Friday, December 4, 2009

Little Shop Of Horrors II – Several Species Of Small Furry Animals Gathered Together in a Cave and Grooving With a Pict


Several Species Of Small Furry Animals Gathered Together in a Cave and Grooving With a Pict – Pink Floyd

De eeuwenoude dame in het Newyorkse Museum of Natural History houdt het gewei omhoog in haar gerimpelde hand en schudt er triomfantelijk mee, als een trofee voor de doorgroefden. 'Het zit zo: dit is geen boom – hoewel het er verdacht veel uitziet als een boom, vinden jullie ook niet? Het ziet er uit als een stuk bast begroeid met mos. Maar het is eigenlijk bot, en het groeit rechtstreeks uit de schedel van de eland. En als de eland in een gevecht verzeild raakt, dan breekt zijn gewei soms af. Zomaar, zo!' Ze maakt een opmerkelijk lenig knak-gebaar met beide handen. Rijt! Angstige schoolreis-gezichtjes staren naar de dame vanaf heuphoogte, hangen ademloos aan haar lippen. Veertigplus ogen glimmen van opwinding – inclusief de mijne. Uiteengereten geweien! Vijandige elanden, de donzige lippen schuimbekkend in martelende pijn, hun schedels opengetrokken en natglimmend: de natuur is niks geen gezeligheid.

Achter de dame rijzen twee volgroeide eland-exemplaren de hoogte in, bevroren in mid-strijd in een kleurrijk diorama. Hun geweien zien er ongeschonden uit. Twee elanden maar liefst en dan ook nog eens wonderlijk abrupt overleden aan het begin van hun elandengevecht - wat een vondst moet dat zijn geweest voor de taxidermist!
Hun nieuwe, halfronde elandenthuis in het museum is een sneeuwbol voor reuzen. Ik verwacht half dat een gigantisch paar handen het dak van het museum licht, de bol optilt en eens goed schudt, om in verveeld vermaak toe te kijken hoe de elanden het zullen uitknokken in een sneeuwstorm. Een minuut of twee geleden liep ik, vers uit een Dinosaurushal, tegen dit groepje kinderen aan in de Hal van Noord-Amerikaanse Zoogdieren. De oeroude dame was net aan het vertellen dat een volwassen eland wel 1.580 pond kan wegen – een goeie twintigplus elfjarigen. Nu probeer ik zo onopvallend mogelijk in de buurt te blijven.
Kijk eens hoe geconcentreerd ik de pastelkleurige achtergrond bestudeer die de eeuwige arena vormt voor deze twee elanden; handen al een uur of wat samengeknepen op mijn rug, want kijken doe je met je ogen - mijn moeders waarste gemeenplaats zit er goed in. Ik ga hier niet degene zijn die per ongeluk iets breekt wat de afgelopen miljoen jaar uit een stuk heeft bestaan. Maar van binnen ben ik in alle staten. Kan dit verhaal nog aflopen zonder dood en elandenverderf?

'Nou nou, maak je maar geen zorgen, hoor', krakeelt de titelverdediger voor Beste Geweiverhaal Ter Wereld tot ieders opluchting. 'Voor een eland is zijn gewei kwijtraken net zoiets als je melktand verliezen. In de loop van de tijd groeit er gewoon weer een nieuw gewei aan.' Ze houdt het brok verslagen dier nog een keer omhoog en draait het langzaam van links naar rechts, zodat iedereen het goed kan zien. 'Zo', eindigt ze haar verhaal. 'Wie wil het aanraken?' Veertigplus handjes zwermen omhoog vanachter smalle ruggetjes, en reiken zo hoog ze kunnen, met gloeiende wangen en gretige ellebogen die afketsen op oogkassen en fontanellen. De kleinere kinderen worden bijna onder de voet gelopen in alle gewei-actie, maar ze geven geen centimeter toe en het kan ze niet schelen dat iedereen op hun tenen staat. Dit is niet het moment om kleinzerig te zijn. Een echt levend bot aanraken van een echt dood dier! Wie wil dat nou niet?

New Yorks Museum of Natural History is zo ongeveer de meest magische plek op aarde, al helemaal op dinsdagochtend. Schoolklassen vol waaieren uit over de Hal van Noord-Amerikaanse Zoogdieren, waar Grizzlyberen in bevroren poses er uitzien alsof ze elk moment uit hun besloten, zinsbegoocheld eindeloze diorama kunnen springen om mottige verwoesting aan te richten. Gezinnen struikelen over elkaar in een poging om 4 miljoen jaar oude Lucy in de ogen te kijken, terwijl sprookjesoma’s en -opa’s verkleed als gidsen verhalen van de geschiedenis van al wat is, uitgestorven en levend.
Het museum is een van die zeldzame exemplaren dat nog niet vereftelingd is: de lucht is er nog steeds een beetje bedompt en muffig, een eeuwige zweem formaldehyde, en de lange gangen en enorme zalen bieden eindeloze geheimen om te ontdekken in laag licht en hoge plafonds. Opgezette fretten, schurftig van ouderdom, hun felle poses afgezwakt na jaren van over het hoofd gezien worden; dinosauriërs die mammoethallen domineren waar levensgrote fossielen zijn rongestrooid als confetti op een kinderfeestje; ruimtes van omgekeerde hoogtevrees met indianentotems als gebeitelde hoogwerkers.

