaurushal, tegen dit groepje kinderen aan in de Hal van Noord-Amerikaanse Zoogdieren. De oeroude dame was net aan het vertellen dat een volwassen eland wel 1.580 pond kan wegen – een goeie twintigplus elfjarigen. Nu probeer ik zo onopvallend mogelijk in de buurt te blijven.
Kijk eens hoe geconcentreerd ik de pastelkleurige achtergrond bestudeer die de eeuwige arena vormt voor deze twee elanden; handen al een uur of wat samengeknepen op mijn rug, want kijken doe je met je ogen - mijn moeders waarste gemeenplaats zit er goed in. Ik ga hier niet degene zijn die per ongeluk iets breekt wat de afgelopen miljoen jaar uit een stuk heeft bestaan. Maar van binnen ben ik in alle staten. Kan dit verhaal nog aflopen zonder dood en elandenverderf?

'Nou nou, maak je maar geen zorgen, hoor', krakeelt de titelverdediger voor Beste Geweiverhaal Ter Wereld tot ieders opluchting. 'Voor een eland is zijn gewei kwijtraken net zoiets als je melktand verliezen. In de loop van de tijd groeit er gewoon weer een nieuw gewei aan.' Ze houdt het brok verslagen dier nog een keer omhoog en draait het langzaam van links naar rechts, zodat iedereen het goed kan zien. 'Zo', eindigt ze haar verhaal. 'Wie wil het aanraken?' Veertigplus handjes zwermen omhoog vanachter smalle ruggetjes, en reiken zo hoog ze kunnen, met gloeiende wangen en gretige ellebogen die afketsen op oogkassen en fontanellen. De kleinere kinderen worden bijna onder de voet gelopen in alle gewei-actie, maar ze geven geen centimeter toe en het kan ze niet schelen dat iedereen op hun tenen staat. Dit is niet het moment om kleinzerig te zijn. Een echt levend bot aanraken van een echt dood dier! Wie wil dat nou niet?

New Yorks Museum of Natural History is zo ongeveer de meest magische plek op aarde, al helemaal op dinsdagochtend. Schoolklassen vol waaieren uit over de Hal van Noord-Amerikaanse Zoogdieren, waar Grizzlyberen in bevroren poses er uitzien alsof ze elk moment uit hun besloten, zinsbegoocheld eindeloze diorama kunnen springen om mottige verwoesting aan te richten. Gezinnen struikelen over elkaar in een poging om 4 miljoen jaar oude Lucy in de ogen te kijken, terwijl sprookjesoma’s en -opa’s verkleed als gidsen verhalen van de geschiedenis van al wat is, uitgestorven en levend.
Het museum is een van die zeldzame exemplaren dat nog niet vereftelingd is: de lucht is er nog steeds een beetje bedompt en muffig, een eeuwige zweem formaldehyde, en de lange gangen en enorme zalen bieden eindeloze geheimen om te ontdekken in laag licht en hoge plafonds. Opgezette fretten, schurftig van ouderdom, hun felle poses afgezwakt na jaren van over het hoofd gezien worden; dinosauriërs die mammoethallen domineren waar levensgrote fossielen zijn rongestrooid als confetti op een kinderfeestje; ruimtes van omgekeerde hoogtevrees met indianentotems als gebeitelde hoogwerkers.

Hoe armoedig en teleurstellend is een bezoek aan de museumwinkel na dat ongelofelijke feest van eindeloze sterfelijkheid dat je vanaf alle verdiepingen krabbend en speekseltandend bij de keel grijpt. Je oren tintelen nog van de opwinding, je neus verstopt met de geur van een biljoen jaar aan evolutie, en dan sta je ineens in de overbelichte, bovenmatig stofvrije en verschrikkelijk milieuvriendelijke Museum Shop. Biologisch afbreekbare mensenhaaien zo groot als je hand lijken in de verste verte niet op de megakaken die je eerder in een van de zalen aan een plafond zag hangen. Er liggen origami-je-eigen-Cro-Magnon-pakketjes. Van hergebruikt papier. Een Mijn Eerste Opgraving met een ondermaatse tandenborstel en een piepklein schepje, waar nog precies een minidinosaurus, met een brede grijns en geperst in een zandbakje, bij past. De taaie modellen bieden ouders in een oogopslag de garantie dat de enige beroering die ze ooit zullen veroorzaken het gevoel is van gekrenkte trots, wanneer hun kinderen ze in de prullenbak mikken. Suf! De speelgoedelanden en teddyberen zijn hier ineens onverhoeds aaibaar, en wollig, ontbloot van alle bloeddorst en klauwen.