Hoe armoedig en teleurstellend is een bezoek aan de museumwinkel na dat ongelofelijke feest van eindeloze sterfelijkheid dat je vanaf alle verdiepingen krabbend en speekseltandend bij de keel grijpt. Je oren tintelen nog van de opwinding, je neus verstopt met de geur van een biljoen jaar aan evolutie, en dan sta je ineens in de overbelichte, bovenmatig stofvrije en verschrikkelijk milieuvriendelijke Museum Shop. Biologisch afbreekbare mensenhaaien zo groot als je hand lijken in de verste verte niet op de megakaken die je eerder in een van de zalen aan een plafond zag hangen. Er liggen origami-je-eigen-Cro-Magnon-pakketjes. Van hergebruikt papier. Een Mijn Eerste Opgraving met een ondermaatse tandenborstel en een piepklein schepje, waar nog precies een minidinosaurus, met een brede grijns en geperst in een zandbakje, bij past. De taaie modellen bieden ouders in een oogopslag de garantie dat de enige beroering die ze ooit zullen veroorzaken het gevoel is van gekrenkte trots, wanneer hun kinderen ze in de prullenbak mikken. Suf! De speelgoedelanden en teddyberen zijn hier ineens onverhoeds aaibaar, en wollig, ontbloot van alle bloeddorst en klauwen.

Het klopt gewoon niet. Het hele museum is erop gericht om je te laten zien dat evolutie een ongelofelijke, onthutsend voortstuwende kracht is, genadeloos pulserend door de eeuwen heen; dat alles in de natuur – groot of klein – zich toespitst op overleven, vreten, neuken, slachten, sterven, en dan weer van voren af aan begint. De museumwinkel zegt dat beren schattig zijn. Ze houden van honing.

Hoe heeft een museum met de grootste collectie aan gewervelde fossielen ter wereld (bijna een miljoen exemplaren) ooit ja kunnen zeggen tegen deze compleet onnozele winkel vol geurloze nep? Poe poe, ze hebben echt astronautenvoedsel (je kunt een gevriesdroogde boterham met ijs kopen), maar dat was altijd al geurloze nep. Heeft de politiek correcte evolutie nu ook al het museumleven op aarde in zijn klauwen?

Little Shop Of Horrors III – Little Shop Of Horrors


Little Shop Of Horrors – Theme Song Little Shop Of Horrors

Alles is nog niet verloren. Twee blokken bij het New York Museum of Natural History vandaan vind je de winkel die eigenlijk de museumwinkel had moeten zijn – en het zou per direct worden ingesteld als officiële museumwinkel, als Tim Burton of David Cronenberg de baas van het museum was. Maxilla and Mandible, Ltd. is in 1983 geopend door een voormalig nachtwaker van het museum. Of zo gaat het verhaal. Ik zie het helemaal voor me: een vastberaden visionair die langzaam maar zeker, over een periode van jaren, met een lepel, in het holst van de nacht, een ondergrondse gang vanonder het museum heeft uitgetunneld tot hij recht onder de winkel uitkwam. Ik stel me voor dat hij zijn zakken in het begin vult met klein spul, kostbaarheden uit het stoffig museummagazijn die niet langer tentoonstaan en langzaam worden weggevreten door tandeloze vergetelheid. Later wordt hij roekelozer en bevrijdt hij kleine, opgezette zoogdieren uit hun zorgvuldig gegroepeerde habitats in sommige van de slechter verlichte zalen. Hij steekt ze voorzichtig onder zijn grote jas en wandelt onopgemerkt naar de dichtstbijzijnde uitgang.
Er gaan jaren overheen voordat iemand de ontbrekende dieren mist; op een dag wijst een klein jongetje of meisje naar een afdruk van kleine pootjes op de stoffige bodem achter het glas. Het kind trekt aan een volwassen mouw en vraagt: 'Mam, waar gaat een gordeldier naartoe als hij moet plassen?'

Nou, dat gaat dus naar Maxilla and Mandible, waar het zich heeft opgekruld en nu achter de toonbank aan het plafond hangt. Naast hem hangt een glazig kijkende fret die twijfelt of hij het gordeldier moet bespringen of maken dat hij wegkomt. De hele winkel is een spannend willekeurig eerbetoon aan alles wat met natuurlijke overblijfselen te maken heeft. Op rekken van vloer tot hoog plafond zijn manden volgestapeld met hondentanden, teennagels van emoe, en mineralen; kever- en vlindercollecties hangen aan de muur; plastic dino’s liggen gebroederlijk naast fossiele haaientanden, een gipsen afgietsel van een bavianenhoofd, slangenwervels, en een stapel kippenpoten die samentrekken en ontspannen als je aan de uitstekende pees trekt en weer loslaat; posters geven een overzicht van de evolutie en de anatomie van de mens; een in zijn geheel gevriesdroogde muis in een glazen kubus lonkt naar het zwarte kapucijneraapje met het witte hoofd dat zich afvraagt hoe het hier in hemelsnaam terecht is gekomen; een kamelenschedel (in twee losse delen) zit naast het gekrompen mensenhoofd – helaas, zegt de jongen achter de toonbank, het hoofd is niet echt.
Het was ooit onderdeel van de set van een jaren tachtig horrorfilm. Maar het gerucht gaat, zegt hij, dat er in de begindagen van de winkel wel een echt hoofd op het rek heeft gelegen – tot iemand het kocht. In Maxilla and Mandible is alles echt, tenzij op het prijskaartje nadrukkelijk iets anders staat.

Een stel nieuwe klanten belt aan, een man met een klein meisje. Bij binnenkomst wijst hij haar op de verzameling 3 miljoen jaar oude fossielen van garnalen, en op de opgezette berenkop. Het meisje aait de beer heel voorzichtig over het hoofd, en laat haar vingers o-zo-behoedzaam langs de tanden glijden. Dan gaat ze op haar knieën zitten en begint druk te zoeken in een mand op de vloer, gevuld met een breed assortiment aan dinosarusbotten.
Met het stel komt ook een gedrongen gast de winkel in. Hij walst rechtstreeks naar de kassa waar hij stopt, naar voren leunt en de verkoper een volle minuut aanstaart. Dan dreunt hij: 'EEN HEE… EEN… EEN… EEN HELE F…' Hij wiegt een beetje heen en weer, alsof het uitpersen van de woorden hem ook een hele toer oplevert om in balans te blijven. De winkelhouder poetst de kubus op waarin de muis op zijn achterpootjes staat, de voorpootjes voor zijn borst omhoog geheven, als een bokser. 'EEN HELE FIJNE DAG GEWENST!' weet de gast uit te spugen. Hij draait zich abrupt om en mangelt de straat weer op. De verkoper haalt zijn schouders op als de deur achter hem dichtvalt. 'Kijk eens, Layla, het is Marcel, uit Friends', zegt de man in de winkel. 'Zie je het kleine aapje daarboven?' Maar het meisje gaat volledig op in de glazen kolfjes met bliksem die in zand is ingeslagen. 'Wanneer bliksem inslaat in de woestijn, wordt het zand zo heet dat het smelt en weer aan elkaar klontert om de bliksem heen. Wat je dan krijgt is een hol buisje in de vorm van de bliksemflits', legt de winkeljongen uit. Hij draait zich weer naar mij. 'Ik heb er altijd van gedroomd dat ik in deze winkel kon werken', zegt hij. 'Al vanaf dat ik klein was en mijn vader me hier mee naartoe nam.' Hij houdt de gevriesgroogde muis omhoog naar het licht, een trofee voor eeuwig leven en dood.

Ik koop uiteindelijk zaadjes waarmee ik mijn eigen vleesetende plant kan kweken (de natuurlijke manier om van de vliegenplaag in je appartement af te komen, belooft de verpakking. I dacht, als mijn lief de wetenschapper het plantje wat aan kan sporen, is het misschien ook een heel natuurlijke manier om van de rattenplaag in de stad af te komen) en een klein zilveren armbandje met aaneengeregen ceramieken tanden uit de veertiger jaren die door de eigenaar van de winkel uit een voormalig tandartsenpraktijk zijn getrokken. Hoewel het voor een geanimeerde dialoog zorgt met de winkelhouder, is het armbandje buiten de winkel gek genoeg een beetje een converstatiestopper. 'Ach, wat een schattig armba… Ewwww! Zijn dat echte tanden?'

Maxilla and Mandible is een museumwinkel voor natuur en volkenkunde zoals een museumwinkel voor natuur en volkenkunde hoort te zijn. Net als de natuur is het niet voor tere zielen. Het is voor diegenen die beseffen dat alles wat leeft een begin en een einde heeft – en een leven na de dood kan hebben, gewoon bij je thuis op de vensterbank.

Thursday, November 5, 2009

The Piano Has Been Drinking


The Piano Has Been Drinking – Tom Waits

'Nou, wat vinjij van de oorlog?' komt de man links van me uit het niks. Het is kwart over tien op een dinsdagavond, in een wijnbar bij ons om de hoek. Het is binnen zo goed als uitgestorven. Dat is raar, zelfs voor een doordeweekse avond. De afwezigheid van drinkers heeft misschien te maken met het feit dat de New York Yankees zich voor het eerst in negen jaar weer een plek in de World Series hebben bevochten – en dit is een van de weinige cafés in de buurt zonder plat of ander tv-scherm. (De ‘World Series’, voor de mensen thuis, is de nogal megalomane aanduiding voor een louter Amerikaans honkbal-fenomeen.)
De man naast me is heel, heel erg dronken. Hij is het type gast dat ook in het buitenland koppig Engels blijft praten; in het geval de lokale barman/hotel manager/masseuse niet begrijpt wat hij zegt, zegt hij het gewoon nog een keer in het Engels, maar dan een tandje harder, vol vertrouwen dat meer volume het beste middel is om taalbarrières te slechten. De man en ik hebben het over politiek gehad – of liever: de man heeft zijn ongezouten mening gegeven over het huidige verval van de Amerikaanse Droom, en ik heb hem aangehoord. Hij zegt dingen als: 'Die verdomde Democraten helpen dit land naar zijn mallemoer!', en: 'Ik ga toch verdomme geen gezondheidszorg betalen voor een stelletje verdomde landlopers!' Hij is het type gast dat nog geen zonsondergang vertrouwt. 'Veels te rood, als je het mij vraagt.' Het afgelopen kwartier heeft hij glazig in zijn glas bier gestaard – ik ging ervan uit dat hij vergeten was dat we in een gesprek zaten. Maar nee.