Het klopt gewoon niet. Het hele museum is erop gericht om je te laten zien dat evolutie een ongelofelijke, onthutsend voortstuwende kracht is, genadeloos pulserend door de eeuwen heen; dat alles in de natuur – groot of klein – zich toespitst op overleven, vreten, neuken, slachten, sterven, en dan weer van voren af aan begint. De museumwinkel zegt dat beren schattig zijn. Ze houden van honing.

Hoe heeft een museum met de grootste collectie aan gewervelde fossielen ter wereld (bijna een miljoen exemplaren) ooit ja kunnen zeggen tegen deze compleet onnozele winkel vol geurloze nep? Poe poe, ze hebben echt astronautenvoedsel (je kunt een gevriesdroogde boterham met ijs kopen), maar dat was altijd al geurloze nep. Heeft de politiek correcte evolutie nu ook al het museumleven op aarde in zijn klauwen?

Little Shop Of Horrors III – Little Shop Of Horrors


Little Shop Of Horrors – Theme Song Little Shop Of Horrors

Alles is nog niet verloren. Twee blokken bij het New York Museum of Natural History vandaan vind je de winkel die eigenlijk de museumwinkel had moeten zijn – en het zou per direct worden ingesteld als officiële museumwinkel, als Tim Burton of David Cronenberg de baas van het museum was. Maxilla and Mandible, Ltd. is in 1983 geopend door een voormalig nachtwaker van het museum. Of zo gaat het verhaal. Ik zie het helemaal voor me: een vastberaden visionair die langzaam maar zeker, over een periode van jaren, met een lepel, in het holst van de nacht, een ondergrondse gang vanonder het museum heeft uitgetunneld tot hij recht onder de winkel uitkwam. Ik stel me voor dat hij zijn zakken in het begin vult met klein spul, kostbaarheden uit het stoffig museummagazijn die niet langer tentoonstaan en langzaam worden weggevreten door tandeloze vergetelheid. Later wordt hij roekelozer en bevrijdt hij kleine, opgezette zoogdieren uit hun zorgvuldig gegroepeerde habitats in sommige van de slechter verlichte zalen. Hij steekt ze voorzichtig onder zijn grote jas en wandelt onopgemerkt naar de dichtstbijzijnde uitgang.
Er gaan jaren overheen voordat iemand de ontbrekende dieren mist; op een dag wijst een klein jongetje of meisje naar een afdruk van kleine pootjes op de stoffige bodem achter het glas. Het kind trekt aan een volwassen mouw en vraagt: 'Mam, waar gaat een gordeldier naartoe als hij moet plassen?'

Nou, dat gaat dus naar Maxilla and Mandible, waar het zich heeft opgekruld en nu achter de toonbank aan het plafond hangt. Naast hem hangt een glazig kijkende fret die twijfelt of hij het gordeldier moet bespringen of maken dat hij wegkomt. De hele winkel is een spannend willekeurig eerbetoon aan alles wat met natuurlijke overblijfselen te maken heeft. Op rekken van vloer tot hoog plafond zijn manden volgestapeld met hondentanden, teennagels van emoe, en mineralen; kever- en vlindercollecties hangen aan de muur; plastic dino’s liggen gebroederlijk naast fossiele haaientanden, een gipsen afgietsel van een bavianenhoofd, slangenwervels, en een stapel kippenpoten die samentrekken en ontspannen als je aan de uitstekende pees trekt en weer loslaat; posters geven een overzicht van de evolutie en de anatomie van de mens; een in zijn geheel gevriesdroogde muis in een glazen kubus lonkt naar het zwarte kapucijneraapje met het witte hoofd dat zich afvraagt hoe het hier in hemelsnaam terecht is gekomen; een kamelenschedel (in twee losse delen) zit naast het gekrompen mensenhoofd – helaas, zegt de jongen achter de toonbank, het hoofd is niet echt.
Het was ooit onderdeel van de set van een jaren tachtig horrorfilm. Maar het gerucht gaat, zegt hij, dat er in de begindagen van de winkel wel een echt hoofd op het rek heeft gelegen – tot iemand het kocht. In Maxilla and Mandible is alles echt, tenzij op het prijskaartje nadrukkelijk iets anders staat.