'WAT! VIND! JIJ! VAN! DE! OORLOG!' herhaalt de man met windkracht tien. Hij morst zijn bier in een poging om zich van zijn kruk omhoog te hijsen en een halve draai te maken, zodat hij me kan aankijken. Het kost hem al zijn concentratie om zijn gewicht te verdelen en zijn balans te houden. Welke oorlog? denk ik. Vraag aan een willekeurige Nederlander wat hij van ‘de oorlog’ vindt en je krijgt ofwel een geromantiseerd heldenverhaal van een verzetsopa in de Tweede Wereldoorlog (die wat Nederland betreft netjes kan worden samengevat als vijf dagen fietsen gooien, waarna we onder de voet werden gelopen door Duitse efficiëntie), ofwel een vaag ongemakkelijke anekdote over de Nederlandse betrokkenheid bij de oorlog in voormalig Joegoslavië (die wat Nederland betreft netjes kan worden samengevat als een donkere dag voor de militaire bureaucratie). Onze dienstplicht (of preciezer: de opkomstplicht) is afgeschaft in 1997; elke soldaat die sinds Joegoslavië is uitgezonden naar een internationale brandhaard, is een professionele krijger die zich vrijwillig heeft aangemeld. Tenzij Prins Woef van België besluit om Nederland te annexeren, zal er nooit meer een 18-jarige worden opgeroepen om te sterven voor het Vaderland.

De oorlogsgeschiedenis van Nederland steekt wat bleek af tegen die van Amerika. Het land heeft 47 keer de oorlog verklaard sinds de Britse kolonisten onderling hun Onafhankelijkheidsoorlog uitvochten. Onder die 47 krachtmetingen zijn er precies 2 geweest waarbij een buitenlandse mogendheid ongeoorloofd min of meer Amerikaans terrein betrad: de Mexicaans-Amerikaanse Oorlog van 1846-1848 en de Oorlog van 1812 tegen het Britse Rijk. Op een eerste verkenningstocht naar Korea na (in 1871) waren de overige 25 conflicten in de 18e eeuw allemaal burgerlijk: van de Burgeroorlog tot de talloze oorlogen tegen Amerikaanse Indianen. Sinds de 20e eeuw heeft Amerika 19 keer de oorlog verklaard en uitgevochten: geen enkele van die conflicten heeft binnen de landsgrenzen plaatsgevonden. Dat zijn 110 jaar aan veldslagen in andere mensen hun land, voor andere mensen hun vrijheid.

'Je weet toch, onze jongens in Af-gha-ni-stan?' verduidelijkt de man. Wat vind ik daarvan? Ik zeg tegen de man dat ik eigenlijk maar weinig weet van oorlog. 'Dat dacht ik verdomme ook!' zegt de man. 'Als wij er niet waren geweest, dan hadden jullie verdomme allemaal Duits gesproken!' Ik probeer me te herinneren wanneer ik dat voor het laatst echt iemand heb horen zeggen, hardop. Mijn geheugen laat me in de steek. Desalniettemin wil ik de man graag laten weten dat Nederland, en Europa, en ik ook, nog steeds hartstikke dankbaar zijn dat de Amerikanen ons 63 jaar geleden hebben gered uit de taalkundige klauwen van nazi-Duitsland. Ik ben godbetert met een Canadees getrouwd! wil ik hem vertellen. Als dat geen dankbaarheid is! Maar de man is alweer teruggezakt op zijn kruk en staart peinzend naar zijn bier. 'Mijn neef zit er nu', zegt hij uiteindelijk. 'Vechten voor de verdomde vrede.'
Met 19 overzeese oorlogen in de afgelopen 100 jaar wordt in Amerika zomaar elke vijf jaar een oorlogsveteraan geboren – en dan hou ik nog geen rekening met het feit dat de meeste oorlogen langer duren dan een jaar, en dus meer dan één rondje dienstplichtigen opeten. De lijst is eindeloos. De opa van deze gast heeft in de Tweede Wereldoorlog gevochten; zijn vader waarschijnlijk in Korea, een of twee ooms in Vietnam. De man zelf kan zijn opgeroepen voor de Contra-Oorlog in El Salvador begin jaren ’80. Zijn jongere broer heeft wellicht een bijdrage geleverd aan de Golfoorlog, zijn zoon misschien aan Somalië of Joegoslavië, en nu wordt zijn neef afwisselend doodverveeld en doodgeschrokken in de Oorlog Tegen Terrorisme. De 'Mijn opa verstopte altijd zijn varkens als de Duitsers kwamen'-repliek die ik in gedachten had, lijkt ineens wat mager, evenals een luchtig 'Joh! Wat een toeval! Wij hebben óók een paar jongens in Afghanistan!'

Ik bedenk hoe raar het moet zijn, opgroeien in een land waar de oorlogsveteranen eeuwig 19 blijven, omdat ze elk jaar ververst worden. Hoe herdenk je de oorlog als de oorlog maar door blijft gaan? Hoe eer je dode soldaten als de stapel steeds groter wordt? Aan de andere kant, Amerika heeft een nogal eigenaardige manier van laatste eer bewijzen: ter nagedachtenis aan de slachtoffers van 9/11 hebben ze een oorlogsschip gebouwd met het staal dat geborgen is uit de as van het World Trade Center. 'Op 21 september 2001 brachten onze vijanden hun strijd naar New York… De USS New York brengt vanaf nu de strijd naar onze vijanden, tot in de verre toekomst', belooft de website gezellig. Ik deel mijn gedachten met de man. Ik weet zelf ook niet zeker wat ik ermee wil zeggen, maar het schiet de man in elk geval helemaal in het verkeerde keelgat.
'Verdomme!' schreeuwt hij, zijn stem slaat ervan over. 'Verdomme! Als het je hier verdomme niet bevalt, dan rot je toch gewoon lekker op naar je eigen verdomde land!' Hij slaat zijn glas bijna stuk op de bar. Tom Waits zonder de poëzie. Ho es even, wil ik zeggen, wat heeft dát er nou mee te maken?, en Hey meneertje, wat is dat nou voor fopargument! Eens zien of dat standhoudt voor de kleuterrechtbank! Maar het enige waar ik de ballen voor heb is een nogal lullig 'Nou, dat is óók niet aardig!'
De man kijkt me verschrikt aan, de hulpeloze blik van een dronkaard die al rokend in slaap is gevallen en nu wakker wordt met zijn haar in brand. 'Het—Het spijt me, man', zegt hij. 'Ik bedoelde het niet zo onbeleefd.' Zijn bloeddoorlopen ogen vullen zich langzaam met water. Tijd om naar huis te gaan.

Friday, October 16, 2009

White Wedding


White Wedding – Billy Idol

'Uhhh… Tja… Vooruit…' De jongen zijn vlassig snorretje trilt ervan. 'Oké… Uh, ik bedoel, ja. Ja.' Hij rijgt de woorden aaneen zoals zijn verloofde tot een maand of zes geleden haar anticonceptie nam: onregelmatig, een beetje afwezig en in vol vertrouwen dat, als je die strip nou maar gewoon helemaal opmaakt, er niks aan de hand is. Zijn aanstaande klampt zich vast aan het trouwboeket dat haar moeder zo-even gekocht heeft van een van de kleine zakenjongens die dag in, dag uit op de trappen van het New York City Huwelijksbureau staan en daar hun bosjes slijten (en op slechte vangdagen soms twee, drie keer opnieuw verkopen) voor vijftien piek.
De bijna-bruidegom zijn geleend kostuum jeukt, maar zijn toekomstige schoon-stiefvader houdt elke onverwachte beweging nauwlettend in de gaten, klaar om hem bij de kladden te grijpen bij de minste hint dat hij 'm probeert te smeren. Dus in plaats van zich te krabben, staart hij naar de punten van zijn roerloze schoenen, in cement gegoten op de vloer van het Huwelijksbureau als een mafioos die zijn graf gaat vinden op de bodem van de rivier.

De ambtenaar van de burgerlijke stand veegt zijn mouw langs zijn voorhoofd en kijkt tegelijkertijd op zijn horloge. Hij zweet uitbundig – kleine straaltjes nat zout zinken onder de rand van zijn pak en verder stroomafwaarts, naar zijn buik, waar ze voorlopig verzamelen in het reservoir van zijn navel. Op de een of andere manier haalt de airconditioning van het Huwelijksbureau het nooit helemaal tot aan de kleine, als landelijk trouwkapelletje verklede witte nis aan de linkerkant van de ruime aankomsthal – de dimmers, de witte vitrage, de kandelaren en alle bijna-intimiteit van de wereld kunnen niet verhullen dat het Huwelijksbureau pakweg iedere 10 minuten een verse Meneer en Mevrouw X uitspuugt. Dat zijn 42 trouwalbums per dag (210 per week; 10.920 per jaar) met foto's van de nis en de trappen en de buitenmuur van het Bureau.
De ambtenaar vindt enige verlichting in de triple mint kauwgum die hij sinds zijn eerste ceremonie vanochtend aan het herkauwen is. De mensen hebben daar eigenlijk nooit commentaar op, peinst hij, op de malende kaken die de geloftes begeleiden waarmee hij ze verbindt tot de dood hen scheidt. Koppels die in het Huwelijksbureau trouwen, hebben bescheiden verwachtingen als het op ceremonieel decorum aankomt. De ambtenaar maakt zich niet druk over het duo dat voor hem staat; hij maakt zich meer zorgen over de kostbare minuten die uit de ceremonie weglekken als het zilt dat stil maar onbarmhartig uit zijn poriën blijft stromen. Hij kijkt de nis uit, de hal van het Bureau in, waar het volgende stel al staat te wachten om bediend te worden: een blijmoedig tweetal van middelbare leeftijd, omringd door een groep luidruchtige vrienden. Nummer 17 vandaag. Tijd om de boel hier af te ronden.

Mijn lief en ik zitten achter een van de computers die elkaar middenin de hal van het Huwelijksbureau in de ribben porren als aangelijnde bruidsmeisjes die zich schrap zetten voor een inkomend boeket. We zijn hier om een trouwvergunning aan te vragen en we overwegen vaag de mogelijkheid om hier te trouwen, op het Huwelijksbureau: al wat je nodig hebt, is een wachttijd van 24 uur en een afspraak. Het kost niks (in totaal 60 piek: $ 35 om de vergunning aan te vragen en nog eens $ 25 voor een ceremonie door een van de aangewezen ambtenaren), het is snel en pijnloos – en romantiek, romantiek is toch allang dood en begraven, zeggen we tegen elkaar. Nadat we een nummertje hebben getrokken voor een van de stadskantoorklerken die onze aanvraag moet bestempelen en KEMA-keuren, hebben we tijd om om ons heen te kijken.
Als het huwelijk een instituut is, is het New Yorkse Huwelijksbureau haar onbetwiste hoofdkwartier. Vanaf de eerste rij waar je op stuit als je de neo-renaissance hal binnenkomt (om te vertellen wat je komt doen en met wie), via het wachten tot een van de computers vrij komt (om je huwelijksaanvraag in te dienen), en de rij voor een van de stadsklerken (om je aanvraag af te ronden), tot aan de colonne voor de feitelijke voltrekking: onderweg wordt ieders liefdesverhaal door dezelfde bureaucratische gehaktmolen geperst. De hal zoemt en trilt van de moetjes en toeristen en dronken trouwerijen die vanochtend aan de beurt zijn; hier en daar een steelse blik op de spek-en-bonen trouwkapel. Tegen de middag hebben ze plaats gemaakt voor de budgetlozen, tweede-pogingers en in-het-geheim-trouwers die binnenstromen vanaf de lunch.