Een stel nieuwe klanten belt aan, een man met een klein meisje. Bij binnenkomst wijst hij haar op de verzameling 3 miljoen jaar oude fossielen van garnalen, en op de opgezette berenkop. Het meisje aait de beer heel voorzichtig over het hoofd, en laat haar vingers o-zo-behoedzaam langs de tanden glijden. Dan gaat ze op haar knieën zitten en begint druk te zoeken in een mand op de vloer, gevuld met een breed assortiment aan dinosarusbotten.
Met het stel komt ook een gedrongen gast de winkel in. Hij walst rechtstreeks naar de kassa waar hij stopt, naar voren leunt en de verkoper een volle minuut aanstaart. Dan dreunt hij: 'EEN HEE… EEN… EEN… EEN HELE F…' Hij wiegt een beetje heen en weer, alsof het uitpersen van de woorden hem ook een hele toer oplevert om in balans te blijven. De winkelhouder poetst de kubus op waarin de muis op zijn achterpootjes staat, de voorpootjes voor zijn borst omhoog geheven, als een bokser. 'EEN HELE FIJNE DAG GEWENST!' weet de gast uit te spugen. Hij draait zich abrupt om en mangelt de straat weer op. De verkoper haalt zijn schouders op als de deur achter hem dichtvalt. 'Kijk eens, Layla, het is Marcel, uit Friends', zegt de man in de winkel. 'Zie je het kleine aapje daarboven?' Maar het meisje gaat volledig op in de glazen kolfjes met bliksem die in zand is ingeslagen. 'Wanneer bliksem inslaat in de woestijn, wordt het zand zo heet dat het smelt en weer aan elkaar klontert om de bliksem heen. Wat je dan krijgt is een hol buisje in de vorm van de bliksemflits', legt de winkeljongen uit. Hij draait zich weer naar mij. 'Ik heb er altijd van gedroomd dat ik in deze winkel kon werken', zegt hij. 'Al vanaf dat ik klein was en mijn vader me hier mee naartoe nam.' Hij houdt de gevriesgroogde muis omhoog naar het licht, een trofee voor eeuwig leven en dood.

Ik koop uiteindelijk zaadjes waarmee ik mijn eigen vleesetende plant kan kweken (de natuurlijke manier om van de vliegenplaag in je appartement af te komen, belooft de verpakking. I dacht, als mijn lief de wetenschapper het plantje wat aan kan sporen, is het misschien ook een heel natuurlijke manier om van de rattenplaag in de stad af te komen) en een klein zilveren armbandje met aaneengeregen ceramieken tanden uit de veertiger jaren die door de eigenaar van de winkel uit een voormalig tandartsenpraktijk zijn getrokken. Hoewel het voor een geanimeerde dialoog zorgt met de winkelhouder, is het armbandje buiten de winkel gek genoeg een beetje een converstatiestopper. 'Ach, wat een schattig armba… Ewwww! Zijn dat echte tanden?'

Maxilla and Mandible is een museumwinkel voor natuur en volkenkunde zoals een museumwinkel voor natuur en volkenkunde hoort te zijn. Net als de natuur is het niet voor tere zielen. Het is voor diegenen die beseffen dat alles wat leeft een begin en een einde heeft – en een leven na de dood kan hebben, gewoon bij je thuis op de vensterbank.