In New York City, de koningin van het individueel geluk, worden toch nog gemiddeld 182 huwelijken per dag gesloten; in totaal 66.483 keer een wederkerig 'Ja' in 2007. En de statistieken zijn hoopvol: de staat New York mag zich beroemen op de op twee na laagste echtscheidingscijfers in Amerika (8,1% in 2008; alleen in New Jersey en North Dakota blijven meer mensen bij elkaar). Romantiek is nog lang niet dood! zeggen we tegen elkaar. Ze is springlevend, sterker nog, ze vraagt naar ons nummertje. Volgende! (We zullen niet hier trouwen, maar ergens anders in de stad – maakt niet uit waar! Als het maar niet de Grand Prospect Hall in Brooklyn is – waar minder vreemden zijn, en geen rijen, en maar één bruid.)

'Dan verklaar ik jullie hierbij tot man en vrouw', sluit de ambtenaar de ceremonie af. Hij slaat zijn klapper dicht. De donzige bovenlip van de bruidegom springt in het gelid. Hij mag zijn bruid kussen. Moet dat met tong? Of juist zonder? Was daar geen regel voor? Zijn meisje kijkt naar hem, blozend. Ze heft haar kin in tweevoudige verwachting. Waar laat hij zijn handen? Had hij er maar beter over nagedacht! Daar is het nu te laat voor. Hij knijpt zijn ogen dicht en duikt er vol in. Ook de moeder van de bruid sluit haar ogen, tegen het vooruitzicht: de onvermijdelijke kletter van tanden als eerste klinkende toost op een nog lang en gelukkig.

Friday, October 9, 2009

Dear Doctor


Dear Doctor – The Rolling Stones

Instant misselijk. Zweten. God, wat kan ik ineens zweten. Water in mijn mond. Ik moet over mijn nek, zoveel is zeker. Ik durf alleen niet te bewegen, laat staan dubbelklappen. Tussen mij en een louterend rondje spuitkots staat een metalen peilstift die, zo voelt het, mijn frontaalkwab probeert lek te steken via mijn rechteroor. De dokter aan het andere einde van de staaf doet zijn best – óók zweet op het voorhoofd – om een goeie zomer aan vastgekoekt oorsmeer uit mijn hoofd te schrapen. Zijn assistente, een benauwd propje vers van de opleidng, houdt een nogal onhandig ogende jaren '80 bureaulamp omhoog richting mijn rechterlel, haar ogen dichtgeknepen tegen het felle licht. Of misschien probeert ze haar onschuld te beschermen tegen de klont troep die de dokter met grimmige vastberadenheid uit mijn oorgang aan het peuren is – brein en al, als het moet. Ik druk mijn nagels hard in mijn handpalmen en blijf zo stil mogelijk zitten – piepend als een vers gewassen varkentje, dat dan weer wel.

Uit de pak 'm beet 30.085 artsen in New York City (zegt NYC.com) heb ik er een gevonden bij ons om de hoek, op West 97th Street. Of eigenlijk twee: een reguliere huisarts en een maagdokter die hun praktijk delen. Je kunt er gewoon heen, inloopspreekuur is heel de dag, belooft de dame aan de telefoon. In gezonde familietraditie heb ik gewacht met gaan tot de mensen om me heen mijn klaagzang ('Ja echt, het gaat alweer stukken beter – Nee niet aankomen!! Ben je gek?!') niet langer konden aanhoren. De druppel is het moment dat ik hardop verzucht dat het al drie weken naar Franse kaas ruikt in huis – waarop mijn lief me er fijntjes (en op afstand) op wijst dat ik de enige ben die overal camembert ruikt als ze rechtsom draait en of ik al overwogen had dat die geur uit mijn eigen hoofd komt misschien? Er is geen ontkennen aan: ik heb een kaas-oor en het ziet er niet naar uit dat het vanzelf weer overwaait. Naar de dokter dus.

In de wachtkamer van de praktijk zit vier rijen dik aan lauw ruikende patiënten, die zachtjes kreunen of in druk Spaans verklaren waarom ze toch echt nu de dokter moeten zien – maakt niet uit welke van de twee. De baliedames hebben alles uitstekend onder controle, op de onbeheerste huilbui na van de linker, een prachtige ruïne van een vrouw. Tussen het vriendelijk doch beslist terug dirigeren van patiënten naar hun zitplek en het kopiëren van identiteitsbewijzen, lekken de tranen naamloos uit haar gegroefd gezicht. Wanneer de telefoon gaat, spreekt ze zichzelf streng toe in het Spaans, haalt haar neus op en roept iets te ferm in de hoorn: 'Huisartsenpraktijk X en Y, kan ik u helpen!' Ze luistert even, antwoordt kort in het Spaans en soms ook in het Engels, hangt op en begraaft haar betraand gezicht weer in haar mollige handen.