Thursday, November 5, 2009

The Piano Has Been Drinking


The Piano Has Been Drinking – Tom Waits

'Nou, wat vinjij van de oorlog?' komt de man links van me uit het niks. Het is kwart over tien op een dinsdagavond, in een wijnbar bij ons om de hoek. Het is binnen zo goed als uitgestorven. Dat is raar, zelfs voor een doordeweekse avond. De afwezigheid van drinkers heeft misschien te maken met het feit dat de New York Yankees zich voor het eerst in negen jaar weer een plek in de World Series hebben bevochten – en dit is een van de weinige cafés in de buurt zonder plat of ander tv-scherm. (De ‘World Series’, voor de mensen thuis, is de nogal megalomane aanduiding voor een louter Amerikaans honkbal-fenomeen.)
De man naast me is heel, heel erg dronken. Hij is het type gast dat ook in het buitenland koppig Engels blijft praten; in het geval de lokale barman/hotel manager/masseuse niet begrijpt wat hij zegt, zegt hij het gewoon nog een keer in het Engels, maar dan een tandje harder, vol vertrouwen dat meer volume het beste middel is om taalbarrières te slechten. De man en ik hebben het over politiek gehad – of liever: de man heeft zijn ongezouten mening gegeven over het huidige verval van de Amerikaanse Droom, en ik heb hem aangehoord. Hij zegt dingen als: 'Die verdomde Democraten helpen dit land naar zijn mallemoer!', en: 'Ik ga toch verdomme geen gezondheidszorg betalen voor een stelletje verdomde landlopers!' Hij is het type gast dat nog geen zonsondergang vertrouwt. 'Veels te rood, als je het mij vraagt.' Het afgelopen kwartier heeft hij glazig in zijn glas bier gestaard – ik ging ervan uit dat hij vergeten was dat we in een gesprek zaten. Maar nee.

'WAT! VIND! JIJ! VAN! DE! OORLOG!' herhaalt de man met windkracht tien. Hij morst zijn bier in een poging om zich van zijn kruk omhoog te hijsen en een halve draai te maken, zodat hij me kan aankijken. Het kost hem al zijn concentratie om zijn gewicht te verdelen en zijn balans te houden. Welke oorlog? denk ik. Vraag aan een willekeurige Nederlander wat hij van ‘de oorlog’ vindt en je krijgt ofwel een geromantiseerd heldenverhaal van een verzetsopa in de Tweede Wereldoorlog (die wat Nederland betreft netjes kan worden samengevat als vijf dagen fietsen gooien, waarna we onder de voet werden gelopen door Duitse efficiëntie), ofwel een vaag ongemakkelijke anekdote over de Nederlandse betrokkenheid bij de oorlog in voormalig Joegoslavië (die wat Nederland betreft netjes kan worden samengevat als een donkere dag voor de militaire bureaucratie). Onze dienstplicht (of preciezer: de opkomstplicht) is afgeschaft in 1997; elke soldaat die sinds Joegoslavië is uitgezonden naar een internationale brandhaard, is een professionele krijger die zich vrijwillig heeft aangemeld. Tenzij Prins Woef van België besluit om Nederland te annexeren, zal er nooit meer een 18-jarige worden opgeroepen om te sterven voor het Vaderland.

De oorlogsgeschiedenis van Nederland steekt wat bleek af tegen die van Amerika. Het land heeft 47 keer de oorlog verklaard sinds de Britse kolonisten onderling hun Onafhankelijkheidsoorlog uitvochten. Onder die 47 krachtmetingen zijn er precies 2 geweest waarbij een buitenlandse mogendheid ongeoorloofd min of meer Amerikaans terrein betrad: de Mexicaans-Amerikaanse Oorlog van 1846-1848 en de Oorlog van 1812 tegen het Britse Rijk. Op een eerste verkenningstocht naar Korea na (in 1871) waren de overige 25 conflicten in de 18e eeuw allemaal burgerlijk: van de Burgeroorlog tot de talloze oorlogen tegen Amerikaanse Indianen. Sinds de 20e eeuw heeft Amerika 19 keer de oorlog verklaard en uitgevochten: geen enkele van die conflicten heeft binnen de landsgrenzen plaatsgevonden. Dat zijn 110 jaar aan veldslagen in andere mensen hun land, voor andere mensen hun vrijheid.