Dan kijkt ze op, zucht diep en roept mijn naam. Of ik verzekerd ben? Ja natuurlijk, knik ik vol vertrouwen en zwiep mijn Nederlandse Achmea World Health Insurance Card tevoorschijn. De mevrouw en ik kijken allebei eventjes hoopvol naar de plastic kaart, alsof die elk moment kan transformeren in een exotische arts die mij als een wonder van mijn kaas-oor verlost en haar wegvoert, ver uit haar tranendal, naar een plek waar alles goed is en mooi en dik verzekerd. Helaas. De mevrouw zucht nog eens, glimlacht dan en zegt: 'Heb je misschien nog een ander kaartje?' Nog niet, begin ik dapper, maar zodra ik officieel geregistreerd sta als echtgenote mag ik mee op mijn liefs verzekering. Dat betekent dat ik nu dus feitelijk niet verzekerd ben in Amerika? Tja. Word ik nou zonder slag of stoot weggezet in de rij van 46,3 miljoen Amerikanen zonder enige vorm van ziektekostenverzekering (cijfers U.S. Census Bureau, 2008)? 'Weet je wat, lieverd', lost de mevrouw een naderende wel-of-niet-verzekerd-discussie op, 'ik maak alvast een kopietje van je paspoort voor in ons systeem, en dan kun je nu voor 110 dollar op consult. Dat geld vraag je later gewoon weer terug.' Zo geschiedt.

En daar zit ik dan, compleet reddeloos. Zonder te kotsen of te bewegen want dan trekt deze dokter mijn gevoel voor humor zonder pardon via mijn oor de wijde wereld in. De behandelkamer duwt tegen mijn ooghoeken: wonderlijke, want allemaal precies even scheef hangende schilderijen aan de muur (huilende zigeunerjongen, vergezicht op zee, stilleven) met een laagje stof op de schuine lijsten. Stapels papier op het bureau, de vloer, de raamkozijnen, de volle boekenkast, de ontelbare keren opgelapte gestoffeerde leunstoel.
Op een wastafel met vastbesloten vetlaag staat de glazen pot met metalen instrumenten waar de dokter twee minuten eerder, met hulp van zijn pen, de staaf uit viste die nu in mijn oor gepropt zit. Op een laag tafeltje bij de deur een set zonnige familiefoto's: de dokter gearmd met twee gelukkig ogende jonge mannen, een klein meisje op een schommel. Geen handschoen te bekennen. Ook geen goeie onderzoekslamp – vandaar de assistente. Naast me ligt het voorbeeld-oor dat de dokter heeft gebruikt om me uit te leggen wat hij van plan was. 'Iek denk u heeft een zure-bommen-infeksie, si, en plus ook een kewone oorinfeksie', verklaart hij na een vleug van mijn kaas-oor. 'Iek zal ierst die prop uit ‘et oor ‘alen, si, en dan wij kijken verder. Ik ‘erken die odeur, ha ha, si, diet is die klassieke odeur van zure-bommen-bacterie!'

Dat was tien minuten geleden. Intussen heeft de dokter zich met zijn ene been schrap gezet tegen de onderzoekstafel; zijn vrije hand zet zich af tegen mijn oor terwijl hij rondwroet in mijn diepste gedachten. Dan, in een gruwelijk smakkend plorp-geluid, trekt hij zijn arm naar achteren. Hij struikelt bijna, grijpt zijn verbouwereerde assistente bij haar hoofd om zijn balans te vinden, ademt opgelucht uit in mijn oor en zegt: 'Ziezou! Dat ies deel één!' Nog eens tien minuten en een duizelingwekkende oorspoelsessie later, sta ik weer op de gang met een recept voor antibiotica en oordruppels tegen mijn oorinfectie en de bijkomende Pseudomonas-bacterie, en een terugkomafspraak voor over tien dagen. Achter de gesloten deur ligt mijn innerlijke schoonheid in een schaal: een kaal, stinkend klontje geel en geronnen rood. Mooi is dat.

Monday, September 14, 2009

Rapture


Rapture – Blondie

‘Hoed u voor het teken van het Beest! Het teken 666 op uw arm of voorhoofd leidt onherroepelijk naar de hel! Jezus komt! De Wegvoering is nabij!’ Er is geen enkele hapering in de stem van de meneer. Het einde is zo nabij dat er geen tijd is voor een adempauze, ook niet na een uitroepteken. De meneer houdt een beduimelde bijbel opengeslagen naar het tl-licht in de metropassage onder 42nd Street, maar kijkt strak over de pagina’s heen de lange gang in, alsof god elk moment om de hoek kan komen aanzetten om de laatste metro naar huis te halen.
Hij weet wat er in zijn bijbel staat – en wat het betekent. Wie geen overtuigd (en overtuigend) christen is, wordt bij de Wegvoering niet op enkel transport naar de hemel gezet, maar zal onuitsprekelijk lijden op aarde onder het digitale consumentendictatoriaat van het Beest.
Ik krijg in het voorbijgaan een folder van zijn collega, een mevrouw met nogal verpieterd haar. Die legt het allemaal stapsgewijs uit: wanneer het einde komt, hoe de signalen te herkennen en – niet onbelangrijk – wat te doen als het tijd wegvoeren is en je blijkt geen goed gelovige (‘Tip # 1: raak niet in paniek, dat heeft nu namelijk echt geen zin meer.’ […] ‘Tip # 4: bid zoals je nog nooit van je leven hebt gebeden.’). Ik ben blij dat ik er eentje heb. Je weet maar nooit!

Het einde van de wereld zoals we die kennen, heeft voor de meneer en de mevrouw geen geheimen, maar het moet worden verkondigd – ook onverbeterlijke zondaars verdienen een kans op redding, of dan toch in elk geval een eerlijke waarschuwing. En waar vind je meer goddelozen dan dan pal onder Times Square, het rottend hart van het hedendaagse Sodom en Gomorra? Lijnen A, C en E Uptown rechtsaf; lijnen 1, 2, 3 Downtown linksaf; iedere vertakking een gapende muil naar de voorportalen van de hel. De ondergrondse navelstreng die Times Square verbindt met Grand Central, draait en kronkelt en lilt met verloren zielen. Een hoogverzorgde mevrouw klik-klakt langs. ‘Gods wraak zal neerdalen op eenieder die het teken van het Beest draagt! De tekenen van de profetie zijn onmiskenbaar!’ De mevrouw zuigt op haar wangen en krult haar lippen – het nieuwe fronsen voor gebotoxten – in misprijzen over zo veel slechte smaak en versnelt haar pas naar een liederlijke dans op de tegels.