'Je weet toch, onze jongens in Af-gha-ni-stan?' verduidelijkt de man. Wat vind ik daarvan? Ik zeg tegen de man dat ik eigenlijk maar weinig weet van oorlog. 'Dat dacht ik verdomme ook!' zegt de man. 'Als wij er niet waren geweest, dan hadden jullie verdomme allemaal Duits gesproken!' Ik probeer me te herinneren wanneer ik dat voor het laatst echt iemand heb horen zeggen, hardop. Mijn geheugen laat me in de steek. Desalniettemin wil ik de man graag laten weten dat Nederland, en Europa, en ik ook, nog steeds hartstikke dankbaar zijn dat de Amerikanen ons 63 jaar geleden hebben gered uit de taalkundige klauwen van nazi-Duitsland. Ik ben godbetert met een Canadees getrouwd! wil ik hem vertellen. Als dat geen dankbaarheid is! Maar de man is alweer teruggezakt op zijn kruk en staart peinzend naar zijn bier. 'Mijn neef zit er nu', zegt hij uiteindelijk. 'Vechten voor de verdomde vrede.'
Met 19 overzeese oorlogen in de afgelopen 100 jaar wordt in Amerika zomaar elke vijf jaar een oorlogsveteraan geboren – en dan hou ik nog geen rekening met het feit dat de meeste oorlogen langer duren dan een jaar, en dus meer dan één rondje dienstplichtigen opeten. De lijst is eindeloos. De opa van deze gast heeft in de Tweede Wereldoorlog gevochten; zijn vader waarschijnlijk in Korea, een of twee ooms in Vietnam. De man zelf kan zijn opgeroepen voor de Contra-Oorlog in El Salvador begin jaren ’80. Zijn jongere broer heeft wellicht een bijdrage geleverd aan de Golfoorlog, zijn zoon misschien aan Somalië of Joegoslavië, en nu wordt zijn neef afwisselend doodverveeld en doodgeschrokken in de Oorlog Tegen Terrorisme. De 'Mijn opa verstopte altijd zijn varkens als de Duitsers kwamen'-repliek die ik in gedachten had, lijkt ineens wat mager, evenals een luchtig 'Joh! Wat een toeval! Wij hebben óók een paar jongens in Afghanistan!'

Ik bedenk hoe raar het moet zijn, opgroeien in een land waar de oorlogsveteranen eeuwig 19 blijven, omdat ze elk jaar ververst worden. Hoe herdenk je de oorlog als de oorlog maar door blijft gaan? Hoe eer je dode soldaten als de stapel steeds groter wordt? Aan de andere kant, Amerika heeft een nogal eigenaardige manier van laatste eer bewijzen: ter nagedachtenis aan de slachtoffers van 9/11 hebben ze een oorlogsschip gebouwd met het staal dat geborgen is uit de as van het World Trade Center. 'Op 21 september 2001 brachten onze vijanden hun strijd naar New York… De USS New York brengt vanaf nu de strijd naar onze vijanden, tot in de verre toekomst', belooft de website gezellig. Ik deel mijn gedachten met de man. Ik weet zelf ook niet zeker wat ik ermee wil zeggen, maar het schiet de man in elk geval helemaal in het verkeerde keelgat.
'Verdomme!' schreeuwt hij, zijn stem slaat ervan over. 'Verdomme! Als het je hier verdomme niet bevalt, dan rot je toch gewoon lekker op naar je eigen verdomde land!' Hij slaat zijn glas bijna stuk op de bar. Tom Waits zonder de poëzie. Ho es even, wil ik zeggen, wat heeft dát er nou mee te maken?, en Hey meneertje, wat is dat nou voor fopargument! Eens zien of dat standhoudt voor de kleuterrechtbank! Maar het enige waar ik de ballen voor heb is een nogal lullig 'Nou, dat is óók niet aardig!'
De man kijkt me verschrikt aan, de hulpeloze blik van een dronkaard die al rokend in slaap is gevallen en nu wakker wordt met zijn haar in brand. 'Het—Het spijt me, man', zegt hij. 'Ik bedoelde het niet zo onbeleefd.' Zijn bloeddoorlopen ogen vullen zich langzaam met water. Tijd om naar huis te gaan.