Einde-van-de-wereld-verkondigers in Amerika doen niet aan natte-vinger-raadwerk of op goed geluk interpreteren van de bijbelse profetieën. Ze hebben een website, RaptureReady.com, ‘om al deze componenten te standaardiseren. Op die manier worden de grote verschillen die nu bestaan in profetie-meldingen, geminimaliseerd’. Vergeet de christelijke Wikipedia en zijn creationistische bijna-wetenschap: sleutelrol op de Wegvoeringssite is weggelegd voor de Wegvoerings Index die onweerlegbaar becijfert hoe waarschijnlijk het op enig gegeven moment is dat de Wegvoering, zoals die is voorspeld, er aan zit te komen. De index is gebaseerd op een select aantal categorieën (zoals daar zijn Werkloosheid, Afgoderij, Iran en Rusland, Overstromingen en Liberalisme) waaraan gewicht wordt gehangen dat opgeteld tot een eindcijfer komt. De index geeft een exacte indicatie van profetische activiteit, wat weer de graadmeter is voor de ‘kans op Wegvoering’. Wat de Index betekent, aldus de ‘profetische snelheidsmeter’, is dit:
‘- een wegvoeringsindex < 100 = lage profetische activiteit
- een wegvoeringsindex 100-130 = matige profetische activiteit
- een wegvoeringsindex 130-160 = hoge profetische activiteit
- een wegvoeringsindex > 160 = zet je maar schrap’

De index op moment van schrijven, begin september 2009: 163. Dat je het weet.

Sunday, September 13, 2009

God Only Knows


God Only Knows – The Beach Boys

Op de hoek van de straat, naast de metro-ingang van 96th Street en Broadway, staat een roepende meneer met een bijbel, een kluit folders in keurige pakketjes naast hem op de stoeprand. Ik loop bijna iedere dag langs hem heen, de metro in. De meneer citeert en declameert onvermoeibaar. Het woord moet worden verkondigd – ook als de lucht dreigt en dondert zoals op deze gruizige augustusmiddag. ‘Zes dagen zal men het werk doen; doch op den zevenden dag is den sabbat der rust, een heiligheid des HEEREN! Wie op den sabbatdag arbeid doet, zal zekerlijk gedood worden!’ Het gezicht van de meneer betrekt, heel even, bij de gedachte. Het is zondag. Het is maar goed dat hij niet betaald krijgt voor de waarschuwingen die hij de voorbijgangers op het hart drukt.
Dat god almachtig is en dat Jezus van iedereen houdt, dat weten ze nou wel. Wat de mensen niet weten, is dat god ook heel erg boos kan worden. En dat je dan maar beter aan zijn kant kunt staan. De Heer is niet kinderachtig als het op straf aankomt, weet de meneer. ‘Hoor Lucas 19: 26-28! Want ik zeg u, dat een ieder, die heeft, zal nog meer gegeven worden! Maar degene, die niets heeft, van dien zal zelfs ontnomen worden wat hij heeft! Doch mijn vijanden, die niet hebben gewild, dat ik over hen koning zoude zijn, brengt ze hier, en slaat ze hier voor mij dood!’

God is groot in Amerika. Hoewel de aantallen langzaam dalen, is nog steeds 87% van de bevolking actief overtuigd van een hogere macht – of meerdere. In New York City vormen katholieken en protestanten de grootste groep met respectievelijk 40 en 30% (verdeeld over meer dan 200 kerken); 8.5% van de Newyorkse gelovigen bestaat uit joden (in een goeie 50 synagogen), 3.5% uit moslims (met een verrassende 100+ moskeeën), 1% verklaart boeddhist te zijn (en doet dat in meer dan 20 tempels) en 13% (nogal sip, want die zitten gewoon thuis) gelooft dat god niet bestaat of gelooft niet dat god bestaat – tenminste, niet in de vorm van een man met een baard. ‘Dat er iets is’ is, voorzover ik weet, nog geen officieel geloof. In de overige 4% niet nader gespecificeerden, zitten in ieder geval genoeg mensen om 15 kerken voor jehovah’s getuigen en een handjevol hindoestaanse tempels te vullen. Ik ben benieuwd waar de meneer op de hoek zijn niche heeft gevonden.

Het begint te regenen, een zeer Newyorkse zomerhoos. De schoenen van de meneer op de hoek zijn binnen een paar tellen zo doorweekt als zijn nylon pak. Het deert hem niet. Liet Noah zich weerhouden door wat nattigheid? Binnen vijf minuten kolkt het water langs de stoepranden en de hopeloos verouderde stadsriolering, over de trappen heen, de metro in; voor het einde van de middag zal het ook door de betonconstructie heen druppen op de hoofden van de mensen op de perrons. Voor nu plakken de folders van de meneer aaneen, worden dan opgetild door de stroom en varen als papieren plezierbootjes richting de riolen van West End Avenue. De meneer kijkt ze onbewogen na. Hij is niet bang voor een nieuwe vloedgolf. Kom maar op met die dag des oordeels. Er is een plek voor hem gereserveerd op de boot.